Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-15
ECLI:NL:RBMNE:2026:1905
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,554 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1905 text/xml public 2026-04-30T08:08:45 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 11514108 \ MC EXPL 25-533 D/51246 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1905 text/html public 2026-04-30T08:08:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1905 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / 11514108 \ MC EXPL 25-533 D/51246 Hoofdelijke aansprakelijkheid uit huurovereenkomst contractuele medehuurders. Procedure van artikel 7:267 lid 7 BW niet gevolgd, desondanks beëindiging van de aansprakelijkheid van huurder die niet in de woning heeft gewoond op grond van artikel 6:248 lid 2 BW. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere Zaaknummer: 11514108 \ MC EXPL 25-533 D/51246 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiseres] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib, tegen de besloten vennootschap [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. F.G.H.J. Niemarkt. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 januari 2025 met 2 producties; - de conclusie van antwoord met 1 productie; - de akte wijziging van eis van [eiseres] ; - de akte uitlating met aanvullende producties van [eiseres] ; - de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2 Tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 was [eiseres] aanwezig, bijgestaan door mr. Ouald Chaib. Namens [gedaagde] was mr. Niemarkt aanwezig. 1.3 De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiseres] en haar ex-partner hebben met [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten voor een woning. Nog voordat de huurovereenkomst inging, zijn [eiseres] en haar ex-partner uit elkaar gegaan. De ex-partner is zonder [eiseres] in de woning gaan wonen. [eiseres] heeft geprobeerd om de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] te beëindigen, maar daar wil [gedaagde] niet aan meewerken. Daarom is [eiseres] deze procedure gestart. Zij vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] is geëindigd, dat zij niet gehouden is tot nakoming van de huurdersverplichtingen en dat zij niet aansprakelijk is op grond van de huurovereenkomst. De kantonrechter wijst deze vorderingen toe, omdat het onder de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] aan verplichtingen uit een huurovereenkomst wordt gehouden voor een woning waar zij nooit in heeft gewoond. 3 De beoordeling [eiseres] is ontvankelijk 3.1 [gedaagde] voert allereerst aan dat [eiseres] niet-ontvankelijk is. Volgens [gedaagde] had [eiseres] haar vorderingen tegen haar ex-partner moeten instellen. Dit verweer gaat niet op. [eiseres] heeft haar vorderingen in eerste instantie (in de dagvaarding) gebaseerd op artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit dit artikel volgt dat een (mede)huurder kan vorderen dat de rechter bepaalt dat hij of zij de huur met ingang van een bepaalde datum niet langer zal voortzetten. Als die vordering wordt toegewezen, eindigt de betalingsverplichting van die (mede)huurder. Het gaat bij dit wetsartikel om een procedure tussen de (mede)huurders. De beslissing werkt ook tegenover de verhuurder. Dat betekent dat de verhuurder moet accepteren dat de huurovereenkomst met de betreffende (mede)huurder eindigt, ook al is de verhuurder geen partij geweest bij de procedure. In dit geval heeft [eiseres] geen vordering ingesteld tegen haar ex-partner, maar tegen [gedaagde] . Zij heeft haar vordering na het uitbrengen van de dagvaarding gewijzigd in haar akte wijziging van eis. Uit de toelichting van [eiseres] tijdens de zitting begrijpt de kantonrechter dat [eiseres] ook de grondslag van haar vorderingen met haar akte heeft willen wijzigen en dat zij zich nu beroept op (de beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid. [eiseres] heeft dit nieuwe standpunt weliswaar pas laat in de procedure ingenomen, maar de kantonrechter vindt dat dit geen strijd met de goede procesorde oplevert. [gedaagde] heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de grondslag. Omdat de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ook geldt in de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] , is [eiseres] ontvankelijk in haar vorderingen. De huurovereenkomst van [eiseres] is vanaf 1 december 2025 geëindigd 3.2 [eiseres] en haar ex-partner hebben samen op 27 mei 2024 de huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] in [plaats] ondertekend. Zij zijn dus contractuele medehuurders. De huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een minimumduur van drie jaar en ging in op 1 juli 2024. Tijdens de zitting is gebleken dat de huurovereenkomst vanaf 1 december 2025 is geëindigd, omdat de ex-partner en [gedaagde] dat onderling hebben afgesproken. [eiseres] vordert een verklaring voor recht dat haar huurovereenkomst met [gedaagde] al op 1 juli 2024 (of anders op een latere datum) is geëindigd. Om dit te onderbouwen stelt [eiseres] dat zij [gedaagde] kort na haar relatiebreuk in juni 2024 meerdere keren heeft verzocht om haar naam van de huurovereenkomst te verwijderen. Dit is niet voldoende om de huurovereenkomst te laten eindigen. Uit artikel 3.3 en artikel 22.