Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:2163
Civiel recht
Kort geding
3,517 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2163 text/xml public 2026-05-08T09:16:51 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 12097081 \ MV EXPL 26-17 Uitspraak Kort geding NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2163 text/html public 2026-05-08T09:16:05 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2163 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / 12097081 \ MV EXPL 26-17 nakoming vastellingsovereenkomst RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12097081 \ MV EXPL 26-17 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , wonende in [plaats 1] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E. Smit, tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam] , wonende en zaakdoende in [plaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen: - de dagvaarding van 27 februari 2026 met 7 producties. 1.2 Op 17 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op de locatie van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mr. Smit. [gedaagde] was ook aanwezig met haar echtgenoot de heer [A] , die namens haar het woord heeft gevoerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting met partijen is besproken. 1.3 Op de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk 1 mei 2026 uitspraak wordt gedaan. De uitspraak is eerder klaar en volgt daarom bij vervroeging op 23 april 2026. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] is met haar eenmanszaak [handelsnaam] eigenaar van een [.] afhaalrestaurant in [plaats 2] . [eiser] is op basis van een arbeidsovereenkomst voor [gedaagde] werkzaam geweest als kok voor een salaris van laatstelijk € 2.104,64 netto per maand. De arbeidsovereenkomst is op 31 augustus 2025 beëindigd. Partijen hebben in een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) afspraken gemaakt over de beëindiging. Zij hebben afgesproken dat [gedaagde] uiterlijk binnen een maand na 31 augustus 2025 aan [eiser] betaalt: a. een transitievergoeding van € 2.754,45 bruto, b. 13,33 vakantiedagen, en c. € 176,00 netto voor de eigen bijdrage die [eiser] betaalt voor rechtsbijstand. [gedaagde] is niet tot betaling van deze posten overgegaan. Ook heeft ze het salaris van juli 2025 niet volledig betaald. [eiser] vindt dat [gedaagde] haar afspraken moet nakomen en dat [gedaagde] , doordat zij dit niet gedaan heeft, ook wettelijke verhoging en wettelijke rente moet betalen en een deugdelijke specificatie moet verstrekken van de betalingen. De kantonrechter is dat met [eiser] eens. 3 De beoordeling Spoed 3.1 Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als er een spoedeisend belang is. Doordat [gedaagde] niet aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, heeft [eiser] financiële problemen gekregen. Hij heeft het geld hard nodig voor zijn levensonderhoud. [eiser] heeft daarom een spoedeisend belang bij de vorderingen op [gedaagde] om tot betaling over te gaan. [gedaagde] moet [eiser] betalen 3.2 Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit en is daarmee een voorlopige beslissing. Daarom moet worden ingeschat of de rechter in een bodemprocedure de vorderingen waarschijnlijk zal toewijzen. Dat denkt de rechter in deze zaak wel. Partijen hebben een duidelijke overeenkomst gesloten en die moet worden nagekomen. [gedaagde] heeft op de zitting uitgelegd dat ze de gevorderde bedragen niet kan betalen, omdat zij en haar eenmansbedrijf in financiële problemen zijn geraakt. Dat [gedaagde] niet kan betalen is geen geldige reden om dat niet te doen. De vorderingen van [eiser] tot betaling van de transitievergoeding, de vakantiedagen en de eigen bijdrage zullen daarom worden toegewezen. [gedaagde] heeft voor de maand juli 2025 € 1.754,60 netto aan salaris aan [eiser] betaald, terwijl dit € 2.104,64 netto had moeten zijn. Dat is € 359,04 netto te weinig. Dit is door [gedaagde] erkend op de zitting. [gedaagde] moet dit deel van het salaris daarom aan [eiser] betalen. 