Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-31
ECLI:NL:RBMNE:2026:1585
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,136 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1585 text/xml public 2026-05-01T09:13:17 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-31 UTR 25/204 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1585 text/html public 2026-05-01T09:12:42 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1585 Rechtbank Midden-Nederland , 31-03-2026 / UTR 25/204 Toeslagen, herbeoordeling kinderopvangtoeslag. Weigering toekennen compensatie. Motiveringsgebrek omdat één toeslagjaar niet is beoordeeld. Er zijn geen aanknopingspunten dat vooringenomen is gehandeld. Geen hardheid als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wht. Beroep is ongegrond, artikel 6:22 van de Awb, toekenning pkv en griffierecht. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/204 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. W.H. Boomstra), en Dienst Toeslagen, (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). 1.1. Eiseres heeft zich in kader van de hersteloperatie aangemeld voor een herbeoordeling van de haar toegekende kinderopvangtoeslag. Met het besluit van 6 mei 2022 (de eerste toets) heeft Dienst Toeslagen geen reden gezien om eiseres € 30.000 euro terug te betalen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 6 juli 2023 (de integrale beoordeling) heeft Dienst Toeslagen de situatie van eiseres opnieuw bekeken en besloten dat zij geen recht heeft op compensatie. Eiseres is daartegen in bezwaar gegaan. 1.2. Dienst Toeslagen heeft op 27 november 2024 een beslissing genomen op dit bezwaar (dit is het bestreden besluit). Het bezwaar is ongegrond verklaard. 1.3. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. 1.4. Dienst Toeslagen heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. B.E.C. de Jong als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Feiten en omstandigheden 2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd voor haar twee kinderen. Zij heeft dit aangevraagd voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2015 en 2016. Eiseres heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling over deze jaren. 3. Dienst Toeslagen heeft zich in het kader van de integrale beoordeling in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat een herbeoordeling over het toeslagjaar 2005 terecht achterwege is gelaten, omdat dit met eiseres en haar (toenmalige) gemachtigde is afgesproken. Ten aanzien van de toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2015 en 2016 heeft Dienst Toeslagen overwogen dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor toekenning van compensatie. De neerwaartse correcties in de toeslagjaren 2006, 2007 en 2008 zijn het gevolg van de verwerking van wijzigingen in het gezamenlijke toetsingsinkomen. Van institutionele vooringenomenheid of hardheid is volgens Dienst Toeslagen geen sprake. Over de jaren 2015 en 2016 heeft geen terugvordering plaatsgevonden, zodat eiseres voor deze jaren ook niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor toekenning van compensatie, aldus Dienst Toeslagen. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen terecht de compensatie op grond van de Wht heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het toetsingskader 5. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. 5.1. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid. 5.2. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid (of van de hardheid). Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. 5.3. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht zijn verder een aantal voorbeelden gegeven wanneer wel en geen sprake is van hardheid van het stelsel. Ook is hierin gesteld dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Toeslagjaar 2005 6. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen het toeslagjaar 2005 ten onrechte niet heeft meegenomen in de beoordeling. Eiseres geeft aan dat zij in dat jaar geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, maar dat in dat jaar wel de ellende is begonnen. 7. Dienst Toeslagen heeft in reactie hierop aangegeven dat nu een schriftelijke bevestiging van de genoemde afspraak met de persoonlijk zaaksbehandelaar ontbreekt in het dossier, het niet beoordelen van dit toeslagjaar in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd met de enkele verwijzing naar deze afspraak. Dienst Toeslagen erkent dat er daarom sprake is van een motiveringsgebrek in het besluit, maar vindt dat dit gebrek kan worden gepasseerd. Eiseres is immers niet benadeeld, omdat zij in 2005 geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Dit heeft zij ook in haar beroepschrift verklaard en ook uit de systemen blijkt dat zij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. 