Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-13
ECLI:NL:RBMNE:2026:2337
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
6,456 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2337 text/xml public 2026-05-12T11:45:10 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-13 C/16/567917 / FO RK 23-1574 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2337 text/html public 2026-05-12T11:44:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2337 Rechtbank Midden-Nederland , 13-04-2026 / C/16/567917 / FO RK 23-1574 De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning, ondanks de bezwaren van de moeder. Partijen gaan zich aanmelden voor hulpverlening bij het opzetten van een begeleide omgangsregeling. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummers: C/16/567917 / FO RK 23-1574 erkenning en omgang C/16/576830 / FO RK 24-760 wijziging voornaam Beschikking van 13 april 2026 in de zaak van: in de procedure met betrekking tot de erkenning en de omgangsregeling: [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. H. Durdu, tegen [de vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. A.P. van Stralen, met als belanghebbende mr. K.G.I.M. Schröder , kantoorhoudende in Utrecht, als bijzondere curator over het kind [minderjarige] . in de procedure met betrekking tot de voornaamswijziging: [de vrouw] , wonende op een voor de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. A.P. van Stralen, met als belanghebbende [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. H. Durdu. 1 De procedure 1.1 De rechtbank heeft op 27 december 2024 een eerdere (tussen)beschikking gegeven. Voor het verloop van de procedure tot 27 december 2024 verwijst de rechtbank naar die beschikking. 1.2 Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen: het bericht van 13 januari 2025 van de man, met bijlage; het rapport van 17 oktober 2025 van de Raad voor de Kinderbescherming; het bericht van 27 oktober 2025 van de man; het bericht van 14 november 2025 van de bijzondere curator; het bericht van 24 november 2025 van de moeder; het bericht van 19 maart 2026 van de man, met bijlage. 1.3 Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de man met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator, mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. 2 Waar de procedure over gaat 2.1 De moeder en de man hebben een relatie gehad. 2.2 De moeder is bevallen van een dochter: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in ’ [geboorteplaats] . [minderjarige] is niet erkend. 2.3 De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit betekent dat de moeder de belangrijke beslissingen over haar mag nemen. 2.4 De moeder en de man hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.5 In de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2024 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om in de provisionele voorzieningenprocedure – waarbij maatregelen worden getroffen die gelden voor de duur van de bodemprocedure – een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, omdat naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat de man een nauwe persoonlijke betrekking heeft tot [minderjarige] . In de procedure met betrekking tot de erkenning en de omgangsregeling: 2.6 De man verzoekt om hem toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] . Dat wil zeggen dat de man voortaan in juridische zin als de vader van [minderjarige] wordt aangemerkt. De man stelt dat hij de biologische vader is van [minderjarige] . Daarnaast verzoekt de man de rechtbank om de volgende opbouwende omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige] : in de eerste twee weken: twee keer per week een half uur begeleide omgang; de volgende twee weken: twee keer per week een uur onbegeleide omgang; de volgende vier weken: twee keer per week vier uren onbegeleide omgang; en vervolgens deze regeling stapsgewijs uitbreiden tot een weekend in de veertien dagen van vrijdag tot zondag. 2.7 De moeder heeft verweer gevoerd. 2.8 De bijzondere curator heeft een Raadsonderzoek geadviseerd. 2.9 In de beschikking van 27 december 2024 heeft de rechtbank de Raad verzocht om onderzoek te doen. De Raad heeft op 17 oktober 2025 gerapporteerd. In de procedure met betrekking tot de voornaamswijziging: 2.10 De moeder verzoekt de rechtbank de voornaam van [minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam] ’. 2.11 De man heeft verweer gevoerd. 3 De beoordeling Conclusie 3.1 De rechtbank zal toestemming verlenen aan de man om [minderjarige] te erkennen. Daarnaast zal de rechtbank het verzoek tot wijziging van de voornaam van [minderjarige] toewijzen. Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling zal de rechtbank aanhouden. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt. Erkenning 3.2 Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De rechter kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. 