Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-16
ECLI:NL:RBMNE:2026:2429
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2429 text/xml public 2026-05-19T14:09:01 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-16 C/16/603445 / JL RK 25-851 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Almere Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2429 text/html public 2026-05-19T14:08:20 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2429 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2026 / C/16/603445 / JL RK 25-851 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Almere Zaaknummer: C/16/603445 / JL RK 25-851 Datum uitspraak: 16 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , gevestigd in Lelystad, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder] en [vader] , hierna te noemen: de moeder en de vader (gezamenlijk: de ouders), wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. B.J. de Groot, SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND , gevestigd in Almere, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). De kinderrechter merkt als informanten aan: [de oma] , hierna te noemen: de oma (moederszijde), wonende in [woonplaats] , [de opa] , hierna te noemen: de opa (moederszijde), wonende in [woonplaats] , [de tante] , hierna te noemen: de tante (moederszijde), wonende in [woonplaats] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 20 januari 2027 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend binnen het netwerk, zijnde de grootouders van moederzijde tot 20 april 2026. Het resterende deel van het verzoek over de uithuisplaatsing heeft de kinderrechter aangehouden. 1.2. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de brief van de GI van 7 april 2026; - de brief van de ouders van 14 april 2026. 1.3. Op 16 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaat mr. B.J. de Groot; de opa; de tante; [A] namens de Raad; [B] en [C] namens de GI (telefonisch aangesloten). De oma is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen. 2 De feiten Voor de vaststaande feiten en het eerdere procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 20 januari 2026. 3 De standpunten De Raad 3.1. De Raad heeft zijn verzoek ter zitting gehandhaafd. Er bestaan grote zorgen om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over de oplopende spanningen binnen de familie en is hij van mening dat een neutrale derde partij de familie hierbij moet ondersteunen. De GI 3.2. Volgens de GI is er tijdens de vorige mondelinge behandeling op 20 januari 2026 een ander beeld geschetst van de situatie dan hoe deze daadwerkelijk is. Tijdens deze zitting hebben de ouders expliciet vermeld dat zij als getuigen zijn aangemerkt in het strafrechtelijk onderzoek naar het letsel van [minderjarige 2] , maar later bleek dat zij als verdachten zijn aangemerkt. Om deze reden heeft de GI de omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen aangepast. Daarnaast is er volgens de GI sprake van continue spanningen, verdeeldheid en escalaties binnen het gezinssysteem en wordt er in het bijzijn van de kinderen gesproken over volwassenproblematiek. Volgens de GI proberen de ouders en de opa en oma de tante te ondermijnen en te diskwalificeren in haar rol als primaire verzorgster van [minderjarige 2] . De tante ervaart veel toezicht en controle op haar handelingen, waardoor zij zich niet altijd vrij en veilig voelt. Dit heeft mogelijk een negatieve invloed op de rust die [minderjarige 2] nodig heeft en de onderlinge verhoudingen binnen de familie. Daarnaast is de GI van mening dat de ouders en de opa en oma de ernst van het letsel van [minderjarige 2] onvoldoende lijken in te zien en welke invloed dit heeft op haar huidige en toekomstige ontwikkeling. Omdat de ouders en de opa en oma de zorgen onvoldoende lijken te erkennen en zij het niet eens zijn met de huidige omgangsregeling, maakt de GI zich zorgen dat de veiligheidsafspraken onvoldoende worden nageleefd, vooral als de tante niet aanwezig is in de woning. Inmiddels is het Thuis Op Maat (TOM) traject ingezet om te beoordelen in hoeverre de netwerkplaatsing bij de opa en oma gecontinueerd kan worden in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bovendien wordt een gezinsgericht traject ingezet met als doel aandacht te besteden aan de onderlinge verstoorde familierelaties en de invloed daarvan op de kinderen. