Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-24
ECLI:NL:RBMNE:2026:2182
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
15,565 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2182 text/xml public 2026-05-08T08:49:21 2026-05-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-24 12067501 \ UE VERZ 26-32 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2182 text/html public 2026-05-08T08:48:21 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2182 Rechtbank Midden-Nederland , 24-04-2026 / 12067501 \ UE VERZ 26-32 Aan medewerker gegeven ontslag op staande voet is rechtsgeldig. Geen toestemming voor tussentijdse salarisverhoging. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12067501 \ UE VERZ 26-32 Beschikking van 24 april 2026 in de zaak van [verzoekster] , wonende in [woonplaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. J.W. Stam, tegen de besloten vennootschap [verweerder] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigden: mr. A.D. Putker-Blees en mr. N.Cornelissen. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: - het verzoekschrift van 22 januari 2026 en het incidenteel verzoek ex artikel 194 Rv met producties 1-21 - de vervanging van productie 16 en aanvullende productie 22 - het zelfstandig tegenverzoek van 16 februari 2026 - het verweerschrift en voorwaardelijk tegenverzoek met producties 1-33 - de aanvullende producties A-E van [verweerder] - de aanvullende producties A-F van [verzoekster] - de aanvullende producties F-G van [verweerder] . 1.2 Op 17 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld met de verzoeken in de zaak 12085308 \ UE VERZ 26-49 van mevrouw [A] (hierna: [A] ). Mevrouw [verzoekster] was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [verweerder] waren aanwezig de heer [B] (manager van het business consult finance team), de heer [C] (CEO), de heer [D] (legal counsel) en mevrouw [E] (legal counsel). Zij werden bijgestaan door de gemachtigden van [verweerder] . Partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde op de zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden. 1.3 De zaak is aangehouden voor overleg over een minnelijke regeling. Dat is niet gelukt. [verzoekster] heeft op 13 april 2026 verzocht om een beschikking te geven. 1.4 De kantonrechter heeft de besloten dat vandaag uitspraak wordt gedaan. 2 De zaak in het kort 2.1 [verweerder] heeft [verzoekster] op staande voet ontslagen. [verzoekster] berust in het feit dat haar dienstverband door het ontslag op staande voet is beëindigd, maar verzoekt in deze zaak om toekenning van verschillende vergoedingen. De kantonrechter wijst haar verzoeken af, behalve het verzoek om uitbetaling van niet genoten vakantie-uren. Vastgesteld wordt dat het ontslag (rechts)geldig is. De kantonrechter veroordeelt [verzoekster] , op verzoek van [verweerder] , tot betaling van gefixeerde schadevergoeding en terugbetaling van onverschuldigd betaald salaris. Het incidentele verzoek van [verzoekster] om haar op grond van artikel 194 Rv afschrift te verschaffen van gegevens wordt afgewezen. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 [verweerder] is een vennootschap die zich bezig houdt met het aanleggen, beheren, en exploiteren van open glasvezelinfrastructuur voor woningen en bedrijven in Nederland. [verweerder] heeft tot doel om op grootschalige wijze Nederlandse huishoudens en bedrijven te voorzien van glasvezelaansluitingen. [verweerder] is in 2021 opgericht en inmiddels uitgegroeid tot een onderneming met circa 170 werknemers. 3.2 Op 17 maart 2025 is [verzoekster] (geboren [geboortedatum] 1970), voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van [functie] tegen een bruto maandsalaris van € 6.800,- exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, bij een fulltime dienstverband. [verzoekster] volgde mevrouw [F] (hierna: [F] ) op. 3.3 Op de arbeidsovereenkomst is het handboek voor medewerkers van toepassing. In het handboek worden de kernwaarden van [verweerder] benoemd. Verder geldt binnen [verweerder] “Beleid inzake Anti-omkoping en Fraudepreventie”. 3.4 [verzoekster] is als [functie] verantwoordelijk voor personeelsaangelegenheden. Zij houdt zich met name bezig met het maken en professionaliseren van het personeelsbeleid binnen [verweerder] , waaronder het project ‘level up’. [verzoekster] heeft twee directe HR-collega’s, onder wie [A] , die sinds 3 februari 2025 de functie van [functie] vervulde binnen [verweerder] . 3.5 Ten tijde van indiensttreding van [verzoekster] is de heer [G] CFO en leidinggevende van de afdeling HR (hierna: [G] ). De heer [H] is CEO (hierna: [H] ). 3.6 Op 28 mei 2025 heeft [verzoekster] uit hoofde van haar functie een klacht ingediend over [H] bij de Chief Compliance Officer (hierna: CCO) van de grootaandeelhouder van [verweerder] ( [bedrijf] ) in Londen. Op 17 juni 2025 laat de CCO aan [verzoekster] weten dat Advocatenkantoor [naam] een onderzoek zal starten. 3.7 Op 26 juni 2025 heeft [verzoekster] in een vergadering (‘jour-fixe’) met [G] en [H] haar salaris (en dat van [A] ) aan de orde gesteld. In het kader van het project ‘level up’ was het [verzoekster] namelijk opgevallen dat haar salaris (en dat van [A] ) gezien haar positie en verantwoordelijkheden laag was in vergelijking met andere werknemers. Volgens [verzoekster] was een salaris van € 8.000,- bruto per maand voor een [functie] (en € 6.250,- bruto voor [A] ) wel passend. [G] en [H] hebben daar niet mee ingestemd. 3.8 [G] heeft 1 september 2025 afscheid genomen van [verweerder] . De heer [I] (hierna: [I] ) is zijn opvolger. 3.9 Op 20 oktober 2025 vindt op initiatief van [I] een gesprek plaats met [verzoekster] waarin duidelijk wordt dat [verweerder] de samenwerking met [verzoekster] wil beëindigen. [verzoekster] meldt zich na het gesprek ziek. 3.10 Op 7 november 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerder] gemeld dat zij de handelwijze van [verweerder] onbehoorlijk vindt. [verzoekster] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de door [verweerder] gewenste beëindiging van de arbeidsrelatie niets te maken heeft met haar functioneren maar met de klacht die [verzoekster] heeft ingediend over [H] . Zij verzoekt [verweerder] om haar op grond van artikel 15 AvG inzage te geven in, onder andere, de communicatie die is uitgewisseld in het kader van het onderzoek door [naam] . 3.11 In een e-mailbericht van 11 december 2025 heeft [verweerder] aan (de gemachtigde van) [verzoekster] laten weten dat bij het bestuderen van de stukken en het volledige personeelsdossier van [verzoekster] aan het licht is gekomen, kort gezegd, dat in juli 2025 het salaris van [verzoekster] eigenhandig in de systeem lijkt te zijn aangepast. [verweerder] heeft [verzoekster] verzocht haar zienswijze hierop te geven en een vragenlijst in te vullen. 3.12 [verzoekster] heeft op (vrijdag) 12 december 2025 gereageerd dat [H] enkele dagen na 26 juni 2025 het verzoek om verhoging van het salaris alsnog heeft gehonoreerd waarna [A] deze mutatie heeft uitgevoerd. De suggestie van [verweerder] dat [verzoekster] zonder toestemming haar salaris heeft verhoogd is onjuist, volgens [verzoekster] . 3.13 Op 15 december 2025 heeft [verweerder] [verzoekster] opnieuw verzocht om de vragen van 11 december 2025 volledig te beantwoorden. [verzoekster] heeft op 16 december 2025 laten weten zij bij haar eerdere verklaringen blijft. 3.14 Op 17 december 2025 heeft [verweerder] [verzoekster] (evenals [A] ) op staande voet ontslagen. [verweerder] heeft het ontslag bevestigd in de brief van dezelfde datum. [verweerder] verwijt [verzoekster] het volgende, zakelijk weergegeven: het bewerkstelligen van de uitbetaling van een hoger salaris zonder medeweten of toestemming van [verweerder] ; manipulatie van gegevens door het (laten) wijzigen van het salaris in de originele via DocuSign ondertekende arbeidsovereenkomst en deze overeenkomst en bijbehorend autorisatieformulier te antidateren.