Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:2377
Civiel recht; Insolventierecht
Wraking
3,901 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2377 text/xml public 2026-05-12T15:25:33 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 609344 HA RK 26-65 Uitspraak Wraking NL Utrecht Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2377 text/html public 2026-05-12T14:52:01 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2377 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 609344 HA RK 26-65 De wrakingsprocedure van artikel 36 Rv is naar het oordeel van de wrakingskamer ook van toepassing op een rechter-commissaris die in faillissementen een inlichtingenverhoor leidt op grond van artikel 105 Faillissementswet, waar (een middellijk bestuurder van) een failliet wordt gehoord. Verzoeksters zijn daarom ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Uit de zittingsaantekeningen blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat de rechter-commissaris zich al bij aanvang vereenzelvigde met het negatieve perspectief van de curator, zoals verzoeksters stellen, maar wel dat de rechter-commissaris de middellijk bestuurder scherp op zijn informatieplicht heeft gewezen en de mogelijke consequenties van niet nakoming van die plicht heeft geschetst. De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af. Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Utrecht Zaaknummer: 609344 HA RK 26-65 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 mei 2026 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van: [verzoekster 1] B.V. en [verzoekster 2] B.V., (middellijk-)bestuurder: dhr. [A] [adres] , [vestigingsplaats] , hierna: verzoeksters. 1 De procedure 1.1. Mr. M. Kolbrink is curator in de faillissementen van [verzoekster 1] B.V. en [verzoekster 2] B.V. Mr. M. Kolbrink heeft de (middellijk) bestuurder van de gefailleerde BV’s, de heer [A] , opgeroepen voor een faillissementsverhoor op grond van artikel 105 van de Faillissementswet (hierna: Fw). Tijdens dat faillissementsverhoor op 31 maart 2026 heeft [A] namens verzoeksters mr. K.G. van de Streek gewraakt. Mr. K.G. van de Streek (hierna: de rechter-commissaris) is de rechter-commissaris in de faillissementen F/16/25/591 ( [verzoekster 1] B.V.) en F.26/58 ( [verzoekster 2] B.V.) (hierna: de hoofdzaak). 1.2. Het wrakingsverzoek is op 21 april 2026 met gesloten deuren behandeld door de wrakingskamer. Alleen [A] heeft, via een digitale verbinding, aan de zitting deelgenomen. De rechter-commissaris heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend, waarop [A] namens verzoeksters op 20 april 2026 weer schriftelijk heeft gereageerd. 1.3. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het wrakingsverzoek 2.1. Uit de door de rechter-commissaris overgelegde zittingsaantekeningen van het verhoor blijkt dat verzoeksters het volgende aan hun wrakingsverzoek ten grondslag leggen. [A] stelt dat uit de wijze waarop de rechter-commissaris het woord voerde, blijkt dat de rechter-commissaris direct bij aanvang van het verhoor zijn oordeel over hem al klaar had, zonder zijn uitleg over het gebrek aan contact met de curator af te wachten. 2.2. Aan verzoeksters is door het secretariaat van de wrakingskamer verzocht uiterlijk 3 april 2026 de gronden voor de wraking in te dienen. Hierop is pas op 20 april 2026 gereageerd met een brief. Daarin worden de gronden nader toegelicht. 2.3. De rechter-commissaris heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter-commissaris dit uitgelegd. De rechter-commissaris heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeksters niet-ontvankelijk zijn in hun wrakingsverzoek. Daartoe heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat het inlichtingenverhoor slechts bedoeld is om de rechter-commissaris en de curator inlichtingen te verschaffen en er tijdens een dergelijk verhoor geen sprake is van een ‘partij’ in de zin van artikel 36 Rv. De rechter-commissaris zou dan als toezichthouder op de failliete boedel niet kunnen worden gewraakt omdat er geen sprake is van een geschil waarin de rechter-commissaris optreedt. Subsidiair heeft de rechter-commissaris zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Hij heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij bewust een scherpe toon heeft aangeslagen jegens [A] , aangezien deze een negatieve reputatie heeft opgebouwd waar het gaat om het niet verschijnen op afspraken met de curator en het niet of onvoldoende meewerken aan de afwikkeling van een faillissement. Het doel van het verhoor was nu juist om te bewerkstelligen dat (de bestuurder van) de gefailleerden wel hun verplichtingen gingen nakomen en de wat scherpere toon waarvoor hij tijdens het verhoor heeft gekozen paste daarbij. 