Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-01
ECLI:NL:RBMNE:2026:2274
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2274 text/xml public 2026-05-27T11:10:25 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-01 UTR 26/954 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2274 text/html public 2026-05-27T11:09:47 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2274 Rechtbank Midden-Nederland , 01-05-2026 / UTR 26/954 BNT ZW, EZWb, Eerstejaars Ziektewetbeoordeling, aanvraag RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/954 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen Stichting KSA Kinderopvang, uit Amersfoort, eiseres (gemachtigde: mr. A.M. Wuisman), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster [A] heeft genomen. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als een bestuursorgaan niet tijdig een besluit neemt kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog een besluit moet worden genomen. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Een EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Uit de wet en jurisprudentie volgt dat er door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ambtshalve te nemen beslissing . Een EZWb-besluit moet uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werknemer worden genomen. De werkneemster van eiseres is per 3 december 2024 ziekgemeld. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 2 december 2025 een EZWb-besluit had moeten nemen. Verweerder heeft op 14 januari 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Daarna zijn twee weken verstreken. Verweerder heeft nog steeds geen EZWb-besluit genomen. Het beroep is daarom gegrond. 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 5. Verweerder wijst er in zijn verweerschrift op dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 . De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het hier gaat om een EZWb in plaats van een WIA-(her)beoordeling, onvoldoende aanleiding om af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. Conclusie 7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen. 8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-. 9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6843. Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet en de uitspraak van de CRvB van 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2812. ECLI:NL:RBMNE:2025:41.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2274 text/xml public 2026-05-27T11:10:25 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-01 UTR 26/954 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2274 text/html public 2026-05-27T11:09:47 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2274 Rechtbank Midden-Nederland , 01-05-2026 / UTR 26/954 BNT ZW, EZWb, Eerstejaars Ziektewetbeoordeling, aanvraag RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/954 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen Stichting KSA Kinderopvang, uit Amersfoort, eiseres (gemachtigde: mr. A.M. Wuisman), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster [A] heeft genomen. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als een bestuursorgaan niet tijdig een besluit neemt kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog een besluit moet worden genomen. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Een EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Uit de wet en jurisprudentie volgt dat er door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ambtshalve te nemen beslissing . Een EZWb-besluit moet uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werknemer worden genomen. De werkneemster van eiseres is per 3 december 2024 ziekgemeld. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 2 december 2025 een EZWb-besluit had moeten nemen. Verweerder heeft op 14 januari 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Daarna zijn twee weken verstreken. Verweerder heeft nog steeds geen EZWb-besluit genomen. Het beroep is daarom gegrond. 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 5. Verweerder wijst er in zijn verweerschrift op dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 . De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het hier gaat om een EZWb in plaats van een WIA-(her)beoordeling, onvoldoende aanleiding om af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. Conclusie 7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak een beslissing nemen. 8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-. 9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6843. Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet en de uitspraak van de CRvB van 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2812. ECLI:NL:RBMNE:2025:41.