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2182 text/xml public 2026-05-08T08:49:21 2026-05-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-24 12067501 \ UE VERZ 26-32 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2182 text/html public 2026-05-08T08:48:21 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2182 Rechtbank Midden-Nederland , 24-04-2026 / 12067501 \ UE VERZ 26-32 Aan medewerker gegeven ontslag op staande voet is rechtsgeldig. Geen toestemming voor tussentijdse salarisverhoging. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12067501 \ UE VERZ 26-32 Beschikking van 24 april 2026 in de zaak van [verzoekster] , wonende in [woonplaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. J.W. Stam, tegen de besloten vennootschap [verweerder] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigden: mr. A.D. Putker-Blees en mr. N.Cornelissen. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: - het verzoekschrift van 22 januari 2026 en het incidenteel verzoek ex artikel 194 Rv met producties 1-21 - de vervanging van productie 16 en aanvullende productie 22 - het zelfstandig tegenverzoek van 16 februari 2026 - het verweerschrift en voorwaardelijk tegenverzoek met producties 1-33 - de aanvullende producties A-E van [verweerder] - de aanvullende producties A-F van [verzoekster] - de aanvullende producties F-G van [verweerder] . 1.2 Op 17 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld met de verzoeken in de zaak 12085308 \ UE VERZ 26-49 van mevrouw [A] (hierna: [A] ). Mevrouw [verzoekster] was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [verweerder] waren aanwezig de heer [B] (manager van het business consult finance team), de heer [C] (CEO), de heer [D] (legal counsel) en mevrouw [E] (legal counsel). Zij werden bijgestaan door de gemachtigden van [verweerder] . Partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde op de zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden. 1.3 De zaak is aangehouden voor overleg over een minnelijke regeling. Dat is niet gelukt. [verzoekster] heeft op 13 april 2026 verzocht om een beschikking te geven. 1.4 De kantonrechter heeft de besloten dat vandaag uitspraak wordt gedaan. 2 De zaak in het kort 2.1 [verweerder] heeft [verzoekster] op staande voet ontslagen. [verzoekster] berust in het feit dat haar dienstverband door het ontslag op staande voet is beëindigd, maar verzoekt in deze zaak om toekenning van verschillende vergoedingen. De kantonrechter wijst haar verzoeken af, behalve het verzoek om uitbetaling van niet genoten vakantie-uren. Vastgesteld wordt dat het ontslag (rechts)geldig is. De kantonrechter veroordeelt [verzoekster] , op verzoek van [verweerder] , tot betaling van gefixeerde schadevergoeding en terugbetaling van onverschuldigd betaald salaris. Het incidentele verzoek van [verzoekster] om haar op grond van artikel 194 Rv afschrift te verschaffen van gegevens wordt afgewezen. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 [verweerder] is een vennootschap die zich bezig houdt met het aanleggen, beheren, en exploiteren van open glasvezelinfrastructuur voor woningen en bedrijven in Nederland. [verweerder] heeft tot doel om op grootschalige wijze Nederlandse huishoudens en bedrijven te voorzien van glasvezelaansluitingen. [verweerder] is in 2021 opgericht en inmiddels uitgegroeid tot een onderneming met circa 170 werknemers. 3.2 Op 17 maart 2025 is [verzoekster] (geboren [geboortedatum] 1970), voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van [functie] tegen een bruto maandsalaris van € 6.800,- exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, bij een fulltime dienstverband. [verzoekster] volgde mevrouw [F] (hierna: [F] ) op. 3.3 Op de arbeidsovereenkomst is het handboek voor medewerkers van toepassing. In het handboek worden de kernwaarden van [verweerder] benoemd. Verder geldt binnen [verweerder] “Beleid inzake Anti-omkoping en Fraudepreventie”. 3.4 [verzoekster] is als [functie] verantwoordelijk voor personeelsaangelegenheden. Zij houdt zich met name bezig met het maken en professionaliseren van het personeelsbeleid binnen [verweerder] , waaronder het project ‘level up’. [verzoekster] heeft twee directe HR-collega’s, onder wie [A] , die sinds 3 februari 2025 de functie van [functie] vervulde binnen [verweerder] . 3.5 Ten tijde van indiensttreding van [verzoekster] is de heer [G] CFO en leidinggevende van de afdeling HR (hierna: [G] ). De heer [H] is CEO (hierna: [H] ). 3.6 Op 28 mei 2025 heeft [verzoekster] uit hoofde van haar functie een klacht ingediend over [H] bij de Chief Compliance Officer (hierna: CCO) van de grootaandeelhouder van [verweerder] ( [bedrijf] ) in Londen. Op 17 juni 2025 laat de CCO aan [verzoekster] weten dat Advocatenkantoor [naam] een onderzoek zal starten. 3.7 Op 26 juni 2025 heeft [verzoekster] in een vergadering (‘jour-fixe’) met [G] en [H] haar salaris (en dat van [A] ) aan de orde gesteld. In het kader van het project ‘level up’ was het [verzoekster] namelijk opgevallen dat haar salaris (en dat van [A] ) gezien haar positie en verantwoordelijkheden laag was in vergelijking met andere werknemers. Volgens [verzoekster] was een salaris van € 8.000,- bruto per maand voor een [functie] (en € 6.250,- bruto voor [A] ) wel passend. [G] en [H] hebben daar niet mee ingestemd. 3.8 [G] heeft 1 september 2025 afscheid genomen van [verweerder] . De heer [I] (hierna: [I] ) is zijn opvolger. 3.9 Op 20 oktober 2025 vindt op initiatief van [I] een gesprek plaats met [verzoekster] waarin duidelijk wordt dat [verweerder] de samenwerking met [verzoekster] wil beëindigen. [verzoekster] meldt zich na het gesprek ziek. 3.10 Op 7 november 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerder] gemeld dat zij de handelwijze van [verweerder] onbehoorlijk vindt. [verzoekster] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de door [verweerder] gewenste beëindiging van de arbeidsrelatie niets te maken heeft met haar functioneren maar met de klacht die [verzoekster] heeft ingediend over [H] . Zij verzoekt [verweerder] om haar op grond van artikel 15 AvG inzage te geven in, onder andere, de communicatie die is uitgewisseld in het kader van het onderzoek door [naam] . 3.11 In een e-mailbericht van 11 december 2025 heeft [verweerder] aan (de gemachtigde van) [verzoekster] laten weten dat bij het bestuderen van de stukken en het volledige personeelsdossier van [verzoekster] aan het licht is gekomen, kort gezegd, dat in juli 2025 het salaris van [verzoekster] eigenhandig in de systeem lijkt te zijn aangepast. [verweerder] heeft [verzoekster] verzocht haar zienswijze hierop te geven en een vragenlijst in te vullen. 3.12 [verzoekster] heeft op (vrijdag) 12 december 2025 gereageerd dat [H] enkele dagen na 26 juni 2025 het verzoek om verhoging van het salaris alsnog heeft gehonoreerd waarna [A] deze mutatie heeft uitgevoerd. De suggestie van [verweerder] dat [verzoekster] zonder toestemming haar salaris heeft verhoogd is onjuist, volgens [verzoekster] . 3.13 Op 15 december 2025 heeft [verweerder] [verzoekster] opnieuw verzocht om de vragen van 11 december 2025 volledig te beantwoorden. [verzoekster] heeft op 16 december 2025 laten weten zij bij haar eerdere verklaringen blijft. 3.14 Op 17 december 2025 heeft [verweerder] [verzoekster] (evenals [A] ) op staande voet ontslagen. [verweerder] heeft het ontslag bevestigd in de brief van dezelfde datum. [verweerder] verwijt [verzoekster] het volgende, zakelijk weergegeven: het bewerkstelligen van de uitbetaling van een hoger salaris zonder medeweten of toestemming van [verweerder] ; manipulatie van gegevens door het (laten) wijzigen van het salaris in de originele via DocuSign ondertekende arbeidsovereenkomst en deze overeenkomst en bijbehorend autorisatieformulier te antidateren.
