Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2026:2080
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,032 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2080 text/xml public 2026-05-18T13:54:18 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 UTR 25/4541 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2080 text/html public 2026-05-18T13:53:43 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2080 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / UTR 25/4541 Aanvraag Schadefonds Geweldsmisdrijven. beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4541 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.J.G. Schroeder), en De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, hierna te noemen: CSG (gemachtigde: mr. A.M. Hepping). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven omdat hij slachtoffer zou zijn geworden van een mishandeling. De aanvraag is afgewezen omdat volgens de CSG niet vastgesteld kan worden wat er is gebeurd. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiser is het niet eens met afwijzing van de aanvraag. Hij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser zou op 25 maart 2020 slachtoffer zijn geworden van een mishandeling en straatroof in Den Haag. Eiser heeft op 10 april 2020 een telefonische verklaring afgelegd bij de politie. De politie heeft hiervan op 13 oktober 2021 een proces-verbaal opgemaakt. 4. Vanwege deze gebeurtenis heeft eiser op 17 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds). 5. Met het besluit van 31 oktober 2024 (primaire besluit) heeft de CSG de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet aannemelijk is dat eiser slachtoffer zou zijn geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. 6. Met het besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de CSG bij haar afwijzing van de aanvraag gebleven. 7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 8. De CSG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 9. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de CSG. Beoordeling door de rechtbank 10. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van de CSG. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het toetsingskader 11. Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg) kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. 12. Het Schadefonds hanteert beleidsregels uit de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (beleidsbundel), om invulling te geven aan de vereisten genoemd in artikel 3, eerste lid Wsg. De beoordeling houdt in dat er een duidelijk beeld dient te bestaan van de aanleiding, toedracht en omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf plaatsvond. Het vaststellen van een geweldshandeling alleen is dus onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wsg wordt voldaan. Ook moeten er voldoende objectieve aanwijzingen zijn die de opgave van het slachtoffer over de toedracht, aanleiding en de omstandigheden van het voorval ondersteunen. In de Beleidsbundel staat hierover onder meer: “Het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren.” 13. Verder is het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) aan de aanvrager van een uitkering uit het fonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Heeft de CSG de aanvraag op goede gronden afgewezen? 14. Eiser voert aan dat de CSG de aanvraag niet mocht afwijzen. De CSG heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen objectieve informatie beschikbaar is die de lezing van eiser ondersteunt. De aangifte van eiser bevat namelijk concrete en objectieve feiten over het geweldsmisdrijf: er was sprake van twee zilverkleurige auto’s met inzittenden, een plotselinge aanval, verlies van bewustzijn, eiser is door de politie aangetroffen bij de snackbar, vervoerd per ambulance en behandeld in het ziekenhuis. Het ziekenhuis heeft bevestigd dat eiser zwaar letsel had, namelijk een gebroken neus en oogkas. Dit letsel is consistent met een harde klap of geweldstoepassing. Eiser heeft volgens het verslag van de spoedeisende hulp op het moment dat hij daar was gezegd dat hij voorover was gevallen en dat er geen sprake was van mishandeling. Volgens eiser had de CSG daar echter niet van mogen uitgaan omdat hij die opmerkingen in staat van verwardheid of shock heeft gemaakt. De consistente en gedetailleerde politieaangifte moet zwaarder wegen, aangezien die is gedaan toen hij stabiel was. Daarbij stelt eiser dat de CSG ten onrechte zwaar gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van duidelijkheid over de aanleiding en de omstandigheden, omdat een ‘motief’ of ‘aanleiding’ voor de mishandeling geen voorwaarde is voor inwilliging van de aanvraag. 