3.3 De rechtbank vindt het in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige] dat officieel wordt vastgelegd wie haar vader is. Niet is gebleken dat de erkenning door de man de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden of de relatie tussen de moeder en [minderjarige] zal verstoren. Bij de moeder is sprake van (emotionele) weerstand tegen de erkenning van [minderjarige] door de man. De moeder heeft een zeer negatief beeld van de man en zij vreest dat de man door de erkenning invloed krijgt op haar leven met [minderjarige] . Hierdoor ervaart de moeder veel stress en angst. Volgens de rechtbank zal de band tussen [minderjarige] en de moeder echter niet veranderen door enkel de erkenning. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming zijn het daarmee eens. Uit het rapport van de Raad blijkt dat de moeder [minderjarige] een stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden, ondanks de spanning en emotie die de moeder ervaart over haar verleden met de man. Door de erkenning wordt alleen de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid, door de man te vermelden op de geboorteakte van [minderjarige] als haar vader. De rechter vindt het belangrijk dat in officiële papieren staat wie de vader is van [minderjarige] , zodat niemand daarover later kan twijfelen. Enkel door de erkenning krijgt de man geen zeggenschap over [minderjarige] . De moeder blijft alleen belast met het gezag en zal de belangrijke beslissingen voor [minderjarige] blijven nemen. 3.4 Zodra deze beslissing onherroepelijk is, kan de man met deze beslissing naar de gemeente gaan om de erkenning te regelen. De man moet dus nog zelf actie ondernemen, anders vindt de erkenning niet plaats. Omgangsregeling 3.5 De rechtbank zal nu nog geen beslissing over de omgangsregeling nemen, maar dit verzoek negen maanden aanhouden, in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject en de begeleide omgangsregeling. Hierna licht de rechtbank dit toe. 3.6 De rechtbank zal het advies van de Raad volgen. Dit houdt in dat [minderjarige] haar vader op een veilige en stapsgewijze manier gaat leren kennen, door het opstarten van een begeleide omgangsregeling. De Raad is van mening dat het leren kennen van haar vader een positieve invloed kan hebben op de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] , maar de Raad ziet ook zorgen. Er zijn zorgen over de interactie tussen partijen en de invloed hiervan op [minderjarige] . Ook is er onvoldoende zicht op het functioneren van de man. Voor partijen is het nu (nog) niet mogelijk om samen afspraken te maken over het contact tussen [minderjarige] en de man.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2337 text/xml public 2026-05-12T11:45:10 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-13 C/16/567917 / FO RK 23-1574 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2337 text/html public 2026-05-12T11:44:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2337 Rechtbank Midden-Nederland , 13-04-2026 / C/16/567917 / FO RK 23-1574 De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning, ondanks de bezwaren van de moeder. Partijen gaan zich aanmelden voor hulpverlening bij het opzetten van een begeleide omgangsregeling. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummers: C/16/567917 / FO RK 23-1574 erkenning en omgang C/16/576830 / FO RK 24-760 wijziging voornaam Beschikking van 13 april 2026 in de zaak van: in de procedure met betrekking tot de erkenning en de omgangsregeling: [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. H. Durdu, tegen [de vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. A.P. van Stralen, met als belanghebbende mr. K.G.I.M. Schröder , kantoorhoudende in Utrecht, als bijzondere curator over het kind [minderjarige] . in de procedure met betrekking tot de voornaamswijziging: [de vrouw] , wonende op een voor de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. A.P. van Stralen, met als belanghebbende [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. H. Durdu. 1 De procedure 1.1 De rechtbank heeft op 27 december 2024 een eerdere (tussen)beschikking gegeven. Voor het verloop van de procedure tot 27 december 2024 verwijst de rechtbank naar die beschikking. 1.2 Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen: het bericht van 13 januari 2025 van de man, met bijlage; het rapport van 17 oktober 2025 van de Raad voor de Kinderbescherming; het bericht van 27 oktober 2025 van de man; het bericht van 14 november 2025 van de bijzondere curator; het bericht van 24 november 2025 van de moeder; het bericht van 19 maart 2026 van de man, met bijlage. 1.3 Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de man met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator, mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. 2 Waar de procedure over gaat 2.1 De moeder en de man hebben een relatie gehad. 2.2 De moeder is bevallen van een dochter: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in ’ [geboorteplaats] . [minderjarige] is niet erkend. 