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden volgt dat [eiseres] en haar ex-partner de huurovereenkomst alleen samen vroegtijdig (dus vóór het verstrijken van de minimumduur van drie jaar) konden opzeggen en dat zij in dat geval een vergoeding aan [gedaagde] moesten betalen. Een gezamenlijke opzegging van [eiseres] en haar ex-partner is er niet. [gedaagde] is ook niet akkoord gegaan met de eenzijdige opzegging door [eiseres] . Dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] op een andere manier per 1 juli 2024 is geëindigd, is de kantonrechter niet gebleken. Wel staat vast dat de huurovereenkomst vanaf 1 december 2025 is geëindigd. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] daarom vanaf die datum toewijzen. [eiseres] is vanaf 29 juli 2024 niet gehouden aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst 3.3 In principe is [eiseres] (naast haar expartner) vanaf 1 juli 2024 tot 1 december 2025 aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst. De kantonrechter ontslaat [eiseres] vanaf 29 juli 2024 van die hoofdelijke aansprakelijkheid, omdat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] [eiseres] aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst houdt. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. 3.4 Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen geldende regel niet van toepassing voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij de beoordeling van een beroep op deze bepaling moet de kantonrechter terughoudend zijn. 3.5 De kantonrechter stelt voorop dat de belangen van [eiseres] en [gedaagde] op dit punt recht tegenover elkaar staan. [gedaagde] heeft er belang bij dat zij zowel [eiseres] als de ex-partner kan aanspreken om de huur te betalen. Volgens [gedaagde] zou de ex-partner zonder [eiseres] op basis van zijn inkomen nooit voor de woning in aanmerking zijn gekomen. [gedaagde] vindt dat haar belang extra zwaar weegt, omdat de ex-partner op enig moment is gestopt met betaling van de maandelijkse huur. Daardoor is volgens [gedaagde] een huurachterstand van € 4.380,32 ontstaan. [gedaagde] wil de huurachterstand op [eiseres] kunnen verhalen voor het geval de expartner niet betaalt. De huurachterstand zal niet verder oplopen, omdat de huurovereenkomst is geëindigd en de ex-partner de woning heeft verlaten. 3.6 Tegenover het belang van [gedaagde] staat het belang van [eiseres] om geen huur te hoeven betalen voor een woning waarin zij nooit heeft gewoond.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1905 text/xml public 2026-04-30T08:08:45 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 11514108 \ MC EXPL 25-533 D/51246 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1905 text/html public 2026-04-30T08:08:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1905 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / 11514108 \ MC EXPL 25-533 D/51246 Hoofdelijke aansprakelijkheid uit huurovereenkomst contractuele medehuurders. Procedure van artikel 7:267 lid 7 BW niet gevolgd, desondanks beëindiging van de aansprakelijkheid van huurder die niet in de woning heeft gewoond op grond van artikel 6:248 lid 2 BW. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere Zaaknummer: 11514108 \ MC EXPL 25-533 D/51246 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiseres] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib, tegen de besloten vennootschap [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. F.G.H.J. Niemarkt. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 januari 2025 met 2 producties; - de conclusie van antwoord met 1 productie; - de akte wijziging van eis van [eiseres] ; - de akte uitlating met aanvullende producties van [eiseres] ; - de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2 Tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 was [eiseres] aanwezig, bijgestaan door mr. Ouald Chaib. Namens [gedaagde] was mr. Niemarkt aanwezig. 1.3 De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiseres] en haar ex-partner hebben met [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten voor een woning. Nog voordat de huurovereenkomst inging, zijn [eiseres] en haar ex-partner uit elkaar gegaan. De ex-partner is zonder [eiseres] in de woning gaan wonen. [eiseres] heeft geprobeerd om de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] te beëindigen, maar daar wil [gedaagde] niet aan meewerken. Daarom is [eiseres] deze procedure gestart. Zij vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] is geëindigd, dat zij niet gehouden is tot nakoming van de huurdersverplichtingen en dat zij niet aansprakelijk is op grond van de huurovereenkomst. De kantonrechter wijst deze vorderingen toe, omdat het onder de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] aan verplichtingen uit een huurovereenkomst wordt gehouden voor een woning waar zij nooit in heeft gewoond. 