Volledig
Tevens is de originele arbeidsovereenkomst uit het personeelsdossier verwijderd; met deze frauduleuze handelwijze is [verzoekster] bevoordeeld en [verweerder] benadeeld; het op ernstige wijze veronachtzamen van de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, het [verweerder] handboek en de [verweerder] -(fraude)protocollen; het misleiden van [verweerder] door te suggereren dat de vervalste versie via DocuSign zou zijn ondertekend; het herhaaldelijk onvolledig dan wel in strijd met de waarheid verklaren over gedane salaristoezeggingen. Deze gronden vormen volgens [verweerder] ieder voor zich maar ook alle tezamen in onderling verband beschouwd, een dringende reden. Het verzoek, het incidentele verzoek en de (voorwaardelijke) tegenverzoeken 3.15 [verzoekster] verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet, toelating tot haar functie en betaling van loon. Subsidiair wil [verzoekster] dat [verweerder] haar een gefixeerde schadevergoeding (van € 13.322,32,- bruto), de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding (van € 103.680,- bruto) betaalt. Ook verzoekt [verzoekster] vernietiging van het concurrentiebeding, betaling van een contractuele bonus en niet genoten vakantiedagen, met de wettelijke rente over de vergoedingen en de bonus vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen. 3.16 Verder verzoekt [verzoekster] dat haar op grond van artikel 194 Rv afschrift of inzage wordt verschaft van de gegevens (rapport en verklaring) die zien op de klacht van [verzoekster] en het onderzoek dat door [naam] is uitgevoerd, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [verweerder] hiermee in gebreke blijft. 3.17 [verweerder] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en onvoorwaardelijke verzoeken tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 9.756,52 bruto en het onverschuldigd betaalde gedeelte van het loon tot een totaalbedrag van € 6.730,54 met de wettelijke rente vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Ook wil [verweerder] dat [verzoekster] een aantal bedrijfseigendommen inlevert. 4 De beoordeling Het verzoek Rechtsvraag en toetsingskader 4.1 Op de zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij in het ontslag berust en dat haar primaire verzoek wordt ingetrokken. Daarop hoeft dus niet meer te worden beslist. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 17 december 2025 geëindigd. 4.2 De zaak draait nog om de vraag of [verzoekster] aanspraak kan maken op de verzochte vergoedingen. Het antwoord daarop wordt bepaald door de beoordeling of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij (artikel 7:677 lid 1 BW). 4.3 Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Bij de beoordeling van de dringende reden moet de kantonrechter alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, waaronder de aard en de ernst van de dringende reden en de duur van het dienstverband. Op de werkgever rust de stelplicht en de bewijslast dat er een dringende reden is. Het ontslag is onverwijld gegeven 4.4 Het verweer van [verzoekster] dat de gegevens waarop [verweerder] het ontslag baseert al langer bij [verweerder] bekend waren en dat maandelijks alle loonstroken door de CFO op juistheid werden gecontroleerd, wordt verworpen. [G] heeft verklaard dat hij weliswaar enkele keren per jaar de payrollgegevens bekeek maar dat het niet zo was dat hij iedere individuele mutatie apart maandelijks controleerde en goedkeurde. Bovendien was [G] per 1 september 2025 niet meer in dienst van [verweerder] . Dat [verweerder] al ver voor de ontslagdatum op de hoogte was van die gegevens blijkt verder nergens uit. [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat zij bij toeval is gestuit op een mogelijk dringende reden. In verband met de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] (in verband met een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie) had [verweerder] namelijk een advocaat ingeschakeld. Bij het bestuderen van de stukken viel het de advocaat op dat in de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] een bruto salaris van € 6.800,- stond terwijl een recente loonstrook een bruto salaris van € 8.000,- vermeldde. De advocaat heeft deze constatering nog op dezelfde dag, 5 december 2025, teruggekoppeld aan [verweerder] . Vanaf dat moment moet de werkgever voortvarend te werk gaan om de geconstateerde feiten zorgvuldig te onderzoeken. Hiervoor mag de werkgever enige tijd nemen. [verweerder] heeft haar onderzoeksbevindingen op 11 december 2025 aan de gemachtigde van [verzoekster] gestuurd, waarop de gemachtigde op vrijdag 12 december 2025 heeft gereageerd. Omdat die reactie weinig concreet was heeft [verweerder] [verzoekster] op maandag 15 december 2025 nogmaals verzocht om de gestelde vragen volledig en inhoudelijk te beantwoorden. Dat heeft [verzoekster] op 16 december 2025 gedaan waarna [verweerder] , na weging van alle omstandigheden, de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op 17 december 2025 heeft opgezegd onder (uitgebreide) vermelding van de dringende redenen. Dat is onverwijld. Er is een dringende reden 4.5 Ook is sprake van een dringende reden voor ontslag. [verzoekster] voert weliswaar aan dat [verweerder] niet in haar bewijsplicht is geslaagd en haar stellingen baseert op aannames maar dat ziet de kantonrechter anders. Afgezien van het feit dat geen sprake is van bewijslast, staat niet ter discussie dat [verzoekster] met ingang van 1 juli 2025 een salaris heeft ontvangen van € 8.000,- bruto in plaats van het met [verweerder] in maart 2025 overeengekomen salaris van € 6.800,- bruto. [verweerder] heeft overtuigend aangetoond dat zij geen toestemming heeft gegeven voor die salarisverhoging en dat de wijze waarop de (ongeautoriseerde) salarisverhoging is doorgevoerd niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende regels en de nodige vragen oproept. Deze gang van zaken heeft [verweerder] [verzoekster] terecht zwaar aangerekend, ondanks het feit dat zij niet zelf de mutaties in het systeem heeft uitgevoerd. 4.6 Het verweer van [verzoekster] komt er in de kern op neer dat [verweerder] heeft ingestemd met de salarisverhoging. [H] zou namelijk enkele dagen nadat [verzoekster] had gevraagd om een wijziging van haar arbeidsvoorwaarden (op 26 juni 2025) alsnog mondeling zijn akkoord hebben gegeven voor een salarisverhoging van [verzoekster] en [A] . [A] heeft de wijzigingen vervolgens in de administratie verwerkt en [verzoekster] heeft zich daar verder niet mee bemoeid. Dit verweer kan om meerdere redenen niet slagen. 4.7 [verweerder] betwist de gestelde gang van zaken en wijst op de verklaringen van [H] en [G] , waarin zij verklaren nooit mondeling te hebben ingestemd met een salarisverhoging voor beide dames. Het antwoord op de vraag of [H] nu wel of niet mondeling toestemming heeft gegeven voor de salarisverhoging kan evenwel in het midden blijven. Vast staat immers dat [G] nimmer heeft ingestemd. 4.8 [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat wijzigingen in arbeidsovereenkomsten, waaronder salariswijzigingen, goedgekeurd moeten worden door de CEO én de CFO. Ondanks dat dat bij [verzoekster] bekend was heeft zij [G] niet om goedkeuring verzocht. Daar naar gevraagd op de zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij veronderstelde dat [H] en [G] dit met elkaar hadden overlegd. De kantonrechter volgt [verzoekster] hierin niet. Van enig overleg hierover tussen de CEO en CFO is niet gebleken. Evenmin heeft [verzoekster] uitgelegd op grond waarvan zij in die veronderstelling kon verkeren. 4.9 Het ontbreken van de schriftelijke toestemming van zowel de CEO als de CFO klemt te meer omdat geen sprake was van een ‘reguliere’ salarisverhoging.