15. De rechtbank oordeelt dat de CSG de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is wat eiser is overkomen. Gelet op het toetsingskader, moet CSG zich bij de beoordeling van een verzoek om een tegemoetkoming echter een duidelijk beeld vormen van de aanleiding, toedracht en omstandigheden. Daarvoor beschikt de CSG in dit geval over onvoldoende objectieve informatie. De rechtbank overweegt dat de aangifte van eiser geen objectieve informatie is, omdat in de aangifte alleen is opgeschreven wat hij zelf heeft verklaard. Verder wordt zijn verklaring dat hij twee zilverkleurige auto’s met inzittenden heeft gezien en dat hij vermoedt dat de ex-partner van zijn vriendin iets te maken heeft met het ongeval, niet bevestigd door andere, objectieve bronnen. Het staat vast dat eiser letsel heeft opgelopen en is vervoerd door een ambulance. Ook daaruit kan echter niet worden afgeleid hoe het ongeval is ontstaan en wat de omstandigheden waren. Het beschrijft enkel de gevolgen. Er is dan ook onvoldoende voldaan aan de eis dat een duidelijk beeld moet kunnen worden gevormd van de aanleiding, toedracht en omstandigheden waaronder het letsel is ontstaan. De beroepsgronden die hierop zien slagen dus niet. Heeft de CSG het besluit onzorgvuldig genomen? 16. Eiser voert aan dat de CSG het besluit onzorgvuldig heeft genomen. Het letsel is volgens hem niet verenigbaar met een eenvoudige val. De CSG had een medisch advies moeten inwinnen, aangezien de CSG stelt dat het letsel zowel door een val als een geweldsmisdrijf kan zijn ontstaan. Daarnaast had de CSG het politiedossier moeten opvragen. Dat de politie het opsporingsonderzoek heeft beëindigd, betekent niet dat geen geweldsmisdrijf heeft plaatsgevonden. 17. De rechtbank is van oordeel dat de CSG het besluit niet onzorgvuldig heeft genomen. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de CSG het politiedossier heeft opgevraagd. Hieruit blijkt dat het politieonderzoek niet is doorgezet, omdat eiser zijn aangifte nooit heeft ondertekend ondanks herhaalde verzoeken van de politieagenten.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2080 text/xml public 2026-05-18T13:54:18 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 UTR 25/4541 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2080 text/html public 2026-05-18T13:53:43 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2080 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / UTR 25/4541 Aanvraag Schadefonds Geweldsmisdrijven. beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4541 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.J.G. Schroeder), en De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, hierna te noemen: CSG (gemachtigde: mr. A.M. Hepping). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven omdat hij slachtoffer zou zijn geworden van een mishandeling. De aanvraag is afgewezen omdat volgens de CSG niet vastgesteld kan worden wat er is gebeurd. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiser is het niet eens met afwijzing van de aanvraag. Hij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser zou op 25 maart 2020 slachtoffer zijn geworden van een mishandeling en straatroof in Den Haag. Eiser heeft op 10 april 2020 een telefonische verklaring afgelegd bij de politie. De politie heeft hiervan op 13 oktober 2021 een proces-verbaal opgemaakt. 4. Vanwege deze gebeurtenis heeft eiser op 17 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds). 5. Met het besluit van 31 oktober 2024 (primaire besluit) heeft de CSG de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet aannemelijk is dat eiser slachtoffer zou zijn geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. 6. Met het besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de CSG bij haar afwijzing van de aanvraag gebleven. 7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 8. De CSG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 9. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de CSG. Beoordeling door de rechtbank 10. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van de CSG. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het toetsingskader 11. Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg) kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. 