2.3 De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit betekent dat de moeder de belangrijke beslissingen over haar mag nemen. 2.4 De moeder en de man hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.5 In de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2024 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om in de provisionele voorzieningenprocedure – waarbij maatregelen worden getroffen die gelden voor de duur van de bodemprocedure – een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, omdat naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat de man een nauwe persoonlijke betrekking heeft tot [minderjarige] . In de procedure met betrekking tot de erkenning en de omgangsregeling: 2.6 De man verzoekt om hem toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] . Dat wil zeggen dat de man voortaan in juridische zin als de vader van [minderjarige] wordt aangemerkt. De man stelt dat hij de biologische vader is van [minderjarige] . Daarnaast verzoekt de man de rechtbank om de volgende opbouwende omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige] : in de eerste twee weken: twee keer per week een half uur begeleide omgang; de volgende twee weken: twee keer per week een uur onbegeleide omgang; de volgende vier weken: twee keer per week vier uren onbegeleide omgang; en vervolgens deze regeling stapsgewijs uitbreiden tot een weekend in de veertien dagen van vrijdag tot zondag. 2.7 De moeder heeft verweer gevoerd. 2.8 De bijzondere curator heeft een Raadsonderzoek geadviseerd. 2.9 In de beschikking van 27 december 2024 heeft de rechtbank de Raad verzocht om onderzoek te doen. De Raad heeft op 17 oktober 2025 gerapporteerd. In de procedure met betrekking tot de voornaamswijziging: 2.10 De moeder verzoekt de rechtbank de voornaam van [minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam] ’. 2.11 De man heeft verweer gevoerd. 3 De beoordeling Conclusie 3.1 De rechtbank zal toestemming verlenen aan de man om [minderjarige] te erkennen. Daarnaast zal de rechtbank het verzoek tot wijziging van de voornaam van [minderjarige] toewijzen. Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling zal de rechtbank aanhouden. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt. Erkenning 3.2 Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De rechter kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. 3.3 De rechtbank vindt het in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige] dat officieel wordt vastgelegd wie haar vader is. Niet is gebleken dat de erkenning door de man de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden of de relatie tussen de moeder en [minderjarige] zal verstoren. Bij de moeder is sprake van (emotionele) weerstand tegen de erkenning van [minderjarige] door de man. De moeder heeft een zeer negatief beeld van de man en zij vreest dat de man door de erkenning invloed krijgt op haar leven met [minderjarige] . Hierdoor ervaart de moeder veel stress en angst. Volgens de rechtbank zal de band tussen [minderjarige] en de moeder echter niet veranderen door enkel de erkenning. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming zijn het daarmee eens. Uit het rapport van de Raad blijkt dat de moeder [minderjarige] een stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden, ondanks de spanning en emotie die de moeder ervaart over haar verleden met de man. Door de erkenning wordt alleen de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid, door de man te vermelden op de geboorteakte van [minderjarige] als haar vader. De rechter vindt het belangrijk dat in officiële papieren staat wie de vader is van [minderjarige] , zodat niemand daarover later kan twijfelen. Enkel door de erkenning krijgt de man geen zeggenschap over [minderjarige] . De moeder blijft alleen belast met het gezag en zal de belangrijke beslissingen voor [minderjarige] blijven nemen. 3.4 Zodra deze beslissing onherroepelijk is, kan de man met deze beslissing naar de gemeente gaan om de erkenning te regelen. De man moet dus nog zelf actie ondernemen, anders vindt de erkenning niet plaats. Omgangsregeling 3.5 De rechtbank zal nu nog geen beslissing over de omgangsregeling nemen, maar dit verzoek negen maanden aanhouden, in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject en de begeleide omgangsregeling. Hierna licht de rechtbank dit toe. 3.6 De rechtbank zal het advies van de Raad volgen. Dit houdt in dat [minderjarige] haar vader op een veilige en stapsgewijze manier gaat leren kennen, door het opstarten van een begeleide omgangsregeling. De Raad is van mening dat het leren kennen van haar vader een positieve invloed kan hebben op de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] , maar de Raad ziet ook zorgen. Er zijn zorgen over de interactie tussen partijen en de invloed hiervan op [minderjarige] . Ook is er onvoldoende zicht op het functioneren van de man. Voor partijen is het nu (nog) niet mogelijk om samen afspraken te maken over het contact tussen [minderjarige] en de man.