8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een motiveringsgebrek. Op de zitting heeft eiseres herhaald dat zij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor het jaar 2005, maar dat in dat jaar volgens haar de ellende is begonnen. Uit wat eiseres hierover heeft toegelicht begrijpt de rechtbank dat eiseres hierbij niet refereert aan de kinderopvangtoeslag, maar aan andere belastinggerelateerde problemen. De rechtbank volgt Dienst Toeslagen daarom in het standpunt dat nu niet in geschil is dat eiseres geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor het jaar 2005, er daarom hoe dan ook geen recht bestaat op compensatie voor dat jaar. Gelet hierop is aannemelijk dat eiseres door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1585 text/xml public 2026-05-01T09:13:17 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-31 UTR 25/204 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1585 text/html public 2026-05-01T09:12:42 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1585 Rechtbank Midden-Nederland , 31-03-2026 / UTR 25/204 Toeslagen, herbeoordeling kinderopvangtoeslag. Weigering toekennen compensatie. Motiveringsgebrek omdat één toeslagjaar niet is beoordeeld. Er zijn geen aanknopingspunten dat vooringenomen is gehandeld. Geen hardheid als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wht. Beroep is ongegrond, artikel 6:22 van de Awb, toekenning pkv en griffierecht. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/204 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. W.H. Boomstra), en Dienst Toeslagen, (gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ). Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). 1.1. Eiseres heeft zich in kader van de hersteloperatie aangemeld voor een herbeoordeling van de haar toegekende kinderopvangtoeslag. Met het besluit van 6 mei 2022 (de eerste toets) heeft Dienst Toeslagen geen reden gezien om eiseres € 30.000 euro terug te betalen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 6 juli 2023 (de integrale beoordeling) heeft Dienst Toeslagen de situatie van eiseres opnieuw bekeken en besloten dat zij geen recht heeft op compensatie. Eiseres is daartegen in bezwaar gegaan. 1.2. Dienst Toeslagen heeft op 27 november 2024 een beslissing genomen op dit bezwaar (dit is het bestreden besluit). Het bezwaar is ongegrond verklaard. 1.3. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. 1.4. Dienst Toeslagen heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. B.E.C. de Jong als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen. Feiten en omstandigheden 2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd voor haar twee kinderen. Zij heeft dit aangevraagd voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2015 en 2016. Eiseres heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling over deze jaren. 3. Dienst Toeslagen heeft zich in het kader van de integrale beoordeling in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat een herbeoordeling over het toeslagjaar 2005 terecht achterwege is gelaten, omdat dit met eiseres en haar (toenmalige) gemachtigde is afgesproken. Ten aanzien van de toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2015 en 2016 heeft Dienst Toeslagen overwogen dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor toekenning van compensatie. De neerwaartse correcties in de toeslagjaren 2006, 2007 en 2008 zijn het gevolg van de verwerking van wijzigingen in het gezamenlijke toetsingsinkomen. Van institutionele vooringenomenheid of hardheid is volgens Dienst Toeslagen geen sprake. Over de jaren 2015 en 2016 heeft geen terugvordering plaatsgevonden, zodat eiseres voor deze jaren ook niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor toekenning van compensatie, aldus Dienst Toeslagen. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen terecht de compensatie op grond van de Wht heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het toetsingskader 5. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. 5.1. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid. 5.2. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid (of van de hardheid). Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade. 5.3. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht zijn verder een aantal voorbeelden gegeven wanneer wel en geen sprake is van hardheid van het stelsel. Ook is hierin gesteld dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Toeslagjaar 2005 6. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen het toeslagjaar 2005 ten onrechte niet heeft meegenomen in de beoordeling. Eiseres geeft aan dat zij in dat jaar geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, maar dat in dat jaar wel de ellende is begonnen. 7. Dienst Toeslagen heeft in reactie hierop aangegeven dat nu een schriftelijke bevestiging van de genoemde afspraak met de persoonlijk zaaksbehandelaar ontbreekt in het dossier, het niet beoordelen van dit toeslagjaar in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd met de enkele verwijzing naar deze afspraak. Dienst Toeslagen erkent dat er daarom sprake is van een motiveringsgebrek in het besluit, maar vindt dat dit gebrek kan worden gepasseerd. Eiseres is immers niet benadeeld, omdat zij in 2005 geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Dit heeft zij ook in haar beroepschrift verklaard en ook uit de systemen blijkt dat zij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. 8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een motiveringsgebrek. Op de zitting heeft eiseres herhaald dat zij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor het jaar 2005, maar dat in dat jaar volgens haar de ellende is begonnen. Uit wat eiseres hierover heeft toegelicht begrijpt de rechtbank dat eiseres hierbij niet refereert aan de kinderopvangtoeslag, maar aan andere belastinggerelateerde problemen. De rechtbank volgt Dienst Toeslagen daarom in het standpunt dat nu niet in geschil is dat eiseres geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor het jaar 2005, er daarom hoe dan ook geen recht bestaat op compensatie voor dat jaar. Gelet hierop is aannemelijk dat eiseres door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld.