3 De beoordeling [eiseres] is ontvankelijk 3.1 [gedaagde] voert allereerst aan dat [eiseres] niet-ontvankelijk is. Volgens [gedaagde] had [eiseres] haar vorderingen tegen haar ex-partner moeten instellen. Dit verweer gaat niet op. [eiseres] heeft haar vorderingen in eerste instantie (in de dagvaarding) gebaseerd op artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit dit artikel volgt dat een (mede)huurder kan vorderen dat de rechter bepaalt dat hij of zij de huur met ingang van een bepaalde datum niet langer zal voortzetten. Als die vordering wordt toegewezen, eindigt de betalingsverplichting van die (mede)huurder. Het gaat bij dit wetsartikel om een procedure tussen de (mede)huurders. De beslissing werkt ook tegenover de verhuurder. Dat betekent dat de verhuurder moet accepteren dat de huurovereenkomst met de betreffende (mede)huurder eindigt, ook al is de verhuurder geen partij geweest bij de procedure. In dit geval heeft [eiseres] geen vordering ingesteld tegen haar ex-partner, maar tegen [gedaagde] . Zij heeft haar vordering na het uitbrengen van de dagvaarding gewijzigd in haar akte wijziging van eis. Uit de toelichting van [eiseres] tijdens de zitting begrijpt de kantonrechter dat [eiseres] ook de grondslag van haar vorderingen met haar akte heeft willen wijzigen en dat zij zich nu beroept op (de beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid. [eiseres] heeft dit nieuwe standpunt weliswaar pas laat in de procedure ingenomen, maar de kantonrechter vindt dat dit geen strijd met de goede procesorde oplevert. [gedaagde] heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de grondslag. Omdat de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ook geldt in de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] , is [eiseres] ontvankelijk in haar vorderingen. De huurovereenkomst van [eiseres] is vanaf 1 december 2025 geëindigd 3.2 [eiseres] en haar ex-partner hebben samen op 27 mei 2024 de huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] in [plaats] ondertekend. Zij zijn dus contractuele medehuurders. De huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een minimumduur van drie jaar en ging in op 1 juli 2024. Tijdens de zitting is gebleken dat de huurovereenkomst vanaf 1 december 2025 is geëindigd, omdat de ex-partner en [gedaagde] dat onderling hebben afgesproken. [eiseres] vordert een verklaring voor recht dat haar huurovereenkomst met [gedaagde] al op 1 juli 2024 (of anders op een latere datum) is geëindigd. Om dit te onderbouwen stelt [eiseres] dat zij [gedaagde] kort na haar relatiebreuk in juni 2024 meerdere keren heeft verzocht om haar naam van de huurovereenkomst te verwijderen. Dit is niet voldoende om de huurovereenkomst te laten eindigen. Uit artikel 3.3 en artikel 22.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden volgt dat [eiseres] en haar ex-partner de huurovereenkomst alleen samen vroegtijdig (dus vóór het verstrijken van de minimumduur van drie jaar) konden opzeggen en dat zij in dat geval een vergoeding aan [gedaagde] moesten betalen. Een gezamenlijke opzegging van [eiseres] en haar ex-partner is er niet. [gedaagde] is ook niet akkoord gegaan met de eenzijdige opzegging door [eiseres] . Dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] op een andere manier per 1 juli 2024 is geëindigd, is de kantonrechter niet gebleken. Wel staat vast dat de huurovereenkomst vanaf 1 december 2025 is geëindigd. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] daarom vanaf die datum toewijzen. [eiseres] is vanaf 29 juli 2024 niet gehouden aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst 3.3 In principe is [eiseres] (naast haar expartner) vanaf 1 juli 2024 tot 1 december 2025 aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst. De kantonrechter ontslaat [eiseres] vanaf 29 juli 2024 van die hoofdelijke aansprakelijkheid, omdat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] [eiseres] aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst houdt. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. 3.4 Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen geldende regel niet van toepassing voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij de beoordeling van een beroep op deze bepaling moet de kantonrechter terughoudend zijn. 3.5 De kantonrechter stelt voorop dat de belangen van [eiseres] en [gedaagde] op dit punt recht tegenover elkaar staan. [gedaagde] heeft er belang bij dat zij zowel [eiseres] als de ex-partner kan aanspreken om de huur te betalen. Volgens [gedaagde] zou de ex-partner zonder [eiseres] op basis van zijn inkomen nooit voor de woning in aanmerking zijn gekomen. [gedaagde] vindt dat haar belang extra zwaar weegt, omdat de ex-partner op enig moment is gestopt met betaling van de maandelijkse huur. Daardoor is volgens [gedaagde] een huurachterstand van € 4.380,32 ontstaan. [gedaagde] wil de huurachterstand op [eiseres] kunnen verhalen voor het geval de expartner niet betaalt. De huurachterstand zal niet verder oplopen, omdat de huurovereenkomst is geëindigd en de ex-partner de woning heeft verlaten. 3.6 Tegenover het belang van [gedaagde] staat het belang van [eiseres] om geen huur te hoeven betalen voor een woning waarin zij nooit heeft gewoond.