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] zijn gebaat bij rust, structuur en duidelijkheid, wat momenteel onvoldoende wordt geboden in de huidige gezinssituatie. Omdat het perspectief van de kinderen nog niet is bepaald en de onderbouwing vanuit de hulpverlening nog ontbreekt, is de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. De ouders 3.3. Door en namens de ouders is ter zitting aangevoerd dat zij geen vertrouwen meer hebben in de samenwerking met de GI en de tante. Daarnaast begrijpen de ouders niet waarom de kinderen zijn geplaatst bij de opa en oma, terwijl de feitelijke zorg bij de tante ligt. De ouders voelen zich buitengesloten en niet gehoord. Er is geen transparantie in de samenwerking en het kwetst de ouders dat hun geloofwaardigheid in twijfel wordt getrokken. De ouders erkennen de zorgen om [minderjarige 2] , maar zijn van mening dat er geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige 1] . Uit onderzoek blijkt dat er geen vorm van letsel bij hem is aangetroffen en volgens de ouders kan hij daarom weer naar huis. Hij lijdt onder de manier waarop uitvoering wordt gegeven aan de machtiging tot uithuisplaatsing, wat zijn ontwikkeling belemmert. De tussenkomst van de GI zorgt voor meer spanningen en de ouders wensen zelf (weer) meer betrokken te raken bij de verzorging en de opvoeding van hun kinderen. Ook willen zij de omgang uitbreiden. Daarnaast stellen de ouders voor dat de opa en oma bij hen in kunnen wonen, zodat het vierogenprincipe gewaarborgd blijft en zij een vertrouwensband kunnen opbouwen. Wanneer dit niet mogelijk is, moet er misschien, hoe pijnlijk en verdrietig ook, nagedacht worden over plaatsing op een neutrale plek. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding en verleent de machtiging voor de duur van drie maanden. De kinderrechter houdt het overige deel van het verzoek aan en zal hieronder uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. 4.2. De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkelingsbedreiging voor beide kinderen nog steeds aanwezig is en mogelijk zelfs is toegenomen. Er bestaan grote zorgen om de gezondheid van [minderjarige 2] . Er is zwaar lichamelijk letsel bij haar aangetroffen en de oorzaak van dit letsel is nog altijd onduidelijk. Het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) heeft vastgesteld dat [minderjarige 2] dit letsel niet zelf veroorzaakt kan hebben en dat dit letsel niet is ontstaan door de dagelijkse verzorging. De ernst van het letsel, in combinatie met de conclusie vanuit het LECK, heeft ertoe geleid dat Veilig Thuis aangifte heeft gedaan van kindermishandeling door de ouders. Op dit moment bestaat er veel onduidelijkheid, omdat het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond. De kans op herhaling wordt door het [ziekenhuis] als reëel gezien en ondanks dat er geen letsel is aangetroffen bij [minderjarige 1] , vindt de kinderrechter het belangrijk dat ook zijn veiligheid wordt gewaarborgd.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2429 text/xml public 2026-05-19T14:09:01 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-16 C/16/603445 / JL RK 25-851 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Almere Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2429 text/html public 2026-05-19T14:08:20 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2429 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2026 / C/16/603445 / JL RK 25-851 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Almere Zaaknummer: C/16/603445 / JL RK 25-851 Datum uitspraak: 16 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , gevestigd in Lelystad, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder] en [vader] , hierna te noemen: de moeder en de vader (gezamenlijk: de ouders), wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. B.J. de Groot, SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND , gevestigd in Almere, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). De kinderrechter merkt als informanten aan: [de oma] , hierna te noemen: de oma (moederszijde), wonende in [woonplaats] , [de opa] , hierna te noemen: de opa (moederszijde), wonende in [woonplaats] , [de tante] , hierna te noemen: de tante (moederszijde), wonende in [woonplaats] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 20 januari 2027 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend binnen het netwerk, zijnde de grootouders van moederzijde tot 20 april 2026. Het resterende deel van het verzoek over de uithuisplaatsing heeft de kinderrechter aangehouden. 1.2. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de brief van de GI van 7 april 2026; - de brief van de ouders van 14 april 2026. 1.3. Op 16 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaat mr. B.J. de Groot; de opa; de tante; [A] namens de Raad; [B] en [C] namens de GI (telefonisch aangesloten). De oma is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen. 2 De feiten Voor de vaststaande feiten en het eerdere procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 20 januari 2026. 