Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-24
ECLI:NL:RBMNE:2026:1976
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,678 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1976 text/xml public 2026-05-18T13:43:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-24 UTR 22/5376 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1976 text/html public 2026-05-18T13:42:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1976 Rechtbank Midden-Nederland , 24-04-2026 / UTR 22/5376 Beroep tegen de afwijzing van eisers aanvraag om een WIA-uitkering. Volgens het Uwv moet eiser 4% arbeidsongeschikt worden beschouwd, zodat hij niet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering voldoet. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank heeft een onafhankelijke verzekerinsgarts als deskundige ingeschakeld voor nader onderzoek naar de beperkingen van eiser per 13 december 2021. Omdat de bevindingen van deze verzekeringsarts de rechtbank echter niet overtuigend voorkomen, heeft zij een andere onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige aangewezen. De rechtbank volgt de tweede deskundige wél in haar beoordeling. Het Uwv heeft de grondslag van het bestreden besluit in beroep dienovereenkomstig gewijzigd. Ook na de herbeoordeling in beroep moet eiser echter nog steeds voor 4% arbeidsongeschik worden beschouwd. De beroepsgronden die eiser hiertegen heeft ingediend slagen niet. Omdat het bestreden besluit in beroep gewijzigd is, verklaart de rechtbank het beroep van eiser gegrond en krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. Materieel krijgt eiser echter geen gelijk in de zaak: het Uwv heeft zijn aanvraag om een WIA-uitkering naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/5376 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 op het beroep in de zaak tussen [eiser] uit [plaats] (gemachtigde: mr. P.S. Fluit) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringswetten (het Uwv) , verweerder (gemachtigde: mr. J.A. Voorn). Inleiding 1. Eiser werkte via [bedrijf 1] B.V. als [functie] bij [bedrijf 2] . Op 16 december 2019 is hij voor dit werk uitgevallen. Eiser is vervolgens in aanmerking gebracht voor een Ziektewetuitkering. Hij heeft een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd, maar die aanvraag is afgewezen. 2. Na een wachttijd van 104 weken, per 13 december 2021, heeft eiser een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Om hiervoor in aanmerking te komen moet vast komen staan dat eiser zijn eigen werk als [functie] niet kan doen en ook met passend werk (andere functies) voor 35% of meer arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. 3. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft onderzoek gedaan naar de medische toestand van eiser op 13 december 2021. De verzekeringsarts heeft de klachten en aandoeningen van eiser vertaald naar arbeidsbeperkingen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser zijn eigen werk als [functie] niet kan doen. Zij heeft het maatmaninkomen van eiser vastgesteld (het inkomen dat hij had voordat hij ziek werd) en drie functies voor eiser geduid die hij volgens haar, ondanks zijn beperkingen uit de FML, wél kan doen. Door het uurloon in de middelste functie (de functies staan op volgorde van uurloon) af te zetten tegen het maatmanuurloon heeft de arbeidsdeskundige berekend dat eiser met die functie 98,04% kan verdienen van wat hij voorheen verdiende. Voor de overige 1,96 % moet eiser arbeidsongeschikt worden beschouwd. Dit is minder dan 35%, zodat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering. Met het besluit van 9 mei 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiser daarom afgewezen. 4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft de medische toestand van eiser per 13 december 2021 opnieuw beoordeeld. Zij heeft aanleiding gezien om de belastbaarheid van eiser uit de FML op een aantal punten te wijzigen en heeft de FML daarom op 20 september 2022 gewijzigd vastgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat één van de drie functies die de eerste arbeidsdeskundige had geduid, ongeschikt is. In plaats daarvan heeft zij een nieuwe functie geduid. Door het uurloon in de dan middelste functie af te zetten tegen het maatmanuurloon heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep berekend dat eiser met die functie 96% kan verdienen van het inkomen dat hij voorheen had. Voor de overige 4% moet eiser arbeidsongeschikt worden beschouwd. Dit is nog steeds lager dan 35%. Met het besluit op bezwaar van 12 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de afwijzing van eiser WIA-aanvraag daarom in stand gelaten. 5. Eiser heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben over en weer op elkaar gereageerd. Eiser heeft een uitgebreid dagverhaal ingestuurd en medische informatie ingediend van zijn internist bij de Vermoeidheidskliniek, van het FocusZorgteam en van zijn begeleider bij [bedrijf 3] . Ook heeft hij een psychologisch rapport overgelegd van het onderzoek dat twee psychologen van het Autistisch Kenniscentrum eind 2020 bij hem hebben afgenomen. Het Uwv heeft aanvullende rapporten van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. 