3.3 Het loon over juli 2025 had gelet op het bepaalde in de arbeidsovereenkomst (artikel 6) uiterlijk voor 1 augustus 2025 betaald moeten zijn. In de VSO staat dat de overige bedragen uiterlijk binnen een maand na 31 augustus 2025 betaald moeten zijn. [gedaagde] is dus veel te laat met betalen. [eiser] heeft betaling van de wettelijke verhoging van 50% gevorderd over de niet betaalde vakantiedagen en het niet betaalde deel van het loon. Verder heeft hij aanspraak gemaakt op betaling van de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf 27 februari 2026 (de datum van dagvaarden). De voorzieningenrechter zal deze bedragen toewijzen. [gedaagde] moet een salarisspecificatie verstrekken 3.4 [gedaagde] moet van de bedragen die zij aan [eiser] verschuldigd is deugdelijke salarisspecificaties verstrekken. De dwangsom die [eiser] vordert voor het verstrekken van salarisspecificaties wordt gematigd tot € 25,00 per dag met een maximum van €500,00. Dat is redelijker. Er hoeft geen salarisspecificatie te komen van de betaling van de eigen bijdrage. Dat is namelijk geen loon. De dwangsom heeft op dit onderdeel dus ook geen betrekking. Proceskosten 3.5 [gedaagde] krijgt ongelijk en zij moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [eiser] procedeert op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten bedragen € 814,00, en bestaan uit € 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Uitvoerbaar bij voorraad 3.6 Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen in deze uitspraak ook ten uitvoer kunnen worden gelegd als een van partijen de beslissing voorlegt aan het hof of een bodemprocedure start. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van: I. € 359,04 netto aan achterstallig salaris over de maand juli 2025; II. 13,3 vakantiedagen; III. de wettelijke verhoging van 50% over het onder I. genoemde achterstallige salaris en de onder II. genoemde vakantiedagen vanaf 31 augustus 2025; IV. € 2.754,45 bruto aan transitievergoeding; V. € 176,00 aan eigen bijdrage rechtsbijstand; VI. de wettelijke rente over de onder I., II., IV. en V. genoemde posten vanaf 27 februari 2026 tot de dag van volledige betaling; 4.2 veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van deugdelijke salarisspecificaties van de onder I., II., en IV. verschuldigde bedragen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 25,00 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 1.000,00; 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 814,00; 4.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2163 text/xml public 2026-05-08T09:16:51 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 12097081 \ MV EXPL 26-17 Uitspraak Kort geding NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2163 text/html public 2026-05-08T09:16:05 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2163 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / 12097081 \ MV EXPL 26-17 nakoming vastellingsovereenkomst RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12097081 \ MV EXPL 26-17 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , wonende in [plaats 1] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E. Smit, tegen [gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam] , wonende en zaakdoende in [plaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen: - de dagvaarding van 27 februari 2026 met 7 producties. 1.2 Op 17 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op de locatie van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mr. Smit. [gedaagde] was ook aanwezig met haar echtgenoot de heer [A] , die namens haar het woord heeft gevoerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting met partijen is besproken. 1.3 Op de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk 1 mei 2026 uitspraak wordt gedaan. De uitspraak is eerder klaar en volgt daarom bij vervroeging op 23 april 2026. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] is met haar eenmanszaak [handelsnaam] eigenaar van een [.] afhaalrestaurant in [plaats 2] . [eiser] is op basis van een arbeidsovereenkomst voor [gedaagde] werkzaam geweest als kok voor een salaris van laatstelijk € 2.104,64 netto per maand. De arbeidsovereenkomst is op 31 augustus 2025 beëindigd. Partijen hebben in een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) afspraken gemaakt over de beëindiging. Zij hebben afgesproken dat [gedaagde] uiterlijk binnen een maand na 31 augustus 2025 aan [eiser] betaalt: a. een transitievergoeding van € 2.754,45 bruto, b. 13,33 vakantiedagen, en c. € 176,00 netto voor de eigen bijdrage die [eiser] betaalt voor rechtsbijstand. [gedaagde] is niet tot betaling van