3 De beoordeling 3.1. In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ontvankelijkheid verzoeksters 3.2. Het verhoor dat aanleiding was voor verzoeksters voor de wraking vond plaats in verband met de informatieplicht die een gefailleerde op grond van artikel 105 Fw heeft. Omdat de middellijk bestuurder van de gefailleerden ( [A] ) daar volgens de curator niet aan voldeed, heeft de curator de rechter-commissaris verzocht om een inlichtingenverhoor van [A] , zo volgt uit de door de rechter-commissaris bij zijn reactie op het wrakingsverzoek overgelegde faillissementsverslagen. 3.3. Voor de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek is dus van belang of het inlichtingenverhoor is aan te merken als de behandeling door een rechter van een zaak tussen partijen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1770) in een strafzaak bepaald dat onder het “behandelen van een zaak” moet worden verstaan: elke rechterlijke bemoeienis met een zaak, van welke aard en omvang dan ook. Dit begrip moet dus ruim worden uitgelegd. Naar het oordeel van de wrakingskamer geldt dit ook in het burgerlijk recht en is artikel 36 Rv om die reden ook van toepassing op een rechter-commissaris die in faillissementen een inlichtingenverhoor leidt waar (een middellijk bestuurder van) een failliet wordt gehoord. Die kan door het handelen en oordeel van de rechter-commissaris immers rechtstreeks en langere tijd in haar belangen worden geraakt. De omstandigheid dat tijdens een inlichtingenverhoor geen aanpalende verzoeken voorliggen, neemt niet weg dat de rechter-commissaris tijdens een dergelijk verhoor buiten de kernwaarden van onpartijdigheid en onafhankelijkheid zou kunnen treden. De wrakingskamer ziet gelet op het voorgaande geen grond om te oordelen dat het handelen van een rechter-commissaris in een inlichtingenverhoor niet aan het juridisch instrument van wraking onderworpen is. Verzoeksters zijn dan ook ontvankelijk in hun wrakingsverzoek. Inhoudelijke beoordeling wrakingsverzoek 3.4. De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of kan hij daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. Het oordeel van de wrakingskamer 3.5. De wrakingskamer moet beoordeelden of door de wijze waarop het verhoor is geleid door de rechter-commissaris de objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2377 text/xml public 2026-05-12T15:25:33 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 609344 HA RK 26-65 Uitspraak Wraking NL Utrecht Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2377 text/html public 2026-05-12T14:52:01 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2377 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 609344 HA RK 26-65 De wrakingsprocedure van artikel 36 Rv is naar het oordeel van de wrakingskamer ook van toepassing op een rechter-commissaris die in faillissementen een inlichtingenverhoor leidt op grond van artikel 105 Faillissementswet, waar (een middellijk bestuurder van) een failliet wordt gehoord. Verzoeksters zijn daarom ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Uit de zittingsaantekeningen blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat de rechter-commissaris zich al bij aanvang vereenzelvigde met het negatieve perspectief van de curator, zoals verzoeksters stellen, maar wel dat de rechter-commissaris de middellijk bestuurder scherp op zijn informatieplicht heeft gewezen en de mogelijke consequenties van niet nakoming van die plicht heeft geschetst. De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af. Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Utrecht Zaaknummer: 609344 HA RK 26-65 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 mei 2026 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van: [verzoekster 1] B.V. en [verzoekster 2] B.V., (middellijk-)bestuurder: dhr. [A] [adres] , [vestigingsplaats] , hierna: verzoeksters. 1 De procedure 1.1. Mr. M. Kolbrink is curator in de faillissementen van [verzoekster 1] B.V. en [verzoekster 2] B.V. Mr. M. Kolbrink heeft de (middellijk) bestuurder van de gefailleerde BV’s, de heer [A] , opgeroepen voor een faillissementsverhoor op grond van artikel 105 van de Faillissementswet (hierna: Fw). Tijdens dat faillissementsverhoor op 31 maart 2026 heeft [A] namens verzoeksters mr. K.G. van de Streek gewraakt. Mr. K.G. van de Streek (hierna: de rechter-commissaris) is de rechter-commissaris in de faillissementen F/16/25/591 ( [verzoekster 1] B.V.) en F.26/58 ( [verzoekster 2] B.V.) (hierna: de hoofdzaak). 