6. De zaak is op 6 september 2023 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn begeleider bij [bedrijf 3] en zijn ouders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] , die aan de zitting heeft deelgenomen via beeldverbinding. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. 7. Op 4 oktober 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat zij zich wil laten voorlichten door een onafhankelijke deskundige over de beperkingen van eiser per 13 december 2021. Na consent van partijen heeft de rechtbank H. Brüning, verzekeringsarts bij WPEX, op 17 januari 2024 als deskundige aangesteld. 8. Brüning heeft op 15 april 2024 zijn deskundigenrapport uitgebracht. Partijen hebben allebei gereageerd. Volgens het Uwv kan het deskundigenrapport niet worden gevolgd, omdat de beoordeling onvoldoende is geconcretiseerd naar de situatie van eiser en de motivering van de door Brüning aangenomen beperkingen niet aansluit bij de definities uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Op verzoek van de rechtbank heeft Brüning op 5 augustus 2024, met inachtneming van de reacties van partijen, een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht. Partijen hebben hier allebei weer op gereageerd. 9. Omdat de motivering van Brüning ook de rechtbank niet overtuigend voorkomt, heeft zij partijen op 20 november 2024 laten weten dat zij zich wil laten voorlichten door een andere onafhankelijke deskundige. Op 14 januari 2025 heeft de rechtbank drs. N.P. Wildenborg, bedrijfs- en verzekeringsarts bij Expertise Centrum MediLibra, als deskundige aangesteld. 10. Wildenborg heeft op 7 april 2025 haar deskundigenrapport uitgebracht. Zij bevestigt hierin de beperkingen van eiser zoals die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in de FML van 20 september 2022 zijn vastgesteld, maar voegt daar een beperking op samenwerken voor eiser aan toe. Partijen hebben allebei gereageerd op het deskundigenrapport. 11. Op verzoek van eiser is de zaak op 9 december 2025 opnieuw bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn begeleider bij [bedrijf 3] en zijn ouders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het bestreden besluit 12. Het Uwv heeft zich in beroep aangesloten bij de beoordeling van Wildenborg, en de medische grondslag van het bestreden besluit dienovereenkomstig gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperking op samenwerken voor eiser overgenomen en toegevoegd aan de FML van 25 april 2025.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1976 text/xml public 2026-05-18T13:43:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-24 UTR 22/5376 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1976 text/html public 2026-05-18T13:42:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1976 Rechtbank Midden-Nederland , 24-04-2026 / UTR 22/5376 Beroep tegen de afwijzing van eisers aanvraag om een WIA-uitkering. Volgens het Uwv moet eiser 4% arbeidsongeschikt worden beschouwd, zodat hij niet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering voldoet. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank heeft een onafhankelijke verzekerinsgarts als deskundige ingeschakeld voor nader onderzoek naar de beperkingen van eiser per 13 december 2021. Omdat de bevindingen van deze verzekeringsarts de rechtbank echter niet overtuigend voorkomen, heeft zij een andere onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige aangewezen. De rechtbank volgt de tweede deskundige wél in haar beoordeling. Het Uwv heeft de grondslag van het bestreden besluit in beroep dienovereenkomstig gewijzigd. Ook na de herbeoordeling in beroep moet eiser echter nog steeds voor 4% arbeidsongeschik worden beschouwd. De beroepsgronden die eiser hiertegen heeft ingediend slagen niet. Omdat het bestreden besluit in beroep gewijzigd is, verklaart de rechtbank het beroep van eiser gegrond en krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. Materieel krijgt eiser echter geen gelijk in de zaak: het Uwv heeft zijn aanvraag om een WIA-uitkering naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/5376 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 op het beroep in de zaak tussen [eiser] uit [plaats] (gemachtigde: mr. P.S. Fluit) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringswetten (het Uwv) , verweerder (gemachtigde: mr. J.A. Voorn). Inleiding 1. Eiser werkte via [bedrijf 1] B.V. als [functie] bij [bedrijf 2] . Op 16 december 2019 is hij voor dit werk uitgevallen. Eiser is vervolgens in aanmerking gebracht voor een Ziektewetuitkering. Hij heeft een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd, maar die aanvraag is afgewezen. 2. Na een wachttijd van 104 weken, per 13 december 2021, heeft eiser een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Om hiervoor in aanmerking te komen moet vast komen staan dat eiser zijn eigen werk als [functie] niet kan doen en ook met passend werk (andere functies) voor 35% of meer arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. 3. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft onderzoek gedaan naar de medische toestand van eiser op 13 december 2021. De verzekeringsarts heeft de klachten en aandoeningen van eiser vertaald naar arbeidsbeperkingen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat eiser zijn eigen werk als [functie] niet kan doen. Zij heeft het maatmaninkomen van eiser vastgesteld (het inkomen dat hij had voordat hij ziek werd) en drie functies voor eiser geduid die hij volgens haar, ondanks zijn beperkingen uit de FML, wél kan doen. Door het uurloon in de middelste functie (de functies staan op volgorde van uurloon) af te zetten tegen het maatmanuurloon heeft de arbeidsdeskundige berekend dat eiser met die functie 98,04% kan verdienen van wat hij voorheen verdiende. Voor de overige 1,96 % moet eiser arbeidsongeschikt worden beschouwd. Dit is minder dan 35%, zodat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering. Met het besluit van 9 mei 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiser daarom afgewezen. 4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft de medische toestand van eiser per 13 december 2021 opnieuw beoordeeld. Zij heeft aanleiding gezien om de belastbaarheid van eiser uit de FML op een aantal punten te wijzigen en heeft de FML daarom op 20 september 2022 gewijzigd vastgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat één van de drie functies die de eerste arbeidsdeskundige had geduid, ongeschikt is. In plaats daarvan heeft zij een nieuwe functie geduid. Door het uurloon in de dan middelste functie af te zetten tegen het maatmanuurloon heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep berekend dat eiser met die functie 96% kan verdienen van het inkomen dat hij voorheen had. Voor de overige 4% moet eiser arbeidsongeschikt worden beschouwd. Dit is nog steeds lager dan 35%. Met het besluit op bezwaar van 12 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de afwijzing van eiser WIA-aanvraag daarom in stand gelaten. 5. Eiser heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben over en weer op elkaar gereageerd. Eiser heeft een uitgebreid dagverhaal ingestuurd en medische informatie ingediend van zijn internist bij de Vermoeidheidskliniek, van het FocusZorgteam en van zijn begeleider bij [bedrijf 3] . Ook heeft hij een psychologisch rapport overgelegd van het onderzoek dat twee psychologen van het Autistisch Kenniscentrum eind 2020 bij hem hebben afgenomen. Het Uwv heeft aanvullende rapporten van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. 6. De zaak is op 6 september 2023 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn begeleider bij [bedrijf 3] en zijn ouders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] , die aan de zitting heeft deelgenomen via beeldverbinding. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. 7. Op 4 oktober 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat zij zich wil laten voorlichten door een onafhankelijke deskundige over de beperkingen van eiser per 13 december 2021. Na consent van partijen heeft de rechtbank H. Brüning, verzekeringsarts bij WPEX, op 17 januari 2024 als deskundige aangesteld. 8. Brüning heeft op 15 april 2024 zijn deskundigenrapport uitgebracht. Partijen hebben allebei gereageerd. Volgens het Uwv kan het deskundigenrapport niet worden gevolgd, omdat de beoordeling onvoldoende is geconcretiseerd naar de situatie van eiser en de motivering van de door Brüning aangenomen beperkingen niet aansluit bij de definities uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Op verzoek van de rechtbank heeft Brüning op 5 augustus 2024, met inachtneming van de reacties van partijen, een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht. Partijen hebben hier allebei weer op gereageerd. 9. Omdat de motivering van Brüning ook de rechtbank niet overtuigend voorkomt, heeft zij partijen op 20 november 2024 laten weten dat zij zich wil laten voorlichten door een andere onafhankelijke deskundige. Op 14 januari 2025 heeft de rechtbank drs. N.P. Wildenborg, bedrijfs- en verzekeringsarts bij Expertise Centrum MediLibra, als deskundige aangesteld. 10. Wildenborg heeft op 7 april 2025 haar deskundigenrapport uitgebracht. Zij bevestigt hierin de beperkingen van eiser zoals die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in de FML van 20 september 2022 zijn vastgesteld, maar voegt daar een beperking op samenwerken voor eiser aan toe. Partijen hebben allebei gereageerd op het deskundigenrapport. 11. Op verzoek van eiser is de zaak op 9 december 2025 opnieuw bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn begeleider bij [bedrijf 3] en zijn ouders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het bestreden besluit 12. Het Uwv heeft zich in beroep aangesloten bij de beoordeling van Wildenborg, en de medische grondslag van het bestreden besluit dienovereenkomstig gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperking op samenwerken voor eiser overgenomen en toegevoegd aan de FML van 25 april 2025.