Volledig
Tevens is de originele arbeidsovereenkomst uit het personeelsdossier verwijderd; met deze frauduleuze handelwijze is [verzoekster] bevoordeeld en [verweerder] benadeeld; het op ernstige wijze veronachtzamen van de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, het [verweerder] handboek en de [verweerder] -(fraude)protocollen; het misleiden van [verweerder] door te suggereren dat de vervalste versie via DocuSign zou zijn ondertekend; het herhaaldelijk onvolledig dan wel in strijd met de waarheid verklaren over gedane salaristoezeggingen. Deze gronden vormen volgens [verweerder] ieder voor zich maar ook alle tezamen in onderling verband beschouwd, een dringende reden. Het verzoek, het incidentele verzoek en de (voorwaardelijke) tegenverzoeken 3.15 [verzoekster] verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet, toelating tot haar functie en betaling van loon. Subsidiair wil [verzoekster] dat [verweerder] haar een gefixeerde schadevergoeding (van € 13.322,32,- bruto), de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding (van € 103.680,- bruto) betaalt. Ook verzoekt [verzoekster] vernietiging van het concurrentiebeding, betaling van een contractuele bonus en niet genoten vakantiedagen, met de wettelijke rente over de vergoedingen en de bonus vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen. 3.16 Verder verzoekt [verzoekster] dat haar op grond van artikel 194 Rv afschrift of inzage wordt verschaft van de gegevens (rapport en verklaring) die zien op de klacht van [verzoekster] en het onderzoek dat door [naam] is uitgevoerd, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [verweerder] hiermee in gebreke blijft. 3.17 [verweerder] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en onvoorwaardelijke verzoeken tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 9.756,52 bruto en het onverschuldigd betaalde gedeelte van het loon tot een totaalbedrag van € 6.730,54 met de wettelijke rente vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Ook wil [verweerder] dat [verzoekster] een aantal bedrijfseigendommen inlevert. 4 De beoordeling Het verzoek Rechtsvraag en toetsingskader 4.1 Op de zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij in het ontslag berust en dat haar primaire verzoek wordt ingetrokken. Daarop hoeft dus niet meer te worden beslist. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 17 december 2025 geëindigd. 4.2 De zaak draait nog om de vraag of [verzoekster] aanspraak kan maken op de verzochte vergoedingen. Het antwoord daarop wordt bepaald door de beoordeling of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij (artikel 7:677 lid 1 BW). 4.3 Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Bij de beoordeling van de dringende reden moet de kantonrechter alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, waaronder de aard en de ernst van de dringende reden en de duur van het dienstverband. Op de werkgever rust de stelplicht en de bewijslast dat er een dringende reden is. Het ontslag is onverwijld gegeven 4.4 Het verweer van [verzoekster] dat de gegevens waarop [verweerder] het ontslag baseert al langer bij [verweerder] bekend waren en dat maandelijks alle loonstroken door de CFO op juistheid werden gecontroleerd, wordt verworpen. [G] heeft verklaard dat hij weliswaar enkele keren per jaar de payrollgegevens bekeek maar dat het niet zo was dat hij iedere individuele mutatie apart maandelijks controleerde en goedkeurde. Bovendien was [G] per 1 september 2025 niet meer in dienst van [verweerder] . Dat [verweerder] al ver voor de ontslagdatum op de hoogte was van die gegevens blijkt verder nergens uit. [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat zij bij toeval is gestuit op een mogelijk dringende reden. In verband met de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] (in verband met een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie) had [verweerder] namelijk een advocaat ingeschakeld. Bij het bestuderen van de stukken viel het de advocaat op dat in de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] een bruto salaris van € 6.800,- stond terwijl een recente loonstrook een bruto salaris van € 8.000,- vermeldde. De advocaat heeft deze constatering nog op dezelfde dag, 5 december 2025, teruggekoppeld aan [verweerder] . Vanaf dat moment moet de werkgever voortvarend te werk gaan om de geconstateerde feiten zorgvuldig te onderzoeken. Hiervoor mag de werkgever enige tijd nemen. [verweerder] heeft haar onderzoeksbevindingen op 11 december 2025 aan de gemachtigde van [verzoekster] gestuurd, waarop de gemachtigde op vrijdag 12 december 2025 heeft gereageerd. Omdat die reactie weinig concreet was heeft [verweerder] [verzoekster] op maandag 15 december 2025 nogmaals verzocht om de gestelde vragen volledig en inhoudelijk te beantwoorden. Dat heeft [verzoekster] op 16 december 2025 gedaan waarna [verweerder] , na weging van alle omstandigheden, de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op 17 december 2025 heeft opgezegd onder (uitgebreide) vermelding van de dringende redenen. Dat is onverwijld. Er is een dringende reden 4.5 Ook is sprake van een dringende reden voor ontslag. [verzoekster] voert weliswaar aan dat [verweerder] niet in haar bewijsplicht is geslaagd en haar stellingen baseert op aannames maar dat ziet de kantonrechter anders. Afgezien van het feit dat geen sprake is van bewijslast, staat niet ter discussie dat [verzoekster] met ingang van 1 juli 2025 een salaris heeft ontvangen van € 8.000,- bruto in plaats van het met [verweerder] in maart 2025 overeengekomen salaris van € 6.800,- bruto. [verweerder] heeft overtuigend aangetoond dat zij geen toestemming heeft gegeven voor die salarisverhoging en dat de wijze waarop de (ongeautoriseerde) salarisverhoging is doorgevoerd niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende regels en de nodige vragen oproept. Deze gang van zaken heeft [verweerder] [verzoekster] terecht zwaar aangerekend, ondanks het feit dat zij niet zelf de mutaties in het systeem heeft uitgevoerd. 4.6 Het verweer van [verzoekster] komt er in de kern op neer dat [verweerder] heeft ingestemd met de salarisverhoging. [H] zou namelijk enkele dagen nadat [verzoekster] had gevraagd om een wijziging van haar arbeidsvoorwaarden (op 26 juni 2025) alsnog mondeling zijn akkoord hebben gegeven voor een salarisverhoging van [verzoekster] en [A] . [A] heeft de wijzigingen vervolgens in de administratie verwerkt en [verzoekster] heeft zich daar verder niet mee bemoeid. Dit verweer kan om meerdere redenen niet slagen. 4.7 [verweerder] betwist de gestelde gang van zaken en wijst op de verklaringen van [H] en [G] , waarin zij verklaren nooit mondeling te hebben ingestemd met een salarisverhoging voor beide dames. Het antwoord op de vraag of [H] nu wel of niet mondeling toestemming heeft gegeven voor de salarisverhoging kan evenwel in het midden blijven. Vast staat immers dat [G] nimmer heeft ingestemd. 4.8 [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat wijzigingen in arbeidsovereenkomsten, waaronder salariswijzigingen, goedgekeurd moeten worden door de CEO én de CFO. Ondanks dat dat bij [verzoekster] bekend was heeft zij [G] niet om goedkeuring verzocht. Daar naar gevraagd op de zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij veronderstelde dat [H] en [G] dit met elkaar hadden overlegd. De kantonrechter volgt [verzoekster] hierin niet. Van enig overleg hierover tussen de CEO en CFO is niet gebleken. Evenmin heeft [verzoekster] uitgelegd op grond waarvan zij in die veronderstelling kon verkeren. 4.9 Het ontbreken van de schriftelijke toestemming van zowel de CEO als de CFO klemt te meer omdat geen sprake was van een ‘reguliere’ salarisverhoging.