1.2. Het wrakingsverzoek is op 21 april 2026 met gesloten deuren behandeld door de wrakingskamer. Alleen [A] heeft, via een digitale verbinding, aan de zitting deelgenomen. De rechter-commissaris heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend, waarop [A] namens verzoeksters op 20 april 2026 weer schriftelijk heeft gereageerd. 1.3. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het wrakingsverzoek 2.1. Uit de door de rechter-commissaris overgelegde zittingsaantekeningen van het verhoor blijkt dat verzoeksters het volgende aan hun wrakingsverzoek ten grondslag leggen. [A] stelt dat uit de wijze waarop de rechter-commissaris het woord voerde, blijkt dat de rechter-commissaris direct bij aanvang van het verhoor zijn oordeel over hem al klaar had, zonder zijn uitleg over het gebrek aan contact met de curator af te wachten. 2.2. Aan verzoeksters is door het secretariaat van de wrakingskamer verzocht uiterlijk 3 april 2026 de gronden voor de wraking in te dienen. Hierop is pas op 20 april 2026 gereageerd met een brief. Daarin worden de gronden nader toegelicht. 2.3. De rechter-commissaris heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter-commissaris dit uitgelegd. De rechter-commissaris heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeksters niet-ontvankelijk zijn in hun wrakingsverzoek. Daartoe heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat het inlichtingenverhoor slechts bedoeld is om de rechter-commissaris en de curator inlichtingen te verschaffen en er tijdens een dergelijk verhoor geen sprake is van een ‘partij’ in de zin van artikel 36 Rv. De rechter-commissaris zou dan als toezichthouder op de failliete boedel niet kunnen worden gewraakt omdat er geen sprake is van een geschil waarin de rechter-commissaris optreedt. Subsidiair heeft de rechter-commissaris zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Hij heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij bewust een scherpe toon heeft aangeslagen jegens [A] , aangezien deze een negatieve reputatie heeft opgebouwd waar het gaat om het niet verschijnen op afspraken met de curator en het niet of onvoldoende meewerken aan de afwikkeling van een faillissement. Het doel van het verhoor was nu juist om te bewerkstelligen dat (de bestuurder van) de gefailleerden wel hun verplichtingen gingen nakomen en de wat scherpere toon waarvoor hij tijdens het verhoor heeft gekozen paste daarbij. 3 De beoordeling 3.1. In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ontvankelijkheid verzoeksters 3.2. Het verhoor dat aanleiding was voor verzoeksters voor de wraking vond plaats in verband met de informatieplicht die een gefailleerde op grond van artikel 105 Fw heeft. Omdat de middellijk bestuurder van de gefailleerden ( [A] ) daar volgens de curator niet aan voldeed, heeft de curator de rechter-commissaris verzocht om een inlichtingenverhoor van [A] , zo volgt uit de door de rechter-commissaris bij zijn reactie op het wrakingsverzoek overgelegde faillissementsverslagen. 3.3. Voor de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek is dus van belang of het inlichtingenverhoor is aan te merken als de behandeling door een rechter van een zaak tussen partijen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1770) in een strafzaak bepaald dat onder het “behandelen van een zaak” moet worden verstaan: elke rechterlijke bemoeienis met een zaak, van welke aard en omvang dan ook. Dit begrip moet dus ruim worden uitgelegd. Naar het oordeel van de wrakingskamer geldt dit ook in het burgerlijk recht en is artikel 36 Rv om die reden ook van toepassing op een rechter-commissaris die in faillissementen een inlichtingenverhoor leidt waar (een middellijk bestuurder van) een failliet wordt gehoord. Die kan door het handelen en oordeel van de rechter-commissaris immers rechtstreeks en langere tijd in haar belangen worden geraakt. De omstandigheid dat tijdens een inlichtingenverhoor geen aanpalende verzoeken voorliggen, neemt niet weg dat de rechter-commissaris tijdens een dergelijk verhoor buiten de kernwaarden van onpartijdigheid en onafhankelijkheid zou kunnen treden. De wrakingskamer ziet gelet op het voorgaande geen grond om te oordelen dat het handelen van een rechter-commissaris in een inlichtingenverhoor niet aan het juridisch instrument van wraking onderworpen is. Verzoeksters zijn dan ook ontvankelijk in hun wrakingsverzoek. Inhoudelijke beoordeling wrakingsverzoek 3.4. De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of kan hij daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. Het oordeel van de wrakingskamer 3.5. De wrakingskamer moet beoordeelden of door de wijze waarop het verhoor is geleid door de rechter-commissaris de objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.