Volledig
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv beoordeeld en geconcludeerd dat de geduide functies nog steeds geschikt zijn voor eiser, zodat hij per 13 december 2021 nog steeds voor 4% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Het Uwv stelt zich daarom op het standpunt dat de afwijzing van eisers WIA-aanvraag met het bestreden besluit, terecht in stand is gelaten. Het beroep 13. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser vormde de beoordeling van Brüning al een zorgvuldige en goed gemotiveerde weergave van zijn beperkingen per 13 december 2021, zodat het niet nodig was om Wildenborg als (tweede) deskundige aan te stellen. Eiser wijst erop dat Brüning als deskundige helemaal niet gebonden was aan het CBBS omdat dit een interne werkinstructie is voor de verzekeringsartsen van het Uwv. Desalniettemin heeft Brüning voldoende termen uit het CBBS gebruikt bij zijn beoordeling. Volgens eiser zijn de door Brüning aangenomen beperkingen in het persoonlijk functioneren, waaronder de beperking voor het vasthouden en verdelen van de aandacht, ook voldoende medisch geobjectiveerd. Voor zover er voor deze beperkingen al gebleken moet zijn van een ernstige psychiatrische stoornis, want dat geldt volgens eiser niet voor alle beperkingen en voor zover dat wel wordt vereist kan daar gemotiveerd van worden afgeweken, is daar bij eiser sprake van. Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), de ADHD en het autisme waar eiser mee kampt, hebben in combinatie met elkaar te gelden als een ernstige stoornis, aldus eiser. 14. Over de beoordeling van Wildenborg betoogt eiser dat die onzorgvuldig en onjuist is. Volgens eiser heeft Wildenborg namelijk onvoldoende rekenschap gegeven van de medische stukken die hij heeft ingebracht, zijn uitgebreide dagverhaal, maar ook van de combinatie van zijn aandoeningen. Hierdoor heeft zij eisers beperkingen onderschat. Zo heeft Wildenborg ten onrechte geen beperking aangenomen voor het verdelen en vasthouden van de aandacht, heeft zij de ernst van de prikkelgevoeligheid van eiser onvoldoende onderkend en had zij eiser verdergaand beperkt moeten achten in zijn duurbelastbaarheid. Dat er geen aanleiding voor deze beperkingen zou bestaan heeft Wildenborg volgens eiser onvoldoende gemotiveerd. Het Uwv heeft zich in beroep voor de medische grondslag van het bestreden besluit, dan ook ten onrechte aangesloten bij de beoordeling van Wildenborg. 15. Eiser voert tot slot aan dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet juist is. Zo is de maatmanomvang ten onrechte vastgesteld op 26,9 uur. Eiser heeft méér gewerkt dan dat. Hij heeft dit onderbouwd met loonstroken. Verder zijn de functies die voor eiser zijn geduid en gebruikt bij de berekening van zijn mate van arbeidsongeschiktheid, om verschillende redenen ongeschikt. Beoordeling van het beroep 16. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke, door haar ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige haar overtuigend voorkomt, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen. Waar het Brüning betreft heeft de rechtbank reden gezien om een uitzondering op deze hoofdregel aan te nemen en zijn beoordeling niet te volgen. De beoordeling van Brüning komt de rechtbank niet overtuigend voor. Een deskundige is weliswaar niet gebonden aan het CBBS, maar van een deskundige verzekeringsarts mag wel worden verwacht dat hij of zij oog heeft voor de afstemming die in het CBBS wordt gemaakt tussen de beperkingen onderling. De rechtbank ziet niet dat Brüning daar bij de door hem voorgestane beperkingen voor eiser rekenschap van heeft gegeven. Verder geldt dat de motivering van een deskundige voldoende toereikend en concreet moet zijn, en ook daar is de rechtbank niet van gebleken. 17. De beoordeling van Wildenborg komt de rechtbank wél overtuigend voor. Haar deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is toereikend gemotiveerd en geconcretiseerd naar de situatie van eiser. Wat eiser over Wildenborg heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Wildenborg heeft eiser gezien en onderzocht, het dossier bestudeerd en alle informatie van eisers behandelaars kenbaar bij haar beoordeling betrokken. De rechtbank ziet niet dat Wildenborg op basis van de medische informatie en het dagverhaal van eiser, beperkingen zou hebben gemist of dat zij bij haar beoordeling (te) weinig gewicht zou hebben toegekend aan de anamnese van eiser. 18. Voor een beperking in het vasthouden verdelen van de aandacht heeft Wildenborg geen aanleiding gezien, omdat er volgens haar bij eiser geen sprake is van een (zeer) ernstige psychische stoornis. Het niveau van functioneren van eiser voldoet volgens haar anamnestisch, op basis van haar eigen waarnemen en zoals beschreven door de medisch behandelaars van eiser, niet aan deze voorwaarde. De rechtbank kan Wildenborg hierin volgen en ziet dat zij de aandoeningen waar eiser mee kampt, ook de combinatie daarvan, heeft onderkend in haar rapport. Uit het CBBS volgt dat de beperkingen in het persoonlijk functioneren kunnen worden aangenomen als er sprake is van een ernstige psychische stoornis of, in sommige gevallen, (ook) als er sprake is van een ernstige vorm van autismespectrumstoornis (ASS). Eiser is gediagnosticeerd met ASS met vermelde ernst ‘licht’. Van een ernstige vorm is dus niet gebleken. Dat eiser ook gevoelig is voor auditieve en visuele prikkels als hij geen mentaal belastend werk doet, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Om voldoende aannemelijk te maken dat een aangenomen beperking niet verregaand genoeg is, is medische informatie van een arts of medisch behandelaar nodig. Eisers verwijzing naar de informatie van zijn begeleider is daarvoor onvoldoende. 19. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de beoordeling van de duurbelastbaarheid van eiser door Wildenborg niet in lijn zou zijn met de Standaard Duurbelastbaarheid. Vuistregel is dat er voor een urenbeperking pas aanleiding bestaat als met het stellen van beperkingen op andere onderdelen van de FML niet op voldoende wijze aan de door het Uwv erkende problemen van de betrokkene tegemoet kan worden gekomen. Wildenburg heeft een aanvullende urenbeperking vanaf 6 uur per dag en 30 uur per week voldoende geacht, om de extra energie die eiser kwijt is vanwege zijn CVS, ASS en ADHD te kunnen ondervangen. De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van Wildenborg ook op dit punt volgen. 20. De rechtbank volgt de door haar ingeschakelde deskundige Wildenborg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich in beroep dan ook terecht aangesloten bij de beoordeling van Wildenborg, en de medische grondslag van het bestreden besluit dienovereenkomstig gewijzigd. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de beperkingen zoals die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 25 april 2025 voor eiser zijn vastgesteld, juist zijn. 21. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn de drie functies die gebruikt zijn voor de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser, in lijn met de belastbaarheid van eiser zoals opgenomen in de FML van 25 april 2025. De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgen. Het betreft de volgende drie functies: schadecorrespondent (SBC-code 516080), archiefmedewerker (SBC-code 553020) en telefonisch verkoper (outbound) (SBC-code 315173). 22. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat de functie van schadecorrespondent niet geschikt zou zijn, omdat hij daarin moet werken in een kantoortuin en moet bellen met klanten. Eiser is in de FML aangewezen op een werkomgeving zonder intense auditieve en visuele prikkels. Daarbij is echter opgenomen dat dit mentaal belastend werk betreft waarbij langdurige concentratie is vereist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd dat daar in deze functie geen sprake van is. Verder is in de FML opgenomen dat eiser oppervlakkig klantcontact aan kan. Niet is gebleken dat het klantcontact in deze functie verder gaat dan dat.
Volledig
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv beoordeeld en geconcludeerd dat de geduide functies nog steeds geschikt zijn voor eiser, zodat hij per 13 december 2021 nog steeds voor 4% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Het Uwv stelt zich daarom op het standpunt dat de afwijzing van eisers WIA-aanvraag met het bestreden besluit, terecht in stand is gelaten. Het beroep 13. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser vormde de beoordeling van Brüning al een zorgvuldige en goed gemotiveerde weergave van zijn beperkingen per 13 december 2021, zodat het niet nodig was om Wildenborg als (tweede) deskundige aan te stellen. Eiser wijst erop dat Brüning als deskundige helemaal niet gebonden was aan het CBBS omdat dit een interne werkinstructie is voor de verzekeringsartsen van het Uwv. Desalniettemin heeft Brüning voldoende termen uit het CBBS gebruikt bij zijn beoordeling. Volgens eiser zijn de door Brüning aangenomen beperkingen in het persoonlijk functioneren, waaronder de beperking voor het vasthouden en verdelen van de aandacht, ook voldoende medisch geobjectiveerd. Voor zover er voor deze beperkingen al gebleken moet zijn van een ernstige psychiatrische stoornis, want dat geldt volgens eiser niet voor alle beperkingen en voor zover dat wel wordt vereist kan daar gemotiveerd van worden afgeweken, is daar bij eiser sprake van. Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), de ADHD en het autisme waar eiser mee kampt, hebben in combinatie met elkaar te gelden als een ernstige stoornis, aldus eiser. 14. Over de beoordeling van Wildenborg betoogt eiser dat die onzorgvuldig en onjuist is. Volgens eiser heeft Wildenborg namelijk onvoldoende rekenschap gegeven van de medische stukken die hij heeft ingebracht, zijn uitgebreide dagverhaal, maar ook van de combinatie van zijn aandoeningen. Hierdoor heeft zij eisers beperkingen onderschat. Zo heeft Wildenborg ten onrechte geen beperking aangenomen voor het verdelen en vasthouden van de aandacht, heeft zij de ernst van de prikkelgevoeligheid van eiser onvoldoende onderkend en had zij eiser verdergaand beperkt moeten achten in zijn duurbelastbaarheid. Dat er geen aanleiding voor deze beperkingen zou bestaan heeft Wildenborg volgens eiser onvoldoende gemotiveerd. Het Uwv heeft zich in beroep voor de medische grondslag van het bestreden besluit, dan ook ten onrechte aangesloten bij de beoordeling van Wildenborg. 15. Eiser voert tot slot aan dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet juist is. Zo is de maatmanomvang ten onrechte vastgesteld op 26,9 uur. Eiser heeft méér gewerkt dan dat. Hij heeft dit onderbouwd met loonstroken. Verder zijn de functies die voor eiser zijn geduid en gebruikt bij de berekening van zijn mate van arbeidsongeschiktheid, om verschillende redenen ongeschikt. Beoordeling van het beroep 16. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke, door haar ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige haar overtuigend voorkomt, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen. Waar het Brüning betreft heeft de rechtbank reden gezien om een uitzondering op deze hoofdregel aan te nemen en zijn beoordeling niet te volgen. De beoordeling van Brüning komt de rechtbank niet overtuigend voor. Een deskundige is weliswaar niet gebonden aan het CBBS, maar van een deskundige verzekeringsarts mag wel worden verwacht dat hij of zij oog heeft voor de afstemming die in het CBBS wordt gemaakt tussen de beperkingen onderling. De rechtbank ziet niet dat Brüning daar bij de door hem voorgestane beperkingen voor eiser rekenschap van heeft gegeven. Verder geldt dat de motivering van een deskundige voldoende toereikend en concreet moet zijn, en ook daar is de rechtbank niet van gebleken. 17. De beoordeling van Wildenborg komt de rechtbank wél overtuigend voor. Haar deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is toereikend gemotiveerd en geconcretiseerd naar de situatie van eiser. Wat eiser over Wildenborg heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Wildenborg heeft eiser gezien en onderzocht, het dossier bestudeerd en alle informatie van eisers behandelaars kenbaar bij haar beoordeling betrokken. De rechtbank ziet niet dat Wildenborg op basis van de medische informatie en het dagverhaal van eiser, beperkingen zou hebben gemist of dat zij bij haar beoordeling (te) weinig gewicht zou hebben toegekend aan de anamnese van eiser. 18. Voor een beperking in het vasthouden verdelen van de aandacht heeft Wildenborg geen aanleiding gezien, omdat er volgens haar bij eiser geen sprake is van een (zeer) ernstige psychische stoornis. Het niveau van functioneren van eiser voldoet volgens haar anamnestisch, op basis van haar eigen waarnemen en zoals beschreven door de medisch behandelaars van eiser, niet aan deze voorwaarde. De rechtbank kan Wildenborg hierin volgen en ziet dat zij de aandoeningen waar eiser mee kampt, ook de combinatie daarvan, heeft onderkend in haar rapport. Uit het CBBS volgt dat de beperkingen in het persoonlijk functioneren kunnen worden aangenomen als er sprake is van een ernstige psychische stoornis of, in sommige gevallen, (ook) als er sprake is van een ernstige vorm van autismespectrumstoornis (ASS). Eiser is gediagnosticeerd met ASS met vermelde ernst ‘licht’. Van een ernstige vorm is dus niet gebleken. Dat eiser ook gevoelig is voor auditieve en visuele prikkels als hij geen mentaal belastend werk doet, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Om voldoende aannemelijk te maken dat een aangenomen beperking niet verregaand genoeg is, is medische informatie van een arts of medisch behandelaar nodig. Eisers verwijzing naar de informatie van zijn begeleider is daarvoor onvoldoende. 19. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de beoordeling van de duurbelastbaarheid van eiser door Wildenborg niet in lijn zou zijn met de Standaard Duurbelastbaarheid. Vuistregel is dat er voor een urenbeperking pas aanleiding bestaat als met het stellen van beperkingen op andere onderdelen van de FML niet op voldoende wijze aan de door het Uwv erkende problemen van de betrokkene tegemoet kan worden gekomen. Wildenburg heeft een aanvullende urenbeperking vanaf 6 uur per dag en 30 uur per week voldoende geacht, om de extra energie die eiser kwijt is vanwege zijn CVS, ASS en ADHD te kunnen ondervangen. De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van Wildenborg ook op dit punt volgen. 20. De rechtbank volgt de door haar ingeschakelde deskundige Wildenborg. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich in beroep dan ook terecht aangesloten bij de beoordeling van Wildenborg, en de medische grondslag van het bestreden besluit dienovereenkomstig gewijzigd. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de beperkingen zoals die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 25 april 2025 voor eiser zijn vastgesteld, juist zijn. 21. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn de drie functies die gebruikt zijn voor de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser, in lijn met de belastbaarheid van eiser zoals opgenomen in de FML van 25 april 2025. De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgen. Het betreft de volgende drie functies: schadecorrespondent (SBC-code 516080), archiefmedewerker (SBC-code 553020) en telefonisch verkoper (outbound) (SBC-code 315173). 22. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat de functie van schadecorrespondent niet geschikt zou zijn, omdat hij daarin moet werken in een kantoortuin en moet bellen met klanten. Eiser is in de FML aangewezen op een werkomgeving zonder intense auditieve en visuele prikkels. Daarbij is echter opgenomen dat dit mentaal belastend werk betreft waarbij langdurige concentratie is vereist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd dat daar in deze functie geen sprake van is. Verder is in de FML opgenomen dat eiser oppervlakkig klantcontact aan kan. Niet is gebleken dat het klantcontact in deze functie verder gaat dan dat.