Volledig
Ook is er onvoldoende draagvlak bij partijen voor een gezamenlijk hulpverleningstraject. Daarom is ondersteuning vanuit hulpverlening nodig om afspraken te maken over de begeleide omgangsregeling. Partijen zijn bereid om deze hulpverlening te aanvaarden. 3.7 Van partijen wordt verwacht dat zij zich zo spoedig mogelijk gaan aanmelden, via het wijkteam van de moeder, voor hulpverlening bij het Opstapje of Konfia (of een vergelijkbare organisatie). Partijen hebben hulp nodig bij het opzetten van een begeleide omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man, waarbij: [minderjarige] bekend wordt gemaakt met het feit dat zij een vader heeft; de man stapsgewijs bij [minderjarige] wordt geïntroduceerd; de man ondersteund wordt bij het aansluiten bij [minderjarige] ; de moeder ondersteund wordt in het ondersteunen van [minderjarige] en het behouden van haar eigen rust ten aanzien van de omgang; er meer zicht komt op het functioneren van de man en de rol die hij kan spelen in het leven van [minderjarige] ; er met partijen samen wordt bekeken of en welke mogelijkheden er op termijn zijn voor een eventuele uitbreiding/andere vormgeving van de omgang tussen de man en [minderjarige] en wat partijen (op termijn) nodig hebben om hier zelfstandig afspraken met elkaar over te maken; gerapporteerd zal worden over de voortgang van de begeleide omgang. Voornaamswijziging 3.8 De rechtbank zal opdracht geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om de voornaam van [minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam] ’. Dit wordt hierna toegelicht. 3.9 De moeder heeft duidelijk gemaakt dat [minderjarige] en zij een zwaarwegend belang hebben bij de voornaamswijziging. Daarnaast is de gevraagde voornaam niet ongepast en geen geslachtsnaam. 3.10 Volgens de moeder hebben partijen niet samen voor de naam [minderjarige] gekozen. Deze naam was de keuze van de man, als islamitische naam en vernoeming naar zijn moeder. De moeder heeft negatieve gevoelens bij de naam [minderjarige] , vanwege haar belaste verleden met de man. De moeder heeft [minderjarige] daarom altijd aangesproken met haar doopnaam, te weten [naam] . Deze naam betekent ‘van God’. Het is een Ethiopische bijbelnaam en past bij het christelijke geloof van de moeder. [minderjarige] groeit op bij de moeder en zij is daarom gewend aan de naam [naam] . Uit het Raadsrapport (over de erkenning en omgang) blijkt dat [minderjarige] niet beter weet dan dat zij [naam] heet. Zij wordt zo genoemd door iedereen in haar leefomgeving. Binnenkort gaat [minderjarige] naar school en het is in haar belang dat haar roepnaam en officiële naam dan met elkaar overeenstemmen. Dat de man niet instemt met de voornaamswijziging maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uitvoerbaar bij voorraad 3.11 De man heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1 verleent aan [de man] , geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] , Somalië, toestemming om te erkennen: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in ’ [geboorteplaats] ; 4.2 geeft opdracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om de voornaam van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in ’ [geboorteplaats] te wijzigen in [naam] , zodat zij voortaan zal heten: [naam] ; 4.3 houdt de behandeling van het verzoek over de omgangsregeling pro forma aan tot 13 januari 2027 , met verzoek aan de beide advocaten om de rechtbank voor die datum schriftelijk te informeren over het verloop van het hulpverleningstraject en de begeleide omgangsregeling en daarnaast te laten weten: of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang; of een nieuwe zitting nodig is; of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting. Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Artikel 1: 204 lid 3 BW. Artikel 1:4 lid 2 BW.
