Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-24
ECLI:NL:RBMNE:2026:2243
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,005 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2243 text/xml public 2026-05-19T12:02:46 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-24 UTR 25/5934 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2243 text/html public 2026-05-19T12:02:17 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2243 Rechtbank Midden-Nederland , 24-04-2026 / UTR 25/5934 PKV. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5934 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster, (gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: J.H. Swart). Overwegingen 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 2. Deze zaak gaat over het besluit van het Uwv van 29 juli 2024. In deze beslissing liet het Uwv aan verzoekster weten dat zij per 12 augustus 2024 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wet WIA) omdat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit is door verzoekster bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingediend. 3. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 7 januari 2026. Op de zitting is de behandeling van de zaak geschorst om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de gelegenheid te stellen binnen vier weken in een schriftelijk rapport te reageren op alle door verzoekster op 18 december 2025 ingebrachte medische stukken. 4. Op 13 februari 2026 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen. Het Uwv heeft met deze beslissing aan verzoekster laten weten dat zij per 12 augustus 2024 een WIA-uitkering krijgt, omdat zij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv heeft aangegeven akkoord te gaan met een forfaitaire vergoeding. 5. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is door het Uwv in de beslissing op bezwaar van 13 februari 2026 reeds correct vastgesteld. 6. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen . Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-. Beslissing De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten. Het Uwv moet dit bedrag betalen aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2243 text/xml public 2026-05-19T12:02:46 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-24 UTR 25/5934 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2243 text/html public 2026-05-19T12:02:17 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2243 Rechtbank Midden-Nederland , 24-04-2026 / UTR 25/5934 PKV. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5934 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster, (gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: J.H. Swart). Overwegingen 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 2. Deze zaak gaat over het besluit van het Uwv van 29 juli 2024. In deze beslissing liet het Uwv aan verzoekster weten dat zij per 12 augustus 2024 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wet WIA) omdat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit is door verzoekster bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2025 is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingediend. 3. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 7 januari 2026. Op de zitting is de behandeling van de zaak geschorst om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de gelegenheid te stellen binnen vier weken in een schriftelijk rapport te reageren op alle door verzoekster op 18 december 2025 ingebrachte medische stukken. 4. Op 13 februari 2026 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen. Het Uwv heeft met deze beslissing aan verzoekster laten weten dat zij per 12 augustus 2024 een WIA-uitkering krijgt, omdat zij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv heeft aangegeven akkoord te gaan met een forfaitaire vergoeding. 5. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is door het Uwv in de beslissing op bezwaar van 13 februari 2026 reeds correct vastgesteld. 6. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen . Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-. Beslissing De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten. Het Uwv moet dit bedrag betalen aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.