Volledig
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat het in de functie is toegestaan om zelf te bepalen of de klant gebeld of aangeschreven wordt, en dat contact veelal met zorgverleners (en dus niet met klanten) behelst. Tot slot gaat het om de administratieve afhandeling van nota’s waarbij het omgaan met emoties geen kenmerkende belasting is. 23. De rechtbank volgt eiser ook niet in het betoog dat de functie van archiefmedewerker niet geschikt zou zijn, omdat hij daarin op een werkplek met vijf anderen kan komen te zitten en dan snel afgeleid zal worden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat eiser in deze functie in overleg een (vaste) werkplek voor twee personen toegewezen kan krijgen. Verder is er ook in deze functie geen sprake van mentaal belastend werk waarbij langdurige concentratie is vereist. Het werk is sterk geprotocolleerd en er zijn micropauzes mogelijk waarin eiser kort kan recupereren. 24. Hetzelfde geldt voor de functie van telefonisch verkopen (outbound). In deze functie is evenmin sprake van zwaar mentaal belastend werk, omdat er volgens een script kan worden gewerkt. Er wordt ook geen langdurige concentratie vereist omdat er ongeveer 10 gesprekken in een uur worden gevoerd en na elk gesprek een micropauze mogelijk is. De rechtbank volgt eiser tot slot niet in de vergelijking van deze functie met zijn eigen (voor hem ongeschikte) werk als [functie] . De functies uit het CBBS worden door een arbeidskundig analist nauwkeurig onderzocht en gedetailleerd omschreven. Die omschrijving vormt vervolgens, samen met de FML, de basis voor de arbeidskundige beoordeling. Dat er in het eigen werk van eiser ook werd gewerkt met een script, maar dat hij daar in de praktijk vaak van af moest wijken, betekent niet dat, daar ook in de functie van telefonisch verkoper (outbound) sprake van is. De functie geeft daarop geen kenmerkende belasting. 25. Tot slot ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor de conclusie dat de arbeidsdeskundig bezwaar en beroep is uitgegaan van een onjuiste maatman. Uitgangspunt voor het vaststellen van de maatmanfunctie zijn de gegevens uit de polisadministratie. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat het Uwv mag uitgaan van de juistheid van deze gegevens, tenzij de betrokkene aantoont dat die niet juist zijn. Uit de polisadministratie volgt dat eiser in de maand november 2019, het enige loontijdvak waarin hij volledig heeft gewerkt, 26,9 uur heeft gemaakt. Op de loonstroken die eiser heeft overgelegd zijn bedragen en uren per week te zien. De loonstroken zijn daardoor niet (volledig) te herleiden tot de polisadministratie waar loongegevens per kalendermaand in zijn opgenomen. Een verklaring van de oud-werkgever of andere onderbouwing waar dit alsnog uit kan worden afgeleid, ontbreekt. De rechtbank ziet in de loonstroken daarom onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de maatmanomvang onjuist is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 26. Omdat het Uwv de medische grondslag van het bestreden besluit in beroep heeft gewijzigd verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld slagen de overige beroepsgronden van eiser niet. Omdat eiser 4% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, heeft het Uwv de afwijzing van eisers WIA-aanvraag met het bestreden besluit terecht in stand gelaten. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit daarom in stand. Dat betekent dat eisers beroep weliswaar gegrond wordt verklaard, maar dat zijn WIA-aanvraag afgewezen blijft. 27. Daarbij wil de rechtbank opmerken dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA uiteindelijk niet gaat over hoe ziek een verzekerde is, maar over wat die verzekerde ondanks zijn arbeidsbeperkingen nog kan verdienen van het inkomen dat hij had voordat hij ziek werd, het maatmaninkomen. Hoe lager dat maatmaninkomen is, hoe sneller de verzekerde in staat is om (een groot deel van) dat inkomen te verdienen met een van de geselecteerde functies. Hoewel eiser in deze zaak dus voor 4% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, betekent dat niet dat eiser niet ziek zou zijn. Integendeel, want de rechtbank ziet dat er veel en forse beperkingen voor eiser zijn aangenomen. Er wordt dus wel degelijk onderkend dat er wat met eiser aan de hand is. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van 4% betekent enkel dat eiser, ondanks zijn beperkingen, nog in staat is om 96% te verdienen van wat hij verdiende voordat hij uitviel. 28. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank het Uwv in de proceskosten van eiser in beroep. De kosten voor de beroepsmatige rechtsbijstand van eisers gemachtigde stelt de rechtbank vast op € 3.736, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting, 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport van Brüning, 1 punt voor het verschijnen op de tweede zitting, 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport van Wildenborg, met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). De tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. 29. De rechtbank draagt het Uwv tot slot op om het door eiser betaalde griffierecht van € 50,-- aan eiser te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,--; bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 50,-- aan eiser vergoedt. Deze uitspraak is op 24 april 2026 in het openbaar gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de CRvB van 3 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1499. Zie de uitspraak van de CRvB van 27 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1665. Zie de uitspraak van de CRvB van 22 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1013. Zie de uitspraak van de CRvB van 8 juli 2021, ECLI:NL:CRV:20211639.