Volledig
[verweerder] heeft onderbouwd toegelicht dat salarisaanpassingen in principe aan het begin van elk kalenderjaar plaatsvinden, na de beoordelingsgesprekken. Voorstellen voor salarisverhogingen worden afgestemd met de verantwoordelijke manager en de directie, en na overleg met de aandeelhouders. Het percentage van de verhoging zit in de bandbreedte 2,5 en 3,5%, terwijl de salarisverhoging van [verzoekster] bijna 18 % bedroeg. [verweerder] heeft gesteld dat salarissen in de regel tussentijds worden verhoogd in geval van wijziging in contracturen of een functiewijziging. Ook hiervan was geen sprake. De wens van [verzoekster] en [A] om hun salarissen te verhogen, was gebaseerd op een door [verzoekster] ontwikkeld salarishuis, dat nog niet was goedgekeurd, laat staan ingevoerd bij [verweerder] . [verzoekster] verklaarde immers dat zij hierover in gesprek was met de CFO en de CEO. 4.10 Daar komt bij dat voor het uitvoeren van een salariswijziging een formele route moet worden gevolgd. Zo had er een wijzigingsbrief moet worden aangemaakt die via DocuSign door [H] en [G] ondertekend wordt. Ook dit is niet gebeurd. 4.11 Het onderzoek door [verweerder] heeft uitgewezen dat op de (interne) HR SharePoint-omgeving weliswaar een autorisatieformulier staat (gewijzigd op 22 juli 2025) maar zonder de melding van geldige handtekeningen. Het formulier is ook niet ondertekend door [H] en [G] maar door [F] (zij was in juli 2025 niet meer in dienst was van [verweerder] ). Ook heeft [verweerder] een afwijkende versie van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] aangetroffen, met een bruto maandsalaris van € 8.000,-. In deze versie van de arbeidsovereenkomst ontbreekt een uniek DocuSign ID en de melding van geldige handtekeningen. Verder heeft [verweerder] geconstateerd dat [bedrijf] (de externe salarisadministrateur) op 16 juli 2025 een door [A] verzonden Excel-document heeft ontvangen met de door te voeren mutaties voor 12 werknemers, waaronder een salarismutatie naar € 8.000,- bruto van [verzoekster] (en een salarismutatie van [A] ). In het interne in de HR administratie opgeslagen Excel-document ontbreekt echter de mutatie van het salaris van [verzoekster] (en de salarismutatie van [A] ). [verweerder] heeft daar terecht vraagtekens bij geplaatst. 4.12 Een aannemelijke verklaring voor deze bevindingen heeft [verzoekster] niet gegeven. Voor zover [verzoekster] het verweer heeft gevoerd dat het ‘knippen en plakken’ van handtekeningen uit DocuSign wel vaker voorkwam en dat arbeidsovereenkomsten op die manier werden gewijzigd, volgt de kantonrechter haar niet. [verweerder] heeft gemotiveerd betwist dat dat de werkwijze is. [verzoekster] heeft verder nog aangevoerd dat de inhoud van de documenten niet zomaar kan worden geloofd, maar dat heeft [verweerder] genoegzaam weerlegd met de verklaring van [J] . De kantonrechter weegt mee dat alleen [verzoekster] en twee andere HR-medewerkers toegang tot de (eigen) personeelsdossiers op SharePoint hadden en bevoegd waren mutaties door te voeren. Dat [verzoekster] geen betrokkenheid had bij de verwerking van de salarismutaties, ontslaat [verzoekster] niet van haar verantwoordelijkheid voor (toezien op) een juiste uitvoering van die wijzigingen. [verzoekster] heeft immers wel geprofiteerd van deze werkwijze van haar collega en zij kan zich dan ook niet verschuilen achter de stelling daarvan niets geweten te hebben. 4.13 Kortom, zonder aannemelijke verklaring van [verzoekster] voor het ontbreken van de vereiste goedkeuring van de directie voor de (forse) salarisverhoging en de wijze waarop de salariswijziging is uitgevoerd, moet het ervoor worden gehouden dat [verzoekster] zich vanaf juli 2025 zonder toestemming van [verweerder] welbewust een hoger salaris heeft laten uitkeren dan in maart 2025 met [verweerder] was afgesproken. De redenen die [verweerder] [verzoekster] op 17 december 2025 heeft meegedeeld leveren in de gegeven context dus wel degelijk een dringende reden op. Het aanbod van [verzoekster] om alsnog bewijs aan te dragen van het tegendeel wordt gepasseerd. Aan het leveren van bewijs wordt pas toegekomen als [verzoekster] haar stellingen voldoende had onderbouwd, maar dat heeft zij niet gedaan. Het lag op de weg van [verzoekster] om feiten te stellen waarvan bewijs is op te dragen en waaruit zou volgen dat zij wel toestemming heeft gekregen van de CFO en de CEO. Deze feiten heeft [verzoekster] evenwel niet gesteld. 4.14 Daarnaast heeft [verzoekster] als [functie] een voorbeeldfunctie, zeker waar het gaat om het naleven van de interne regels van [verweerder] over het wijzigen van (eigen) arbeidsvoorwaarden. [verweerder] heeft in dit verband terecht de kernwaarden ‘vertrouwen en integriteit’ uit het handboek van [verweerder] aangehaald en deze zin uit het beleid Anti-Omkoping en Fraudepreventie: “ Iedere medewerker is verantwoordelijk voor integer handelen bij het gebruik van activa en middelen van de Groep, ongeacht zijn of haar hiërarchisch niveau of positie. Waar van toepassing en met betrekking tot gedelegeerde activiteiten is iedere manager verantwoordelijk voor het voorkomen van fraude. Alle managers moeten voorbeeldgedrag tonen en motiverend zijn bij de uitvoering en naleving van het fraudepreventiebeleid. Zij dienen eerlijkheid en een goed beoordelingsvermogen te bevorderen. ” 4.15 De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] leiden niet tot een ander oordeel. [verweerder] heeft bij het besluit om [verzoekster] op staande voet te ontslaan betrokken de aard en de ernst van de dringende reden, de korte duur van de arbeidsovereenkomst, de wijze waarop [verzoekster] heeft gefunctioneerd, haar reactie op de bevindingen uit het onderzoek en haar persoonlijke omstandigheden. [verzoekster] heeft geen andere (nieuwe) omstandigheden naar voren gebracht. Geen verband tussen het ontslag op staande voet en de klacht tegen [H] 4.16 Het standpunt van [verzoekster] dat zij naar aanleiding van haar klacht over [H] klokkenluidersbescherming geniet wordt verworpen. Volgens [verweerder] kan de interne klacht, die [verzoekster] uit hoofde van haar functie heeft ingediend, niet worden aangemerkt als een melding van een misstand in de zin van klokkenluidersregeling van [verweerder] of als een melding in de zin van de Wet Bescherming Klokkenluiders (WBK). [verzoekster] heeft dat niet betwist zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van [verweerder] . 4.17 Ook als wel sprake zou zijn van een melding in de zin van de regeling van [verweerder] of de WBK, leidt dat niet tot de door [verzoekster] gewenste bescherming. Er is immers geen sprake is van een causaal verband tussen de klacht en het ontslag op staande voet. Naar aanleiding van de constatering in december 2025 dat het bruto salaris op de laatste loonstrook en het in de arbeidsovereenkomst vermelde bruto salaris (fors) van elkaar verschilden is [verweerder] een onderzoek gestart. De bevindingen uit dat onderzoek hebben geleid tot het ontslag op staande voet. Dat de klacht over [H] daar een rol bij heeft gespeeld is niet gebleken. Billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding 4.18 Omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven bestaat er geen grondslag om een billijke vergoeding toe te kennen. Ook de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen bij gebrek aan grondslag. Met het rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet hoefde [verweerder] immers geen opzegtermijn in acht te nemen. 4.19 Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Dat betekent dat [verweerder] de transitievergoeding niet hoeft te betalen aan [verzoekster] . Bonus 4.20 [verzoekster] heeft verzocht om uitbetaling van een bonusbedrag ter grootte van 15% van het bruto salaris. Dit verzoek wordt afgewezen. In 2.3 van het Handboek staat namelijk dat een werknemer wordt uitgesloten van de bonusregeling voor het kalenderjaar als de werknemer gedurende dat kalenderjaar uit dienst treedt.