12. Het Schadefonds hanteert beleidsregels uit de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (beleidsbundel), om invulling te geven aan de vereisten genoemd in artikel 3, eerste lid Wsg. De beoordeling houdt in dat er een duidelijk beeld dient te bestaan van de aanleiding, toedracht en omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf plaatsvond. Het vaststellen van een geweldshandeling alleen is dus onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wsg wordt voldaan. Ook moeten er voldoende objectieve aanwijzingen zijn die de opgave van het slachtoffer over de toedracht, aanleiding en de omstandigheden van het voorval ondersteunen. In de Beleidsbundel staat hierover onder meer: “Het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren.” 13. Verder is het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) aan de aanvrager van een uitkering uit het fonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Heeft de CSG de aanvraag op goede gronden afgewezen? 14. Eiser voert aan dat de CSG de aanvraag niet mocht afwijzen. De CSG heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen objectieve informatie beschikbaar is die de lezing van eiser ondersteunt. De aangifte van eiser bevat namelijk concrete en objectieve feiten over het geweldsmisdrijf: er was sprake van twee zilverkleurige auto’s met inzittenden, een plotselinge aanval, verlies van bewustzijn, eiser is door de politie aangetroffen bij de snackbar, vervoerd per ambulance en behandeld in het ziekenhuis. Het ziekenhuis heeft bevestigd dat eiser zwaar letsel had, namelijk een gebroken neus en oogkas. Dit letsel is consistent met een harde klap of geweldstoepassing. Eiser heeft volgens het verslag van de spoedeisende hulp op het moment dat hij daar was gezegd dat hij voorover was gevallen en dat er geen sprake was van mishandeling. Volgens eiser had de CSG daar echter niet van mogen uitgaan omdat hij die opmerkingen in staat van verwardheid of shock heeft gemaakt. De consistente en gedetailleerde politieaangifte moet zwaarder wegen, aangezien die is gedaan toen hij stabiel was. Daarbij stelt eiser dat de CSG ten onrechte zwaar gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van duidelijkheid over de aanleiding en de omstandigheden, omdat een ‘motief’ of ‘aanleiding’ voor de mishandeling geen voorwaarde is voor inwilliging van de aanvraag. 15. De rechtbank oordeelt dat de CSG de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is wat eiser is overkomen. Gelet op het toetsingskader, moet CSG zich bij de beoordeling van een verzoek om een tegemoetkoming echter een duidelijk beeld vormen van de aanleiding, toedracht en omstandigheden. Daarvoor beschikt de CSG in dit geval over onvoldoende objectieve informatie. De rechtbank overweegt dat de aangifte van eiser geen objectieve informatie is, omdat in de aangifte alleen is opgeschreven wat hij zelf heeft verklaard. Verder wordt zijn verklaring dat hij twee zilverkleurige auto’s met inzittenden heeft gezien en dat hij vermoedt dat de ex-partner van zijn vriendin iets te maken heeft met het ongeval, niet bevestigd door andere, objectieve bronnen. Het staat vast dat eiser letsel heeft opgelopen en is vervoerd door een ambulance. Ook daaruit kan echter niet worden afgeleid hoe het ongeval is ontstaan en wat de omstandigheden waren. Het beschrijft enkel de gevolgen. Er is dan ook onvoldoende voldaan aan de eis dat een duidelijk beeld moet kunnen worden gevormd van de aanleiding, toedracht en omstandigheden waaronder het letsel is ontstaan. De beroepsgronden die hierop zien slagen dus niet. Heeft de CSG het besluit onzorgvuldig genomen? 16. Eiser voert aan dat de CSG het besluit onzorgvuldig heeft genomen. Het letsel is volgens hem niet verenigbaar met een eenvoudige val. De CSG had een medisch advies moeten inwinnen, aangezien de CSG stelt dat het letsel zowel door een val als een geweldsmisdrijf kan zijn ontstaan. Daarnaast had de CSG het politiedossier moeten opvragen. Dat de politie het opsporingsonderzoek heeft beëindigd, betekent niet dat geen geweldsmisdrijf heeft plaatsgevonden. 17. De rechtbank is van oordeel dat de CSG het besluit niet onzorgvuldig heeft genomen. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de CSG het politiedossier heeft opgevraagd. Hieruit blijkt dat het politieonderzoek niet is doorgezet, omdat eiser zijn aangifte nooit heeft ondertekend ondanks herhaalde verzoeken van de politieagenten.