Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-20
ECLI:NL:RBMNE:2026:1634
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1634 text/xml public 2026-05-06T10:29:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-20 25/6395 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1634 text/html public 2026-05-06T10:28:49 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1634 Rechtbank Midden-Nederland , 20-04-2026 / 25/6395 Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift. Inadequate verhuizing. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6395 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein , het college (gemachtigde: mr. L. Verlaak). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres is het daar niet mee eens en heeft daartegen beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank de afwijzing. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een inadequate verhuizing en de aanvraag daarom terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 23 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift. Bij besluit van 5 december 2023 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres bij haar verhuizing in 2022 geen rekening heeft gehouden met haar beperkingen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. 3. Op 5 december 2024 heeft eiseres opnieuw een aanvraag ingediend voor een traplift. Bij besluit van 25 maart 2025 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 heeft het college – in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 5. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Van de zijde van eiseres zijn verder verschenen: [A] (echtgenoot), [B] (dochter) en [C] (dochter). Van de zijde van het college zijn ook verschenen: [D] en [E] (Wmo-consulenten). Beoordeling door de rechtbank 6. Het college heeft de aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag, maar deze inhoudelijk beoordeeld als ware het een eerste aanvraag. De rechtbank sluit daarbij aan en beoordeelt het bestreden besluit daarom inhoudelijk. 7.1. Op grond van artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 moet het college beoordelen of een maatwerkvoorziening moet worden verstrekt ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Daarbij hanteert het college een door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ontwikkeld stappenplan, waarin onder andere de beperkingen worden vastgesteld en wordt beoordeeld of en in hoeverre ondersteuning nodig is. 7.2. In de Wmo en Jeugdhulpverordening gemeente Nieuwegein 2020 is bepaald dat geen maatwerkvoorziening wordt toegekend indien het college van oordeel is dat een inwoner zijn ondersteuningsvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand verhuist naar een woning die, gelet op zijn/ haar beperkingen en de verwachte ontwikkeling daarvan, niet geschikt is (inadequate verhuizing). 8. De rechtbank beoordeelt of het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hier sprake is van een inadequate verhuizing en de aanvraag om die reden terecht heeft afgewezen. 9. In het bestreden besluit heeft het college aan het standpunt dat sprake is van een inadequate verhuizing ten grondslag gelegd dat eiseres al vóór de verhuizing beperkingen had bij het traplopen, dat bij de familie bekend was dat sprake was van een progressieve ziekte en dat bij de keuze voor de woning rekening had moeten worden gehouden met die beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Het college heeft daarbij betrokken dat de val in 2023 niet maakt dat de problemen met traplopen pas daarna zijn ontstaan. 10. Eiseres heeft aangevoerd dat het college had moeten uitgaan van haar huidige situatie en dat haar beperkingen zijn onderschat. De rechtbank begrijpt dit zo dat eiseres stelt dat haar situatie sinds de aanvraag in 2023 is verslechterd en dat daarom opnieuw moet worden beoordeeld of een voorziening nodig is. Daarbij wijst eiseres op de val op haar hoofd in Marokko in 2023, waarna het traplopen onmogelijk is geworden. Deze grond slaagt niet. Het college heeft onderkend dat eiseres lijdt aan Alzheimer en dat haar functioneren sinds de eerdere aanvraag verder is achteruitgegaan. Die achteruitgang past echter bij het te verwachten verloop van de ziekte en vormt geen nieuwe, onverwachte ontwikkeling. Bovendien is de val in Marokko in de het besluit van 5 december 2023 meegenomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college is uitgegaan van een onjuist beeld van de beperkingen of dat sprake is van een relevante wijziging ten opzichte van de eerdere beoordeling. 11. Eiseres heeft verder aangevoerd dat geen sprake is van een ongeschikte woning, omdat zij is verhuisd van een woning met een trap naar een andere woning met een trap, en dat geen passende alternatieve woning beschikbaar was. Deze grond slaag niet. Het gaat er niet om of de woningen vergelijkbaar zijn, maar of de nieuwe woning, gelet op de beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan, geschikt was. Het lag verder op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat ten tijde van de verhuizing geen geschikte woning beschikbaar was. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens over de beschikbaarheid van passende woningen in de relevante periode en heeft deze daarom niet aannemelijk gemaakt. 12. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat de verhuizing haar niet kan worden tegengeworpen, vanwege haar Alzheimer en omdat haar familie de verhuizing heeft geregeld. Uit het dossier blijkt dat eiseres zelf beperkt was in haar inzicht. Daaruit blijkt echter ook dat haar familie wist dat eiseres beperkingen had en dat haar ziekte zich verder zou ontwikkelen. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de gevolgen van de verhuizing aan eiseres kunnen worden toegerekend. 13. Het college heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat sprake is van een inadequate verhuizing en heeft de aanvraag om een traplift om die reden terecht afgewezen. 14. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een eventuele verslechtering van de gezondheidssituatie van de echtgenoot van eiseres aanleiding kan zijn voor het indienen van een nieuwe aanvraag voor een traplift. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis-Baijens, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1634 text/xml public 2026-05-06T10:29:08 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-20 25/6395 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1634 text/html public 2026-05-06T10:28:49 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1634 Rechtbank Midden-Nederland , 20-04-2026 / 25/6395 Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift. Inadequate verhuizing. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6395 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein , het college (gemachtigde: mr. L. Verlaak). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres is het daar niet mee eens en heeft daartegen beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank de afwijzing. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een inadequate verhuizing en de aanvraag daarom terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 23 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift. Bij besluit van 5 december 2023 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres bij haar verhuizing in 2022 geen rekening heeft gehouden met haar beperkingen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. 3. Op 5 december 2024 heeft eiseres opnieuw een aanvraag ingediend voor een traplift. Bij besluit van 25 maart 2025 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 heeft het college – in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 5. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Van de zijde van eiseres zijn verder verschenen: [A] (echtgenoot), [B] (dochter) en [C] (dochter). Van de zijde van het college zijn ook verschenen: [D] en [E] (Wmo-consulenten). Beoordeling door de rechtbank 6. Het college heeft de aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag, maar deze inhoudelijk beoordeeld als ware het een eerste aanvraag. De rechtbank sluit daarbij aan en beoordeelt het bestreden besluit daarom inhoudelijk. 7.1. Op grond van artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 moet het college beoordelen of een maatwerkvoorziening moet worden verstrekt ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Daarbij hanteert het college een door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ontwikkeld stappenplan, waarin onder andere de beperkingen worden vastgesteld en wordt beoordeeld of en in hoeverre ondersteuning nodig is. 7.2. In de Wmo en Jeugdhulpverordening gemeente Nieuwegein 2020 is bepaald dat geen maatwerkvoorziening wordt toegekend indien het college van oordeel is dat een inwoner zijn ondersteuningsvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand verhuist naar een woning die, gelet op zijn/ haar beperkingen en de verwachte ontwikkeling daarvan, niet geschikt is (inadequate verhuizing). 8. De rechtbank beoordeelt of het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hier sprake is van een inadequate verhuizing en de aanvraag om die reden terecht heeft afgewezen. 9. In het bestreden besluit heeft het college aan het standpunt dat sprake is van een inadequate verhuizing ten grondslag gelegd dat eiseres al vóór de verhuizing beperkingen had bij het traplopen, dat bij de familie bekend was dat sprake was van een progressieve ziekte en dat bij de keuze voor de woning rekening had moeten worden gehouden met die beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Het college heeft daarbij betrokken dat de val in 2023 niet maakt dat de problemen met traplopen pas daarna zijn ontstaan. 10. Eiseres heeft aangevoerd dat het college had moeten uitgaan van haar huidige situatie en dat haar beperkingen zijn onderschat. De rechtbank begrijpt dit zo dat eiseres stelt dat haar situatie sinds de aanvraag in 2023 is verslechterd en dat daarom opnieuw moet worden beoordeeld of een voorziening nodig is. Daarbij wijst eiseres op de val op haar hoofd in Marokko in 2023, waarna het traplopen onmogelijk is geworden. Deze grond slaagt niet. Het college heeft onderkend dat eiseres lijdt aan Alzheimer en dat haar functioneren sinds de eerdere aanvraag verder is achteruitgegaan. Die achteruitgang past echter bij het te verwachten verloop van de ziekte en vormt geen nieuwe, onverwachte ontwikkeling. Bovendien is de val in Marokko in de het besluit van 5 december 2023 meegenomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college is uitgegaan van een onjuist beeld van de beperkingen of dat sprake is van een relevante wijziging ten opzichte van de eerdere beoordeling. 11. Eiseres heeft verder aangevoerd dat geen sprake is van een ongeschikte woning, omdat zij is verhuisd van een woning met een trap naar een andere woning met een trap, en dat geen passende alternatieve woning beschikbaar was. Deze grond slaag niet. Het gaat er niet om of de woningen vergelijkbaar zijn, maar of de nieuwe woning, gelet op de beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan, geschikt was. Het lag verder op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat ten tijde van de verhuizing geen geschikte woning beschikbaar was. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens over de beschikbaarheid van passende woningen in de relevante periode en heeft deze daarom niet aannemelijk gemaakt. 12. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat de verhuizing haar niet kan worden tegengeworpen, vanwege haar Alzheimer en omdat haar familie de verhuizing heeft geregeld. Uit het dossier blijkt dat eiseres zelf beperkt was in haar inzicht. Daaruit blijkt echter ook dat haar familie wist dat eiseres beperkingen had en dat haar ziekte zich verder zou ontwikkelen. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de gevolgen van de verhuizing aan eiseres kunnen worden toegerekend. 13. Het college heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat sprake is van een inadequate verhuizing en heeft de aanvraag om een traplift om die reden terecht afgewezen. 14. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een eventuele verslechtering van de gezondheidssituatie van de echtgenoot van eiseres aanleiding kan zijn voor het indienen van een nieuwe aanvraag voor een traplift. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis-Baijens, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.