Volledig
Volgens [eiseres] wordt zij door de weigering van [gedaagde] om haar van de huurovereenkomst af te halen onnodig in de schulden van haar ex-partner betrokken. Daarnaast heeft [eiseres] tijdens de zitting uitgelegd dat haar ex-partner tegen haar wens in met haar in contact probeert te komen, dat alleen de huurovereenkomst hen nog aan elkaar bindt en dat zij het gevoel heeft dat haar ex-partner (de verplichtingen uit) de huurovereenkomst gebruikt om contact met haar te krijgen. Ook daarom wil [eiseres] dat haar aansprakelijkheid eindigt. 3.7 De kantonrechter merkt op dat [eiseres] op grond van artikel 7:267 lid 7 BW in een procedure tegen haar ex-partner aan de rechter had kunnen vragen om te bepalen dat zij de huur niet langer zou voortzetten. De kantonrechter gaat ervan uit dat die vordering van [eiseres] in dat geval was toegewezen, omdat de ex-partner in de woning wilde blijven wonen en [eiseres] er nooit gewoond heeft. Er zou dan een einde zijn gekomen aan de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] , zonder dat [gedaagde] in die procedure was betrokken en zonder dat zij de mogelijkheid had gehad om haar belangen te verdedigen. Dat geldt ook als er in de huurovereenkomst of de toepasselijke algemene voorwaarden regels zijn opgenomen over voortzetting van de huur door een van de huurders en de betreffende huurder (in dit geval de ex-partner) niet aan die regels voldoet. 3.8 Volgens [eiseres] is zij geen procedure tegen haar ex-partner gestart, omdat zij het er onderling over eens waren dat hij in de woning zou blijven en dat zij ergens anders zou blijven wonen. Dat blijkt volgens [eiseres] uit het feit dat haar ex-partner zijn inkomensgegevens bij [gedaagde] heeft aangeleverd. [gedaagde] heeft dit onvoldoende weersproken. Dat er tussen [eiseres] en haar ex-partner geen discussie was over wie van hen in de woning mocht wonen, blijkt ook uit een e-mail van [gedaagde] van 29 juli 2024 die [eiseres] heeft ingediend. In die e-mail schrijft [gedaagde] dat [eiseres] en haar ex-partner aanvullende documenten hebben aangeleverd om de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] te laten eindigen. In die situatie is het begrijpelijk dat [eiseres] geen gerechtelijke procedure tegen haar ex-partner is gestart. 3.9 Onder de hiervoor genoemde omstandigheden vindt de kantonrechter dat de belangen van [eiseres] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] . Als [eiseres] op grond van artikel 7:267 lid 7 BW een procedure tegen haar ex-partner had gevoerd, zou [gedaagde] ook geconfronteerd worden met beëindiging van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] en (mogelijk) een huurachterstand. De kantonrechter ziet op basis van alle omstandigheden geen reden waarom de uitkomst van deze procedure tussen [eiseres] en [gedaagde] anders zou moeten zijn. Dat [eiseres] aan de huurovereenkomst gebonden blijft en [gedaagde] haar kan aanspreken tot nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarom zal de kantonrechter voor recht verklaren dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] is geëindigd. Voor de beëindigingsdatum sluit de kantonrechter aan bij de e-mail van [gedaagde] van 29 juli 2024. Toen was [gedaagde] er namelijk mee bekend dat [eiseres] van de huurovereenkomst af wilde. De kantonrechter zal ook voor recht verklaren dat [eiseres] vanaf 29 juli 2024 niet gehouden is tot nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat zij vanaf die datum niet aansprakelijk is op grond van die overeenkomst. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.10 [gedaagde] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal de kantonrechter [gedaagde] niet veroordelen tot betaling van de explootkosten en de betekeningskosten . De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde 576,00 (2 punten × € 288,00) - nakosten € 144,00 Totaal € 810,00 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] voor de woning aan de [adres] in [plaats] is geëindigd per 1 december 2025; 4.2 verklaart voor recht dat [eiseres] met ingang van 29 juli 2024 niet gehouden is tot nakoming van de verplichtingen uit de onder 4.1. genoemde huurovereenkomst; 4.3 verklaart voor recht dat [eiseres] met ingang van 29 juli 2024 niet aansprakelijk is op grond van de onder 4.1. genoemde huurovereenkomst; 4.4 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 810,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen; 4.5 verklaart de veroordeling onder 4.4. zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.6 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