Volledig
[verweerder] heeft onderbouwd toegelicht dat salarisaanpassingen in principe aan het begin van elk kalenderjaar plaatsvinden, na de beoordelingsgesprekken. Voorstellen voor salarisverhogingen worden afgestemd met de verantwoordelijke manager en de directie, en na overleg met de aandeelhouders. Het percentage van de verhoging zit in de bandbreedte 2,5 en 3,5%, terwijl de salarisverhoging van [verzoekster] bijna 18 % bedroeg. [verweerder] heeft gesteld dat salarissen in de regel tussentijds worden verhoogd in geval van wijziging in contracturen of een functiewijziging. Ook hiervan was geen sprake. De wens van [verzoekster] en [A] om hun salarissen te verhogen, was gebaseerd op een door [verzoekster] ontwikkeld salarishuis, dat nog niet was goedgekeurd, laat staan ingevoerd bij [verweerder] . [verzoekster] verklaarde immers dat zij hierover in gesprek was met de CFO en de CEO. 4.10 Daar komt bij dat voor het uitvoeren van een salariswijziging een formele route moet worden gevolgd. Zo had er een wijzigingsbrief moet worden aangemaakt die via DocuSign door [H] en [G] ondertekend wordt. Ook dit is niet gebeurd. 4.11 Het onderzoek door [verweerder] heeft uitgewezen dat op de (interne) HR SharePoint-omgeving weliswaar een autorisatieformulier staat (gewijzigd op 22 juli 2025) maar zonder de melding van geldige handtekeningen. Het formulier is ook niet ondertekend door [H] en [G] maar door [F] (zij was in juli 2025 niet meer in dienst was van [verweerder] ). Ook heeft [verweerder] een afwijkende versie van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] aangetroffen, met een bruto maandsalaris van € 8.000,-. In deze versie van de arbeidsovereenkomst ontbreekt een uniek DocuSign ID en de melding van geldige handtekeningen. Verder heeft [verweerder] geconstateerd dat [bedrijf] (de externe salarisadministrateur) op 16 juli 2025 een door [A] verzonden Excel-document heeft ontvangen met de door te voeren mutaties voor 12 werknemers, waaronder een salarismutatie naar € 8.000,- bruto van [verzoekster] (en een salarismutatie van [A] ). In het interne in de HR administratie opgeslagen Excel-document ontbreekt echter de mutatie van het salaris van [verzoekster] (en de salarismutatie van [A] ). [verweerder] heeft daar terecht vraagtekens bij geplaatst. 4.12 Een aannemelijke verklaring voor deze bevindingen heeft [verzoekster] niet gegeven. Voor zover [verzoekster] het verweer heeft gevoerd dat het ‘knippen en plakken’ van handtekeningen uit DocuSign wel vaker voorkwam en dat arbeidsovereenkomsten op die manier werden gewijzigd, volgt de kantonrechter haar niet. [verweerder] heeft gemotiveerd betwist dat dat de werkwijze is. [verzoekster] heeft verder nog aangevoerd dat de inhoud van de documenten niet zomaar kan worden geloofd, maar dat heeft [verweerder] genoegzaam weerlegd met de verklaring van [J] . De kantonrechter weegt mee dat alleen [verzoekster] en twee andere HR-medewerkers toegang tot de (eigen) personeelsdossiers op SharePoint hadden en bevoegd waren mutaties door te voeren. Dat [verzoekster] geen betrokkenheid had bij de verwerking van de salarismutaties, ontslaat [verzoekster] niet van haar verantwoordelijkheid voor (toezien op) een juiste uitvoering van die wijzigingen. [verzoekster] heeft immers wel geprofiteerd van deze werkwijze van haar collega en zij kan zich dan ook niet verschuilen achter de stelling daarvan niets geweten te hebben. 4.13 Kortom, zonder aannemelijke verklaring van [verzoekster] voor het ontbreken van de vereiste goedkeuring van de directie voor de (forse) salarisverhoging en de wijze waarop de salariswijziging is uitgevoerd, moet het ervoor worden gehouden dat [verzoekster] zich vanaf juli 2025 zonder toestemming van [verweerder] welbewust een hoger salaris heeft laten uitkeren dan in maart 2025 met [verweerder] was afgesproken. De redenen die [verweerder] [verzoekster] op 17 december 2025 heeft meegedeeld leveren in de gegeven context dus wel degelijk een dringende reden op. Het aanbod van [verzoekster] om alsnog bewijs aan te dragen van het tegendeel wordt gepasseerd. Aan het leveren van bewijs wordt pas toegekomen als [verzoekster] haar stellingen voldoende had onderbouwd, maar dat heeft zij niet gedaan. Het lag op de weg van [verzoekster] om feiten te stellen waarvan bewijs is op te dragen en waaruit zou volgen dat zij wel toestemming heeft gekregen van de CFO en de CEO. Deze feiten heeft [verzoekster] evenwel niet gesteld. 4.14 Daarnaast heeft [verzoekster] als [functie] een voorbeeldfunctie, zeker waar het gaat om het naleven van de interne regels van [verweerder] over het wijzigen van (eigen) arbeidsvoorwaarden. [verweerder] heeft in dit verband terecht de kernwaarden ‘vertrouwen en integriteit’ uit het handboek van [verweerder] aangehaald en deze zin uit het beleid Anti-Omkoping en Fraudepreventie: “ Iedere medewerker is verantwoordelijk voor integer handelen bij het gebruik van activa en middelen van de Groep, ongeacht zijn of haar hiërarchisch niveau of positie. Waar van toepassing en met betrekking tot gedelegeerde activiteiten is iedere manager verantwoordelijk voor het voorkomen van fraude. Alle managers moeten voorbeeldgedrag tonen en motiverend zijn bij de uitvoering en naleving van het fraudepreventiebeleid. Zij dienen eerlijkheid en een goed beoordelingsvermogen te bevorderen. ” 4.15 De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] leiden niet tot een ander oordeel. [verweerder] heeft bij het besluit om [verzoekster] op staande voet te ontslaan betrokken de aard en de ernst van de dringende reden, de korte duur van de arbeidsovereenkomst, de wijze waarop [verzoekster] heeft gefunctioneerd, haar reactie op de bevindingen uit het onderzoek en haar persoonlijke omstandigheden. [verzoekster] heeft geen andere (nieuwe) omstandigheden naar voren gebracht. Geen verband tussen het ontslag op staande voet en de klacht tegen [H] 4.16 Het standpunt van [verzoekster] dat zij naar aanleiding van haar klacht over [H] klokkenluidersbescherming geniet wordt verworpen. Volgens [verweerder] kan de interne klacht, die [verzoekster] uit hoofde van haar functie heeft ingediend, niet worden aangemerkt als een melding van een misstand in de zin van klokkenluidersregeling van [verweerder] of als een melding in de zin van de Wet Bescherming Klokkenluiders (WBK). [verzoekster] heeft dat niet betwist zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van [verweerder] . 