Volledig
Ook is er onvoldoende draagvlak bij partijen voor een gezamenlijk hulpverleningstraject. Daarom is ondersteuning vanuit hulpverlening nodig om afspraken te maken over de begeleide omgangsregeling. Partijen zijn bereid om deze hulpverlening te aanvaarden. 3.7 Van partijen wordt verwacht dat zij zich zo spoedig mogelijk gaan aanmelden, via het wijkteam van de moeder, voor hulpverlening bij het Opstapje of Konfia (of een vergelijkbare organisatie). Partijen hebben hulp nodig bij het opzetten van een begeleide omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man, waarbij: [minderjarige] bekend wordt gemaakt met het feit dat zij een vader heeft; de man stapsgewijs bij [minderjarige] wordt geïntroduceerd; de man ondersteund wordt bij het aansluiten bij [minderjarige] ; de moeder ondersteund wordt in het ondersteunen van [minderjarige] en het behouden van haar eigen rust ten aanzien van de omgang; er meer zicht komt op het functioneren van de man en de rol die hij kan spelen in het leven van [minderjarige] ; er met partijen samen wordt bekeken of en welke mogelijkheden er op termijn zijn voor een eventuele uitbreiding/andere vormgeving van de omgang tussen de man en [minderjarige] en wat partijen (op termijn) nodig hebben om hier zelfstandig afspraken met elkaar over te maken; gerapporteerd zal worden over de voortgang van de begeleide omgang. Voornaamswijziging 3.8 De rechtbank zal opdracht geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om de voornaam van [minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam] ’. Dit wordt hierna toegelicht. 3.9 De moeder heeft duidelijk gemaakt dat [minderjarige] en zij een zwaarwegend belang hebben bij de voornaamswijziging. Daarnaast is de gevraagde voornaam niet ongepast en geen geslachtsnaam. 3.10 Volgens de moeder hebben partijen niet samen voor de naam [minderjarige] gekozen. Deze naam was de keuze van de man, als islamitische naam en vernoeming naar zijn moeder. De moeder heeft negatieve gevoelens bij de naam [minderjarige] , vanwege haar belaste verleden met de man. De moeder heeft [minderjarige] daarom altijd aangesproken met haar doopnaam, te weten [naam] . Deze naam betekent ‘van God’. Het is een Ethiopische bijbelnaam en past bij het christelijke geloof van de moeder. [minderjarige] groeit op bij de moeder en zij is daarom gewend aan de naam [naam] . Uit het Raadsrapport (over de erkenning en omgang) blijkt dat [minderjarige] niet beter weet dan dat zij [naam] heet. Zij wordt zo genoemd door iedereen in haar leefomgeving. Binnenkort gaat [minderjarige] naar school en het is in haar belang dat haar roepnaam en officiële naam dan met elkaar overeenstemmen. Dat de man niet instemt met de voornaamswijziging maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uitvoerbaar bij voorraad 3.11 De man heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1 verleent aan [de man] , geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] , Somalië, toestemming om te erkennen: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in ’ [geboorteplaats] ; 4.2 geeft opdracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om de voornaam van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in ’ [geboorteplaats] te wijzigen in [naam] , zodat zij voortaan zal heten: [naam] ; 4.3 houdt de behandeling van het verzoek over de omgangsregeling pro forma aan tot 13 januari 2027 , met verzoek aan de beide advocaten om de rechtbank voor die datum schriftelijk te informeren over het verloop van het hulpverleningstraject en de begeleide omgangsregeling en daarnaast te laten weten: of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang; of een nieuwe zitting nodig is; of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting. Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Artikel 1: 204 lid 3 BW. Artikel 1:4 lid 2 BW.