Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-17
ECLI:NL:RBMNE:2026:1756
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,174 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1756 text/xml public 2026-05-11T11:27:47 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 24/2518 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1756 text/html public 2026-05-11T11:27:12 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1756 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 24/2518 WOZ. Verstrekken van de IWOZ-kaarten. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn betoog dat de woning in een vergelijkbare staat als de twee referentiewoningen verkeert en dat met onderlinge verschillen voldoende rekening is gehouden. Het beroep is gegrond. De rechtbank stelt de waarde vast in goede justitie. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2518 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: R.W.B. van Middelaar) en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder ( gemachtigde: T. Klinkhamer) Procesverloop 1.1 In de beschikking van 25 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning), voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 328.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 1.2 Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd. 1.3 Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. 1.4 Het beroep is behandeld op de zitting van 25 maart 2026. Namens de gemachtigde van eiser hebben [A] en [taxateur] (taxateur) deelgenomen aan de zitting. Daarnaast hebben de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) deelgenomen aan de zitting. Overwegingen Feiten 2. De woning is een in 1998 gebouwde rijwoning met een berging/schuur. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 121 m² en ligt op een perceel van 138 m². Geschil 3. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 328.000,-. Eiser bepleit een waarde van € 305.000,-. Beoordelingskader 4. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. 5. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen. 6. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten: - [adres 2] , verkocht op 27 juni 2022 voor € 425.000,-; - [adres 3] , verkocht op 15 juli 2022 voor € 435.117,-; - [adres 4] , verkocht op 3 juli 2022 voor € 451.023,-. De gronden van het beroep Verstrekken van de IWOZ-kaarten 7. Volgens eiser heeft de heffingsambtenaar nagelaten om aan hem de IWOZ-kaarten te verstrekken. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om (onder andere) de IWOZ-kaarten. Zonder de gegevens van de referentiewoningen kan eiser niet controleren of de KOUDV-factoren van de referentiewoningen juist zijn gekwalificeerd. De heffingsambtenaar maakt daarmee volgens eiser niet aannemelijk dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 7.1 De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het overleggen van de IWOZ-kaarten niet noodzakelijk is. Uit de taxatiematrix valt af te leiden dat er voldoende rekening is gehouden met de onderlinge verschillen. 7.2 De rechtbank overweegt als volgt. IWOZ is een door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. IWOZ-gegevens van de door de taxateur gebruikte referentiewoningen vallen in het algemeen niet onder de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht om deze gegevens over te leggen. Dit kan echter anders zijn als eiser voldoende gemotiveerd aanvoert dat één of meer objectkenmerken van de referentiewoningen onjuist zijn. Dat heeft eiser in dit geval niet gedaan. Eiser heeft in beroep namelijk alleen gesteld dat de heffingsambtenaar de KOUDV-factoren niet inzichtelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. De WOZ-waarde van de woning 8. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar de woning niet juist heeft gekwalificeerd. Ter zitting is gebleken dat deze beroepsgrond niet meer ziet op het voorzieningenniveau, maar enkel nog op de staat van onderhoud. De onderhoudstoestand van de woning is namelijk ondergemiddeld (‘2’). Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft eiser een ‘verslag van bevindingen’ overgelegd met foto’s van de woning en een toelichting van zijn taxateur. In deze toelichting is opgenomen dat aan de buitenzijde van het houtwerk sprake is van onderhoudsachterstand en houtrot. Dit vereist herstelwerkzaamheden. 8.1 De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat in de eindwaarde van de woning voldoende rekening is gehouden met de onderhoudstoestand van de woning. Volgens de heffingsambtenaar wordt de WOZ-waarde van de woning voldoende onderbouwd met de taxatiematrix. De woning van eiser verkeert in een vergelijkbare staat als de referentiewoningen en mogelijke verschillen zijn verdisconteerd in de onderlinge toegekende secundaire objectkenmerken. 8.2 De rechtbank overweegt als volgt. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en dat met onderlinge verschillen tussen de woning en de referentiewoningen voldoende rekening is gehouden. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn betoog dat de woning in een vergelijkbare staat als de referentiewoningen verkeert en dat met onderlinge verschillen voldoende rekening is gehouden. De rechtbank kan namelijk niet controleren of dit het geval is. Zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar geen gegevens van de referentiewoningen verstrekt waaruit blijkt dat deze qua secundaire objectkenmerken goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en dat met eventuele verschillen rekening is gehouden. Daar staat tegenover dat eiser gemotiveerd heeft gesteld dat de staat van onderhoud van de woning ondergemiddeld is. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 8.3 Nu de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiser de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft geen concrete gegevens overgelegd die kunnen dienen ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van € 305.000,-.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1756 text/xml public 2026-05-11T11:27:47 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 24/2518 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1756 text/html public 2026-05-11T11:27:12 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1756 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 24/2518 WOZ. Verstrekken van de IWOZ-kaarten. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn betoog dat de woning in een vergelijkbare staat als de twee referentiewoningen verkeert en dat met onderlinge verschillen voldoende rekening is gehouden. Het beroep is gegrond. De rechtbank stelt de waarde vast in goede justitie. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2518 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: R.W.B. van Middelaar) en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder ( gemachtigde: T. Klinkhamer) Procesverloop 1.1 In de beschikking van 25 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning), voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 328.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 1.2 Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd. 1.3 Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. 1.4 Het beroep is behandeld op de zitting van 25 maart 2026. Namens de gemachtigde van eiser hebben [A] en [taxateur] (taxateur) deelgenomen aan de zitting. Daarnaast hebben de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) deelgenomen aan de zitting. Overwegingen Feiten 2. De woning is een in 1998 gebouwde rijwoning met een berging/schuur. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 121 m² en ligt op een perceel van 138 m². Geschil 3. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 328.000,-. Eiser bepleit een waarde van € 305.000,-. Beoordelingskader 4. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. 5. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen. 6. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten: - [adres 2] , verkocht op 27 juni 2022 voor € 425.000,-; - [adres 3] , verkocht op 15 juli 2022 voor € 435.117,-; - [adres 4] , verkocht op 3 juli 2022 voor € 451.023,-. De gronden van het beroep Verstrekken van de IWOZ-kaarten 7. Volgens eiser heeft de heffingsambtenaar nagelaten om aan hem de IWOZ-kaarten te verstrekken. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om (onder andere) de IWOZ-kaarten. Zonder de gegevens van de referentiewoningen kan eiser niet controleren of de KOUDV-factoren van de referentiewoningen juist zijn gekwalificeerd. De heffingsambtenaar maakt daarmee volgens eiser niet aannemelijk dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 7.1 De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het overleggen van de IWOZ-kaarten niet noodzakelijk is. Uit de taxatiematrix valt af te leiden dat er voldoende rekening is gehouden met de onderlinge verschillen. 7.2 De rechtbank overweegt als volgt. IWOZ is een door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. IWOZ-gegevens van de door de taxateur gebruikte referentiewoningen vallen in het algemeen niet onder de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De heffingsambtenaar is daarom in beginsel niet verplicht om deze gegevens over te leggen. Dit kan echter anders zijn als eiser voldoende gemotiveerd aanvoert dat één of meer objectkenmerken van de referentiewoningen onjuist zijn. Dat heeft eiser in dit geval niet gedaan. Eiser heeft in beroep namelijk alleen gesteld dat de heffingsambtenaar de KOUDV-factoren niet inzichtelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. De WOZ-waarde van de woning 8. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar de woning niet juist heeft gekwalificeerd. Ter zitting is gebleken dat deze beroepsgrond niet meer ziet op het voorzieningenniveau, maar enkel nog op de staat van onderhoud. De onderhoudstoestand van de woning is namelijk ondergemiddeld (‘2’). Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft eiser een ‘verslag van bevindingen’ overgelegd met foto’s van de woning en een toelichting van zijn taxateur. In deze toelichting is opgenomen dat aan de buitenzijde van het houtwerk sprake is van onderhoudsachterstand en houtrot. Dit vereist herstelwerkzaamheden. 