4.17 Ook als wel sprake zou zijn van een melding in de zin van de regeling van [verweerder] of de WBK, leidt dat niet tot de door [verzoekster] gewenste bescherming. Er is immers geen sprake is van een causaal verband tussen de klacht en het ontslag op staande voet. Naar aanleiding van de constatering in december 2025 dat het bruto salaris op de laatste loonstrook en het in de arbeidsovereenkomst vermelde bruto salaris (fors) van elkaar verschilden is [verweerder] een onderzoek gestart. De bevindingen uit dat onderzoek hebben geleid tot het ontslag op staande voet. Dat de klacht over [H] daar een rol bij heeft gespeeld is niet gebleken. Billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding 4.18 Omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven bestaat er geen grondslag om een billijke vergoeding toe te kennen. Ook de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen bij gebrek aan grondslag. Met het rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet hoefde [verweerder] immers geen opzegtermijn in acht te nemen. 4.19 Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Dat betekent dat [verweerder] de transitievergoeding niet hoeft te betalen aan [verzoekster] . Bonus 4.20 [verzoekster] heeft verzocht om uitbetaling van een bonusbedrag ter grootte van 15% van het bruto salaris. Dit verzoek wordt afgewezen. In 2.3 van het Handboek staat namelijk dat een werknemer wordt uitgesloten van de bonusregeling voor het kalenderjaar als de werknemer gedurende dat kalenderjaar uit dienst treedt.
Volledig
Dat is hier het geval. Daarnaast kan de directie besluiten de werknemer uit te sluiten van de bonusregeling op basis van onvoldoende functioneren en heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat [verzoekster] haar individuele performance targets niet heeft gehaald, mede door het verwijtbaar handelen. Vakantie-uren 4.21 Volgens [verzoekster] bedraagt het saldo van nog uitstaande vakantie-uren 153,88 uur. Zij verzoekt uitbetaling daarvan. [verweerder] stelt bereid te zijn om een deugdelijke eindafrekening op te stellen en aan [verzoekster] te verstrekken zodra duidelijk is welke bedragen partijen over en weer aan elkaar verschuldigd zijn. [verweerder] zal eventueel uitstaande bedragen met elkaar verrekenen. [verzoekster] heeft dit niet betwist. Het verzoek van [verzoekster] wordt toegewezen als onder de beslissing staat vermeld. Concurrentiebeding 4.22 Het verzoek van [verzoekster] om te bepalen dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op het bepaalde in artikel 7:653 lid 4 BW. Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder] . Dat betekent dat artikel 7:653 lid 4 BW toepassing mist en dat ook dit verzoek wordt afgewezen. Het incidentele verzoek 4.23 Voor het recht op inzage (daaronder valt ook het recht op afschrift of uittreksel) moet volgens artikel 194 Rv aan een aantal voorwaarden worden voldaan. [verzoekster] moet voldoende belang hebben bij het krijgen van de gegevens, de gegevens moeten relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij [verzoekster] partij is en [verzoekster] moet voldoende concreet kunnen omschrijven om welke gegevens het gaat. 4.24 Zoals in 4.17 is overwogen bestaat is er geen verband tussen het ontslag op staande voet en de klacht van [verzoekster] tegen [H] . Dat maakt dat de informatie waarvan [verzoekster] afschrift/inzage verlangt niet relevant is voor de rechtsbetrekking waarbij zij (nu) partij is. Het verzoek voldoet dus niet aan de in de wet gestelde voorwaarden. In deze procedure heeft [verzoekster] dus onvoldoende belang bij de gevraagde inzage en daarom wordt het incidentele verzoek afgewezen. Het tegenverzoek Voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst 4.25 Omdat [verzoekster] heeft berust in het ontslag op staande voet en de arbeidsovereenkomst dus op 17 december 2025 is geëindigd, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek. Gefixeerde schadevergoeding 4.26 [verzoekster] heeft [verweerder] een dringende reden gegeven om tot ontslag op staande voet over te gaan. Dat betekent dat het verzoek van [verweerder] tot veroordeling van [verzoekster] aan haar de gefixeerde schadevergoeding te betalen zal worden toegewezen. De wettelijke rente wordt als onweersproken toegewezen als verzocht. Onverschuldigd betaald loon 4.27 Het verzoek tot veroordeling van [verzoekster] tot betaling van € 6.730,54 aan onverschuldigd betaald loon wordt toegewezen. Dit bedrag heeft [verweerder] uitbetaald in verband met de onterechte salarismutatie in juli 2025. De wettelijke rente wordt toegewezen als verzocht. Bedrijfseigendommen 4.28 Het verzoek tot het inleveren van de bedrijfseigendommen behoeft geen bespreking meer omdat die eigendommen na de zitting aan [verweerder] zijn overhandigd. In alle verzoeken 4.29 [verzoekster] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij zowel in het verzoek als in het zelfstandig tegenverzoek worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [verweerder] . In het verzoek worden de kosten van [verweerder] begroot op € 865,00 en in het tegenverzoek op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4.30 De proceskosten van [verweerder] in het incident worden begroot op nihil omdat niet is gebleken dat sprake is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 237 Rv. Dat [verweerder] meer kosten heeft gehad om verweer te voeren tegen het incidentele verzoek, dan de kosten die zij heeft gehad om verweer te voeren tegen het verzoek in de hoofdzaak is gesteld noch gebleken. 5 De beslissing De kantonrechter op het verzoek 5.1 veroordeelt [verweerder] om binnen twee dagen na betekening van deze beschikking over te gaan dor betaling van 153,88 vakantie-uren gebaseerd op een maandsalaris van € 6.800,-bruto te vermeerderen met vakantiegeld, 5.2 veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.3 wijst het meer of anders verzochte af, op het incidenteel verzoek ex 194 Rv 5.4 wijst het verzoek af, 5.5 veroordeelt [verzoekster] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op nihil, op het tegenverzoek 5.6 veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 9.756,52 bruto binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2025 tot de dag van de voldoening, 5.7 veroordeelt [verzoekster] tot betaling van het onverschuldigd betaalde gedeelte van het loon tot een totaalbedrag van € 6.730,54 bruto binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2025 tot de dag van de voldoening, 5.8 veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan die veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen, 5.9 wijst het meer of anders verzochte af, op alle verzoeken 5.10 verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. 