deze posten overgegaan. Ook heeft ze het salaris van juli 2025 niet volledig betaald. [eiser] vindt dat [gedaagde] haar afspraken moet nakomen en dat [gedaagde] , doordat zij dit niet gedaan heeft, ook wettelijke verhoging en wettelijke rente moet betalen en een deugdelijke specificatie moet verstrekken van de betalingen. De kantonrechter is dat met [eiser] eens. 3 De beoordeling Spoed 3.1 Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als er een spoedeisend belang is. Doordat [gedaagde] niet aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, heeft [eiser] financiële problemen gekregen. Hij heeft het geld hard nodig voor zijn levensonderhoud. [eiser] heeft daarom een spoedeisend belang bij de vorderingen op [gedaagde] om tot betaling over te gaan. [gedaagde] moet [eiser] betalen 3.2 Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit en is daarmee een voorlopige beslissing. Daarom moet worden ingeschat of de rechter in een bodemprocedure de vorderingen waarschijnlijk zal toewijzen. Dat denkt de rechter in deze zaak wel. Partijen hebben een duidelijke overeenkomst gesloten en die moet worden nagekomen. [gedaagde] heeft op de zitting uitgelegd dat ze de gevorderde bedragen niet kan betalen, omdat zij en haar eenmansbedrijf in financiële problemen zijn geraakt. Dat [gedaagde] niet kan betalen is geen geldige reden om dat niet te doen. De vorderingen van [eiser] tot betaling van de transitievergoeding, de vakantiedagen en de eigen bijdrage zullen daarom worden toegewezen. [gedaagde] heeft voor de maand juli 2025 € 1.754,60 netto aan salaris aan [eiser] betaald, terwijl dit € 2.104,64 netto had moeten zijn. Dat is € 359,04 netto te weinig. Dit is door [gedaagde] erkend op de zitting. [gedaagde] moet dit deel van het salaris daarom aan [eiser] betalen. 3.3 Het loon over juli 2025 had gelet op het bepaalde in de arbeidsovereenkomst (artikel 6) uiterlijk voor 1 augustus 2025 betaald moeten zijn. In de VSO staat dat de overige bedragen uiterlijk binnen een maand na 31 augustus 2025 betaald moeten zijn. [gedaagde] is dus veel te laat met betalen. [eiser] heeft betaling van de wettelijke verhoging van 50% gevorderd over de niet betaalde vakantiedagen en het niet betaalde deel van het loon. Verder heeft hij aanspraak gemaakt op betaling van de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf 27 februari 2026 (de datum van dagvaarden). De voorzieningenrechter zal deze bedragen toewijzen. [gedaagde] moet een salarisspecificatie verstrekken 3.4 [gedaagde] moet van de bedragen die zij aan [eiser] verschuldigd is deugdelijke salarisspecificaties verstrekken. De dwangsom die [eiser] vordert voor het verstrekken van salarisspecificaties wordt gematigd tot € 25,00 per dag met een maximum van €500,00. Dat is redelijker. Er hoeft geen salarisspecificatie te komen van de betaling van de eigen bijdrage. Dat is namelijk geen loon. De dwangsom heeft op dit onderdeel dus ook geen betrekking. Proceskosten 3.5 [gedaagde] krijgt ongelijk en zij moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [eiser] procedeert op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten bedragen € 814,00, en bestaan uit € 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Uitvoerbaar bij voorraad 3.6 Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen in deze uitspraak ook ten uitvoer kunnen worden gelegd als een van partijen de beslissing voorlegt aan het hof of een bodemprocedure start. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van: I. € 359,04 netto aan achterstallig salaris over de maand juli 2025; II. 13,3 vakantiedagen; III. de wettelijke verhoging van 50% over het onder I. genoemde achterstallige salaris en de onder II. genoemde vakantiedagen vanaf 31 augustus 2025; IV. € 2.754,45 bruto aan transitievergoeding; V. € 176,00 aan eigen bijdrage rechtsbijstand; VI. de wettelijke rente over de onder I., II., IV. en V. genoemde posten vanaf 27 februari 2026 tot de dag van volledige betaling; 4.2 veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van deugdelijke salarisspecificaties van de onder I., II., en IV. verschuldigde bedragen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 25,00 per dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 1.000,00; 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 814,00; 4.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.