8.1 De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat in de eindwaarde van de woning voldoende rekening is gehouden met de onderhoudstoestand van de woning. Volgens de heffingsambtenaar wordt de WOZ-waarde van de woning voldoende onderbouwd met de taxatiematrix. De woning van eiser verkeert in een vergelijkbare staat als de referentiewoningen en mogelijke verschillen zijn verdisconteerd in de onderlinge toegekende secundaire objectkenmerken. 8.2 De rechtbank overweegt als volgt. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en dat met onderlinge verschillen tussen de woning en de referentiewoningen voldoende rekening is gehouden. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn betoog dat de woning in een vergelijkbare staat als de referentiewoningen verkeert en dat met onderlinge verschillen voldoende rekening is gehouden. De rechtbank kan namelijk niet controleren of dit het geval is. Zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar geen gegevens van de referentiewoningen verstrekt waaruit blijkt dat deze qua secundaire objectkenmerken goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en dat met eventuele verschillen rekening is gehouden. Daar staat tegenover dat eiser gemotiveerd heeft gesteld dat de staat van onderhoud van de woning ondergemiddeld is. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 8.3 Nu de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiser de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft geen concrete gegevens overgelegd die kunnen dienen ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van € 305.000,-.
Volledig
Daarmee is de door eiser bepleite waarde evenmin aannemelijk gemaakt 8.4 Nu geen van beide partijen de door hen verdedigde waarde aannemelijk hebben gemaakt, zal de rechtbank de waarde van de woning in goede justitie vaststellen. Rekening houdend met alle feiten en omstandigheden en met de standpunten van partijen, stelt de rechtbank de WOZ-waarde van de woning schattenderwijs vast op € 315.000,-. Conclusie en gevolgen 9. De rechtbank stelt de WOZ-waarde van de woning vast op € 315.000,-. De rechtbank ziet nu het beroep gegrond is, aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van eiser en te bepalen dat hij aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Proceskostenvergoeding 10. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer. 11. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert. 12. De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen vergoeding toe voor de schriftelijke hoorzitting, omdat het Bpb bevat geen bepaling op grond waarvan een schriftelijke hoorzitting voor vergoeding in aanmerking komt. 13. De uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase vast met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). 14. In totaal wijst de rechtbank € 1.133,- aan proceskosten toe. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - verlaagt de waarde van de woning tot een bedrag van € 315.000,-. - bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig dient te worden verminderd; - bepaalt dat deze uitspraak in plaats komt van de uitspraak op bezwaar; - bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.133,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 20 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:310. ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Zie ook ECLI:NL:RBMNE:2025:6119 .
Volledig
Daarmee is de door eiser bepleite waarde evenmin aannemelijk gemaakt 8.4 Nu geen van beide partijen de door hen verdedigde waarde aannemelijk hebben gemaakt, zal de rechtbank de waarde van de woning in goede justitie vaststellen. Rekening houdend met alle feiten en omstandigheden en met de standpunten van partijen, stelt de rechtbank de WOZ-waarde van de woning schattenderwijs vast op € 315.000,-. Conclusie en gevolgen 9. De rechtbank stelt de WOZ-waarde van de woning vast op € 315.000,-. De rechtbank ziet nu het beroep gegrond is, aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van eiser en te bepalen dat hij aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Proceskostenvergoeding 10. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer. 11. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert. 12. De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen vergoeding toe voor de schriftelijke hoorzitting, omdat het Bpb bevat geen bepaling op grond waarvan een schriftelijke hoorzitting voor vergoeding in aanmerking komt. 13. De uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase vast met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). 14. In totaal wijst de rechtbank € 1.133,- aan proceskosten toe. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - verlaagt de waarde van de woning tot een bedrag van € 315.000,-. - bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig dient te worden verminderd; - bepaalt dat deze uitspraak in plaats komt van de uitspraak op bezwaar; - bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.133,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 20 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:310. ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Zie ook ECLI:NL:RBMNE:2025:6119 .