1257 Artikel 11 arbeidsovereenkomst, productie 1 van [verzoekster] Productie 4 van [verweerder] Zie productie 19 van [verweerder] Zie productie 6 van [verweerder] Zie Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668 Zie productie 11 van [verweerder] Producties 5 en 6 van [verweerder] Opnieuw productie 6 van [verweerder] Zie producties A en B van [verweerder] Zie producties 6, 7 en 8 van [verweerder] Zie de analyse van [K] , Manager Financial Control; productie 11 van [verweerder] Zie bijvoorbeeld de verklaring van [F] , productie 13 van [verweerder] Zie productie F van [verweerder] Zie productie 3 van [verzoekster] artikel 7:673 BW Artikel 7:677 lid 2 BW Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Volledig
Dat is hier het geval. Daarnaast kan de directie besluiten de werknemer uit te sluiten van de bonusregeling op basis van onvoldoende functioneren en heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat [verzoekster] haar individuele performance targets niet heeft gehaald, mede door het verwijtbaar handelen. Vakantie-uren 4.21 Volgens [verzoekster] bedraagt het saldo van nog uitstaande vakantie-uren 153,88 uur. Zij verzoekt uitbetaling daarvan. [verweerder] stelt bereid te zijn om een deugdelijke eindafrekening op te stellen en aan [verzoekster] te verstrekken zodra duidelijk is welke bedragen partijen over en weer aan elkaar verschuldigd zijn. [verweerder] zal eventueel uitstaande bedragen met elkaar verrekenen. [verzoekster] heeft dit niet betwist. Het verzoek van [verzoekster] wordt toegewezen als onder de beslissing staat vermeld. Concurrentiebeding 4.22 Het verzoek van [verzoekster] om te bepalen dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op het bepaalde in artikel 7:653 lid 4 BW. Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder] . Dat betekent dat artikel 7:653 lid 4 BW toepassing mist en dat ook dit verzoek wordt afgewezen. Het incidentele verzoek 4.23 Voor het recht op inzage (daaronder valt ook het recht op afschrift of uittreksel) moet volgens artikel 194 Rv aan een aantal voorwaarden worden voldaan. [verzoekster] moet voldoende belang hebben bij het krijgen van de gegevens, de gegevens moeten relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij [verzoekster] partij is en [verzoekster] moet voldoende concreet kunnen omschrijven om welke gegevens het gaat. 4.24 Zoals in 4.17 is overwogen bestaat is er geen verband tussen het ontslag op staande voet en de klacht van [verzoekster] tegen [H] . Dat maakt dat de informatie waarvan [verzoekster] afschrift/inzage verlangt niet relevant is voor de rechtsbetrekking waarbij zij (nu) partij is. Het verzoek voldoet dus niet aan de in de wet gestelde voorwaarden. In deze procedure heeft [verzoekster] dus onvoldoende belang bij de gevraagde inzage en daarom wordt het incidentele verzoek afgewezen. Het tegenverzoek Voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst 4.25 Omdat [verzoekster] heeft berust in het ontslag op staande voet en de arbeidsovereenkomst dus op 17 december 2025 is geëindigd, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek. Gefixeerde schadevergoeding 4.26 [verzoekster] heeft [verweerder] een dringende reden gegeven om tot ontslag op staande voet over te gaan. Dat betekent dat het verzoek van [verweerder] tot veroordeling van [verzoekster] aan haar de gefixeerde schadevergoeding te betalen zal worden toegewezen. De wettelijke rente wordt als onweersproken toegewezen als verzocht. Onverschuldigd betaald loon 4.27 Het verzoek tot veroordeling van [verzoekster] tot betaling van € 6.730,54 aan onverschuldigd betaald loon wordt toegewezen. Dit bedrag heeft [verweerder] uitbetaald in verband met de onterechte salarismutatie in juli 2025. De wettelijke rente wordt toegewezen als verzocht. Bedrijfseigendommen 4.28 Het verzoek tot het inleveren van de bedrijfseigendommen behoeft geen bespreking meer omdat die eigendommen na de zitting aan [verweerder] zijn overhandigd. In alle verzoeken 4.29 [verzoekster] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij zowel in het verzoek als in het zelfstandig tegenverzoek worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [verweerder] . In het verzoek worden de kosten van [verweerder] begroot op € 865,00 en in het tegenverzoek op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4.30 De proceskosten van [verweerder] in het incident worden begroot op nihil omdat niet is gebleken dat sprake is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 237 Rv. Dat [verweerder] meer kosten heeft gehad om verweer te voeren tegen het incidentele verzoek, dan de kosten die zij heeft gehad om verweer te voeren tegen het verzoek in de hoofdzaak is gesteld noch gebleken. 5 De beslissing De kantonrechter op het verzoek 5.1 veroordeelt [verweerder] om binnen twee dagen na betekening van deze beschikking over te gaan dor betaling van 153,88 vakantie-uren gebaseerd op een maandsalaris van € 6.800,-bruto te vermeerderen met vakantiegeld, 5.2 veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.3 wijst het meer of anders verzochte af, op het incidenteel verzoek ex 194 Rv 5.4 wijst het verzoek af, 5.5 veroordeelt [verzoekster] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op nihil, op het tegenverzoek 5.6 veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 9.756,52 bruto binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2025 tot de dag van de voldoening, 5.7 veroordeelt [verzoekster] tot betaling van het onverschuldigd betaalde gedeelte van het loon tot een totaalbedrag van € 6.730,54 bruto binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2025 tot de dag van de voldoening, 5.8 veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan die veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen, 5.9 wijst het meer of anders verzochte af, op alle verzoeken 5.10 verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. 1257 Artikel 11 arbeidsovereenkomst, productie 1 van [verzoekster] Productie 4 van [verweerder] Zie productie 19 van [verweerder] Zie productie 6 van [verweerder] Zie Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668 Zie productie 11 van [verweerder] Producties 5 en 6 van [verweerder] Opnieuw productie 6 van [verweerder] Zie producties A en B van [verweerder] Zie producties 6, 7 en 8 van [verweerder] Zie de analyse van [K] , Manager Financial Control; productie 11 van [verweerder] Zie bijvoorbeeld de verklaring van [F] , productie 13 van [verweerder] Zie productie F van [verweerder] Zie productie 3 van [verzoekster] artikel 7:673 BW Artikel 7:677 lid 2 BW Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.