Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:2248
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,755 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2248 text/xml public 2026-05-19T12:07:16 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 UTR 24/550 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2248 text/html public 2026-05-19T12:06:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2248 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / UTR 24/550 Nu eiser geen gronden heeft ingediend, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Lelystad Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/550 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar (gemachtigde: P.K. Dinkla). Inleiding 1. In de beschikking van 28 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 312.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 23 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd. 3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar een pro-forma beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. 4. De zaak is behandeld op de zitting van 23 april 2026. De gemachtigde van eiser is niet verschenen. De gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting. 5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en in overleg met partijen onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 6. Iemand die in beroep gaat moet zeggen waarom hij het niet eens is met het besluit en dit ook uitleggen. Dat worden ‘beroepsgronden’ genoemd. Dit staat in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen beroepsgronden zijn genoemd. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen. 7. Gemachtigde van eiser heeft op 3 januari 2024 pro forma beroep ingesteld, waarbij de rechtbank wordt verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de inhoudelijke redenen van beroep. De rechtbank heeft (gemachtigde van) eiser op 25 januari 2024 een brief gestuurd, waarin staat dat hij uiterlijk 22 februari 2024 moet aangeven waarom hij het niet eens is met het besluit. Eiser heeft dit niet gedaan. De rechtbank heeft bij brief van 22 december 2025 opnieuw gevraagd aan eiser om aan te geven waarom hij het niet eens is met het besluit. In deze brief is een termijn gegeven tot uiterlijk 19 januari 2026. Eiser heeft ook hierop niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 22 januari 2026 (gemachtigde van) eiser een aangetekende brief gestuurd, waarin eiser nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om uiterlijk 19 februari 2026 aan te geven wat de beroepsgronden zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser hierop niet heeft gereageerd. Voorafgaand aan de zitting heeft de griffier per e-mail bericht van 21 april 2026 gevraagd aan de gemachtigde van eiser of hij bij de zitting aanwezig zal zijn. Ook op dit bericht is niet gereageerd. 8. Nu eiser geen gronden heeft ingediend, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 10. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Burggraaf, griffier. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2248 text/xml public 2026-05-19T12:07:16 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 UTR 24/550 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2248 text/html public 2026-05-19T12:06:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2248 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / UTR 24/550 Nu eiser geen gronden heeft ingediend, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Lelystad Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/550 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar (gemachtigde: P.K. Dinkla). Inleiding 1. In de beschikking van 28 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 312.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 23 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd. 3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar een pro-forma beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. 4. De zaak is behandeld op de zitting van 23 april 2026. De gemachtigde van eiser is niet verschenen. De gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting. 5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en in overleg met partijen onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 6. Iemand die in beroep gaat moet zeggen waarom hij het niet eens is met het besluit en dit ook uitleggen. Dat worden ‘beroepsgronden’ genoemd. Dit staat in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen beroepsgronden zijn genoemd. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen. 7. Gemachtigde van eiser heeft op 3 januari 2024 pro forma beroep ingesteld, waarbij de rechtbank wordt verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de inhoudelijke redenen van beroep. De rechtbank heeft (gemachtigde van) eiser op 25 januari 2024 een brief gestuurd, waarin staat dat hij uiterlijk 22 februari 2024 moet aangeven waarom hij het niet eens is met het besluit. Eiser heeft dit niet gedaan. De rechtbank heeft bij brief van 22 december 2025 opnieuw gevraagd aan eiser om aan te geven waarom hij het niet eens is met het besluit. In deze brief is een termijn gegeven tot uiterlijk 19 januari 2026. Eiser heeft ook hierop niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 22 januari 2026 (gemachtigde van) eiser een aangetekende brief gestuurd, waarin eiser nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om uiterlijk 19 februari 2026 aan te geven wat de beroepsgronden zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser hierop niet heeft gereageerd. Voorafgaand aan de zitting heeft de griffier per e-mail bericht van 21 april 2026 gevraagd aan de gemachtigde van eiser of hij bij de zitting aanwezig zal zijn. Ook op dit bericht is niet gereageerd. 8. Nu eiser geen gronden heeft ingediend, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 10. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Burggraaf, griffier. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.