Volledig
De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Toeslagjaar 2006 9. Eiseres heeft in 2006 kinderopvangtoeslag aangevraagd en toegekend gekregen, waarbij het voorschot voor dit jaar is vastgesteld € 7.678. Op 3 september 2008 is de toegekende kinderopvangtoeslag voor 2006 neerwaarts gecorrigeerd naar € 5.214. Naar aanleiding van een gegrond bezwaar van eiseres is bij besluit van 7 april 2009 de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 5.688. Is er sprake van vooringenomenheid? 10. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie, omdat sprake is van vooringenomenheid. De aanvraag voor toeslag in 2006 was gebaseerd op het inkomen van 2005 in plaats van 2006. Het inkomen lag in 2005 lager, waardoor de kinderopvangtoeslag op een hoger bedrag werd toegekend dan waar zij recht op had. Eiseres ontving in 2008 het bericht dat zij € 2.464,- moest terugbetalen. Zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat de terugvordering niet correct berekend was, omdat Dienst Toeslagen van de verkeerde periode uitging. Pas in april 2009 wist eiseres dat haar bezwaar gegrond was. Daarover heeft zij nooit een brief ontvangen. Zij heeft hierover talloze keren contact opgenomen, maar werd van het kastje naar de muur gestuurd. Zij had toen al 5 termijnen terugbetaald. Door het gegronde bezwaar is de voorschotbeschikking gewijzigd waardoor zij nog een bedrag moest terugbetalen. In november 2009 kreeg zij uiteindelijk te horen dat haar betalingsregeling haar in april 2009 zou zijn toegestuurd. Dit heeft eiseres nooit ontvangen, waardoor zij plots voor 30 november 2009 nog € 205,- moest betalen. Uit het voorgaande volgt dat Dienst Toeslagen jegens haar vooringenomen heeft gehandeld. 11. De rechtbank volgt dit niet. Er zijn geen aanknopingspunten dat de wijzigingen in de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor 2006, en de daaruit volgende terugvordering, niet uitsluitend het gevolg zijn van de wijziging van het bij Dienst Toeslagen bekende toetsingsinkomen van eiseres en de verstrekte jaaropgave van de opvanguren. Het besluit van 3 september 2008 was onjuist wegens het gebruik van onjuiste opvanggegevens, maar dit is in het besluit van 23 maart 2009 op het door eiseres gemaakte bezwaar hersteld en op 7 april 2009 is alsnog de kinderopvangtoeslag op het juiste bedrag definitief berekend. Dat Dienst Toeslagen in eerste instantie een foutief besluit heeft genomen, is een onjuiste gang van zaken, maar is geen aanwijzing voor de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid. Dit geldt ook voor het feit dat het besluit op bezwaar te laat is genomen en de manier waarop eiseres stelt te zijn behandeld. Dit zijn onwenselijke onzorgvuldigheden, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Hierbij is ook van belang dat het bezwaar van eiseres uiteindelijk is ingewilligd en dat haar een reguliere betalingstermijn is gegund. Ter zitting is gebleken dat eiseres niet om een persoonlijke betalingsregeling heeft gevraagd, zodat ook uit het feit dat die er niet was, niet kan worden afgeleid dat er sprake was van vooringenomenheid. Is er sprake van hardheid? 12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de wet in haar geval te hard is toegepast. De terugvordering is ontstaan als gevolg van een bijzondere omstandigheid. De kinderopvanginstelling heeft namelijk buiten het medeweten van eiseres om de kinderopvangtoeslag aangevraagd op grond van een verkeerd toetsingsinkomen. Toen dit eenmaal was gewijzigd naar het juiste toetsingsinkomen kreeg eiseres een terugvordering van € 1.990,-. Er is dus sprake van een terugvordering van € 1.500,- of meer. Hoewel de kinderopvangtoeslag uiteindelijk in de definitieve beschikking is vastgesteld op het juiste bedrag, heeft eiseres in de tussentijd terugbetalingen gedaan die zijn gebaseerd op het verkeerd vastgestelde bedrag. 13. De rechtbank volgt het standpunt van Dienst Toeslagen dat in de situatie van eiseres niet kan worden gesproken over bijzondere omstandigheden die leiden tot toepassing van de hardheidsregeling. Allereerst is het niet correct doorgeven van de inkomensgegevens door de kinderopvanginstelling niet genoemd in de hiervoor vermelde voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht en is juist uitdrukkelijk vermeld dat een correctie vanwege een te hoog of te laag toetsingsinkomen niet leidt tot hardheid. Wat in beroep is aangevoerd, is niet dermate bijzonder dat dit tot een ander oordeel. Hierbij betrekt de rechtbank dat Dienst Toeslagen ter zitting heeft toegelicht dat het voor eiseres mogelijk was om op de voorschotbeschikking te zien op welk inkomen de voorschotten waren gebaseerd, zodat zij kon controleren of dit het juiste inkomen was. Daarbij komt dat het vaker voorkomt dat een derde een aanvraag doet voor de kinderopvangtoeslag met onjuiste (inkomens)gegevens. Dat dit later hersteld wordt met de juiste gegevens, vormt geen hardheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Toeslagjaar 2007 14. In 2007 is de kinderopvangtoeslag van eiseres gecontinueerd. In eerste instantie is het voorschot vastgesteld op € 10.272. In april 2007 is het voorschot is opwaarts gecorrigeerd naar € 11.556. Op 19 maart 2009 is de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 10.386. Is er sprake van vooringenomenheid? 