Volledig
Volgens [eiseres] wordt zij door de weigering van [gedaagde] om haar van de huurovereenkomst af te halen onnodig in de schulden van haar ex-partner betrokken. Daarnaast heeft [eiseres] tijdens de zitting uitgelegd dat haar ex-partner tegen haar wens in met haar in contact probeert te komen, dat alleen de huurovereenkomst hen nog aan elkaar bindt en dat zij het gevoel heeft dat haar ex-partner (de verplichtingen uit) de huurovereenkomst gebruikt om contact met haar te krijgen. Ook daarom wil [eiseres] dat haar aansprakelijkheid eindigt. 3.7 De kantonrechter merkt op dat [eiseres] op grond van artikel 7:267 lid 7 BW in een procedure tegen haar ex-partner aan de rechter had kunnen vragen om te bepalen dat zij de huur niet langer zou voortzetten. De kantonrechter gaat ervan uit dat die vordering van [eiseres] in dat geval was toegewezen, omdat de ex-partner in de woning wilde blijven wonen en [eiseres] er nooit gewoond heeft. Er zou dan een einde zijn gekomen aan de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] , zonder dat [gedaagde] in die procedure was betrokken en zonder dat zij de mogelijkheid had gehad om haar belangen te verdedigen. Dat geldt ook als er in de huurovereenkomst of de toepasselijke algemene voorwaarden regels zijn opgenomen over voortzetting van de huur door een van de huurders en de betreffende huurder (in dit geval de ex-partner) niet aan die regels voldoet. 3.8 Volgens [eiseres] is zij geen procedure tegen haar ex-partner gestart, omdat zij het er onderling over eens waren dat hij in de woning zou blijven en dat zij ergens anders zou blijven wonen. Dat blijkt volgens [eiseres] uit het feit dat haar ex-partner zijn inkomensgegevens bij [gedaagde] heeft aangeleverd. [gedaagde] heeft dit onvoldoende weersproken. Dat er tussen [eiseres] en haar ex-partner geen discussie was over wie van hen in de woning mocht wonen, blijkt ook uit een e-mail van [gedaagde] van 29 juli 2024 die [eiseres] heeft ingediend. In die e-mail schrijft [gedaagde] dat [eiseres] en haar ex-partner aanvullende documenten hebben aangeleverd om de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] te laten eindigen. In die situatie is het begrijpelijk dat [eiseres] geen gerechtelijke procedure tegen haar ex-partner is gestart. 3.9 Onder de hiervoor genoemde omstandigheden vindt de kantonrechter dat de belangen van [eiseres] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] . Als [eiseres] op grond van artikel 7:267 lid 7 BW een procedure tegen haar ex-partner had gevoerd, zou [gedaagde] ook geconfronteerd worden met beëindiging van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] en (mogelijk) een huurachterstand. De kantonrechter ziet op basis van alle omstandigheden geen reden waarom de uitkomst van deze procedure tussen [eiseres] en [gedaagde] anders zou moeten zijn. Dat [eiseres] aan de huurovereenkomst gebonden blijft en [gedaagde] haar kan aanspreken tot nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarom zal de kantonrechter voor recht verklaren dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] is geëindigd. Voor de beëindigingsdatum sluit de kantonrechter aan bij de e-mail van [gedaagde] van 29 juli 2024. Toen was [gedaagde] er namelijk mee bekend dat [eiseres] van de huurovereenkomst af wilde. De kantonrechter zal ook voor recht verklaren dat [eiseres] vanaf 29 juli 2024 niet gehouden is tot nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat zij vanaf die datum niet aansprakelijk is op grond van die overeenkomst. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.10 [gedaagde] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal de kantonrechter [gedaagde] niet veroordelen tot betaling van de explootkosten en de betekeningskosten . De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde 576,00 (2 punten × € 288,00) - nakosten € 144,00 Totaal € 810,00 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] voor de woning aan de [adres] in [plaats] is geëindigd per 1 december 2025; 4.2 verklaart voor recht dat [eiseres] met ingang van 29 juli 2024 niet gehouden is tot nakoming van de verplichtingen uit de onder 4.1. genoemde huurovereenkomst; 4.3 verklaart voor recht dat [eiseres] met ingang van 29 juli 2024 niet aansprakelijk is op grond van de onder 4.1. genoemde huurovereenkomst; 4.4 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 810,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen; 4.5 verklaart de veroordeling onder 4.4. zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.6 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.