Volledig
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat het in de functie is toegestaan om zelf te bepalen of de klant gebeld of aangeschreven wordt, en dat contact veelal met zorgverleners (en dus niet met klanten) behelst. Tot slot gaat het om de administratieve afhandeling van nota’s waarbij het omgaan met emoties geen kenmerkende belasting is. 23. De rechtbank volgt eiser ook niet in het betoog dat de functie van archiefmedewerker niet geschikt zou zijn, omdat hij daarin op een werkplek met vijf anderen kan komen te zitten en dan snel afgeleid zal worden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat eiser in deze functie in overleg een (vaste) werkplek voor twee personen toegewezen kan krijgen. Verder is er ook in deze functie geen sprake van mentaal belastend werk waarbij langdurige concentratie is vereist. Het werk is sterk geprotocolleerd en er zijn micropauzes mogelijk waarin eiser kort kan recupereren. 24. Hetzelfde geldt voor de functie van telefonisch verkopen (outbound). In deze functie is evenmin sprake van zwaar mentaal belastend werk, omdat er volgens een script kan worden gewerkt. Er wordt ook geen langdurige concentratie vereist omdat er ongeveer 10 gesprekken in een uur worden gevoerd en na elk gesprek een micropauze mogelijk is. De rechtbank volgt eiser tot slot niet in de vergelijking van deze functie met zijn eigen (voor hem ongeschikte) werk als [functie] . De functies uit het CBBS worden door een arbeidskundig analist nauwkeurig onderzocht en gedetailleerd omschreven. Die omschrijving vormt vervolgens, samen met de FML, de basis voor de arbeidskundige beoordeling. Dat er in het eigen werk van eiser ook werd gewerkt met een script, maar dat hij daar in de praktijk vaak van af moest wijken, betekent niet dat, daar ook in de functie van telefonisch verkoper (outbound) sprake van is. De functie geeft daarop geen kenmerkende belasting. 25. Tot slot ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor de conclusie dat de arbeidsdeskundig bezwaar en beroep is uitgegaan van een onjuiste maatman. Uitgangspunt voor het vaststellen van de maatmanfunctie zijn de gegevens uit de polisadministratie. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat het Uwv mag uitgaan van de juistheid van deze gegevens, tenzij de betrokkene aantoont dat die niet juist zijn. Uit de polisadministratie volgt dat eiser in de maand november 2019, het enige loontijdvak waarin hij volledig heeft gewerkt, 26,9 uur heeft gemaakt. Op de loonstroken die eiser heeft overgelegd zijn bedragen en uren per week te zien. De loonstroken zijn daardoor niet (volledig) te herleiden tot de polisadministratie waar loongegevens per kalendermaand in zijn opgenomen. Een verklaring van de oud-werkgever of andere onderbouwing waar dit alsnog uit kan worden afgeleid, ontbreekt. De rechtbank ziet in de loonstroken daarom onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de maatmanomvang onjuist is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 26. Omdat het Uwv de medische grondslag van het bestreden besluit in beroep heeft gewijzigd verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld slagen de overige beroepsgronden van eiser niet. Omdat eiser 4% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, heeft het Uwv de afwijzing van eisers WIA-aanvraag met het bestreden besluit terecht in stand gelaten. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit daarom in stand. Dat betekent dat eisers beroep weliswaar gegrond wordt verklaard, maar dat zijn WIA-aanvraag afgewezen blijft. 27. Daarbij wil de rechtbank opmerken dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA uiteindelijk niet gaat over hoe ziek een verzekerde is, maar over wat die verzekerde ondanks zijn arbeidsbeperkingen nog kan verdienen van het inkomen dat hij had voordat hij ziek werd, het maatmaninkomen. Hoe lager dat maatmaninkomen is, hoe sneller de verzekerde in staat is om (een groot deel van) dat inkomen te verdienen met een van de geselecteerde functies. Hoewel eiser in deze zaak dus voor 4% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, betekent dat niet dat eiser niet ziek zou zijn. Integendeel, want de rechtbank ziet dat er veel en forse beperkingen voor eiser zijn aangenomen. Er wordt dus wel degelijk onderkend dat er wat met eiser aan de hand is. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van 4% betekent enkel dat eiser, ondanks zijn beperkingen, nog in staat is om 96% te verdienen van wat hij verdiende voordat hij uitviel. 28. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank het Uwv in de proceskosten van eiser in beroep. De kosten voor de beroepsmatige rechtsbijstand van eisers gemachtigde stelt de rechtbank vast op € 3.736, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting, 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport van Brüning, 1 punt voor het verschijnen op de tweede zitting, 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport van Wildenborg, met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). De tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. 29. De rechtbank draagt het Uwv tot slot op om het door eiser betaalde griffierecht van € 50,-- aan eiser te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,--; bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 50,-- aan eiser vergoedt. Deze uitspraak is op 24 april 2026 in het openbaar gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de CRvB van 3 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1499. Zie de uitspraak van de CRvB van 27 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1665. Zie de uitspraak van de CRvB van 22 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1013. Zie de uitspraak van de CRvB van 8 juli 2021, ECLI:NL:CRV:20211639.