3 De standpunten De Raad 3.1. De Raad heeft zijn verzoek ter zitting gehandhaafd. Er bestaan grote zorgen om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over de oplopende spanningen binnen de familie en is hij van mening dat een neutrale derde partij de familie hierbij moet ondersteunen. De GI 3.2. Volgens de GI is er tijdens de vorige mondelinge behandeling op 20 januari 2026 een ander beeld geschetst van de situatie dan hoe deze daadwerkelijk is. Tijdens deze zitting hebben de ouders expliciet vermeld dat zij als getuigen zijn aangemerkt in het strafrechtelijk onderzoek naar het letsel van [minderjarige 2] , maar later bleek dat zij als verdachten zijn aangemerkt. Om deze reden heeft de GI de omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen aangepast. Daarnaast is er volgens de GI sprake van continue spanningen, verdeeldheid en escalaties binnen het gezinssysteem en wordt er in het bijzijn van de kinderen gesproken over volwassenproblematiek. Volgens de GI proberen de ouders en de opa en oma de tante te ondermijnen en te diskwalificeren in haar rol als primaire verzorgster van [minderjarige 2] . De tante ervaart veel toezicht en controle op haar handelingen, waardoor zij zich niet altijd vrij en veilig voelt. Dit heeft mogelijk een negatieve invloed op de rust die [minderjarige 2] nodig heeft en de onderlinge verhoudingen binnen de familie. Daarnaast is de GI van mening dat de ouders en de opa en oma de ernst van het letsel van [minderjarige 2] onvoldoende lijken in te zien en welke invloed dit heeft op haar huidige en toekomstige ontwikkeling. Omdat de ouders en de opa en oma de zorgen onvoldoende lijken te erkennen en zij het niet eens zijn met de huidige omgangsregeling, maakt de GI zich zorgen dat de veiligheidsafspraken onvoldoende worden nageleefd, vooral als de tante niet aanwezig is in de woning. Inmiddels is het Thuis Op Maat (TOM) traject ingezet om te beoordelen in hoeverre de netwerkplaatsing bij de opa en oma gecontinueerd kan worden in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bovendien wordt een gezinsgericht traject ingezet met als doel aandacht te besteden aan de onderlinge verstoorde familierelaties en de invloed daarvan op de kinderen. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] zijn gebaat bij rust, structuur en duidelijkheid, wat momenteel onvoldoende wordt geboden in de huidige gezinssituatie. Omdat het perspectief van de kinderen nog niet is bepaald en de onderbouwing vanuit de hulpverlening nog ontbreekt, is de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. De ouders 3.3. Door en namens de ouders is ter zitting aangevoerd dat zij geen vertrouwen meer hebben in de samenwerking met de GI en de tante. Daarnaast begrijpen de ouders niet waarom de kinderen zijn geplaatst bij de opa en oma, terwijl de feitelijke zorg bij de tante ligt. De ouders voelen zich buitengesloten en niet gehoord. Er is geen transparantie in de samenwerking en het kwetst de ouders dat hun geloofwaardigheid in twijfel wordt getrokken. De ouders erkennen de zorgen om [minderjarige 2] , maar zijn van mening dat er geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige 1] . Uit onderzoek blijkt dat er geen vorm van letsel bij hem is aangetroffen en volgens de ouders kan hij daarom weer naar huis. Hij lijdt onder de manier waarop uitvoering wordt gegeven aan de machtiging tot uithuisplaatsing, wat zijn ontwikkeling belemmert. De tussenkomst van de GI zorgt voor meer spanningen en de ouders wensen zelf (weer) meer betrokken te raken bij de verzorging en de opvoeding van hun kinderen. Ook willen zij de omgang uitbreiden. Daarnaast stellen de ouders voor dat de opa en oma bij hen in kunnen wonen, zodat het vierogenprincipe gewaarborgd blijft en zij een vertrouwensband kunnen opbouwen. Wanneer dit niet mogelijk is, moet er misschien, hoe pijnlijk en verdrietig ook, nagedacht worden over plaatsing op een neutrale plek. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding en verleent de machtiging voor de duur van drie maanden. De kinderrechter houdt het overige deel van het verzoek aan en zal hieronder uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. 4.2. De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkelingsbedreiging voor beide kinderen nog steeds aanwezig is en mogelijk zelfs is toegenomen. Er bestaan grote zorgen om de gezondheid van [minderjarige 2] . Er is zwaar lichamelijk letsel bij haar aangetroffen en de oorzaak van dit letsel is nog altijd onduidelijk. Het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) heeft vastgesteld dat [minderjarige 2] dit letsel niet zelf veroorzaakt kan hebben en dat dit letsel niet is ontstaan door de dagelijkse verzorging. De ernst van het letsel, in combinatie met de conclusie vanuit het LECK, heeft ertoe geleid dat Veilig Thuis aangifte heeft gedaan van kindermishandeling door de ouders. Op dit moment bestaat er veel onduidelijkheid, omdat het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond. De kans op herhaling wordt door het [ziekenhuis] als reëel gezien en ondanks dat er geen letsel is aangetroffen bij [minderjarige 1] , vindt de kinderrechter het belangrijk dat ook zijn veiligheid wordt gewaarborgd.