Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-18
ECLI:NL:RBMNE:2026:1849
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,607 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1849 text/xml public 2026-04-28T13:06:59 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-18 UTR 25/7724 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1849 text/html public 2026-04-28T13:06:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1849 Rechtbank Midden-Nederland , 18-02-2026 / UTR 25/7724 BNT WIA aanvraag gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/7724 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn verzoek. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn verzoek om herbeoordeling ingediend op 31 augustus 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 12 januari 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 4 november 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 29 december 2025 beroep ingesteld. 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. 7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser betalen. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- dat eiser heeft betaald moet betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. ECLI:NL:RBROT:2025:9226. ECLI:NL:RBMNE:2025:41.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1849 text/xml public 2026-04-28T13:06:59 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-18 UTR 25/7724 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1849 text/html public 2026-04-28T13:06:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1849 Rechtbank Midden-Nederland , 18-02-2026 / UTR 25/7724 BNT WIA aanvraag gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/7724 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn verzoek. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn verzoek om herbeoordeling ingediend op 31 augustus 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 12 januari 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 4 november 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 29 december 2025 beroep ingesteld. 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. 7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser betalen. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- dat eiser heeft betaald moet betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. ECLI:NL:RBROT:2025:9226. ECLI:NL:RBMNE:2025:41.