15. Eiseres stelt dat ook in dit jaar sprake is van vooringenomenheid en dat zij in aanmerking komt voor compensatie. De kinderopvangtoeslag is voornamelijk lager beschikt door een hoger toetsingsinkomen. Als gevolg van het door de kinderopvang foutief opgegeven toetsingsinkomen moet eiseres € 1.190,- terugbetalen. Eiseres heeft Dienst Toeslagen verzocht om een betalingsregeling. Zij heeft daar geen reactie op ontvangen. Ook heeft zij talloze keren telefonisch contact opgenomen en benadrukt dat zij bezwaar heeft ingediend dat een dergelijke regeling niet werd getroffen. Haar bezwaar is tweemaal niet ontvangen en bij bijgevoegde brief van 2 april 2011 heeft zij nogmaals bezwaar ingediend. Ook is Dienst Toeslagen niet actief op zoek gegaan naar haar bezwaar. 16. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat over het toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de kant van Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen heeft ter zitting aangegeven dat voor de terugvordering van € 1.190 een reguliere betalingsregeling met eiseres is getroffen, waarbij eiseres het terug te betalen bedrag in 24 maanden heeft kunnen terugbetalen. Uit het dossier en wat op zitting is besproken kan niet worden afgeleid dat eiseres heeft verzocht om, voor zover dat mogelijk was gezien de hoogte van het bedrag, een persoonlijke betalingsregeling, te minder nu eiseres ter zitting heeft aangegeven niet op de hoogte te zijn geweest van de mogelijkheid een persoonlijke betalingsregeling. In de bij het beroep gevoegde brief van 2 april 2011 kan ook niet worden afgeleid dat deze brief betrekking heeft op een verzoek om een betalingsregeling voor het bedrag van € 1.190. Dienst Toeslagen heeft desgevraagd aangegeven ook dergelijke verzoeken niet in het dossier te hebben aangetroffen. Ook voor dit toeslagjaar geldt daarom dat uit het niet verlenen van een persoonlijke betalingsregeling, niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Conclusie 17. Uit het voorgaande volgt dat voor de jaren 2006 en 2007 terecht geen compensatie is gegeven. Tegen de overige toeslagjaren zijn geen beroepsgronden gericht, zodat ook ten aanzien van die jaren het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank vindt het tot slot belangrijk om te vermelden dat het de rechtbank wel duidelijk is dat met name met betrekking tot 2006 niet alles zorgvuldig is verlopen en dat dit voor eiseres een bewogen tijd moet zijn geweest. Dit maakt de uitkomst in deze procedure echter niet anders. Conclusie en gevolgen 18. Omdat sprake is van een motiveringsgebrek dat wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb en de overige beroepsgronden niet slagen, verklaart de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond.
Volledig
De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Toeslagjaar 2006 9. Eiseres heeft in 2006 kinderopvangtoeslag aangevraagd en toegekend gekregen, waarbij het voorschot voor dit jaar is vastgesteld € 7.678. Op 3 september 2008 is de toegekende kinderopvangtoeslag voor 2006 neerwaarts gecorrigeerd naar € 5.214. Naar aanleiding van een gegrond bezwaar van eiseres is bij besluit van 7 april 2009 de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 5.688. Is er sprake van vooringenomenheid? 10. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie, omdat sprake is van vooringenomenheid. De aanvraag voor toeslag in 2006 was gebaseerd op het inkomen van 2005 in plaats van 2006. Het inkomen lag in 2005 lager, waardoor de kinderopvangtoeslag op een hoger bedrag werd toegekend dan waar zij recht op had. Eiseres ontving in 2008 het bericht dat zij € 2.464,- moest terugbetalen. Zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat de terugvordering niet correct berekend was, omdat Dienst Toeslagen van de verkeerde periode uitging. Pas in april 2009 wist eiseres dat haar bezwaar gegrond was. Daarover heeft zij nooit een brief ontvangen. Zij heeft hierover talloze keren contact opgenomen, maar werd van het kastje naar de muur gestuurd. Zij had toen al 5 termijnen terugbetaald. Door het gegronde bezwaar is de voorschotbeschikking gewijzigd waardoor zij nog een bedrag moest terugbetalen. In november 2009 kreeg zij uiteindelijk te horen dat haar betalingsregeling haar in april 2009 zou zijn toegestuurd. Dit heeft eiseres nooit ontvangen, waardoor zij plots voor 30 november 2009 nog € 205,- moest betalen. Uit het voorgaande volgt dat Dienst Toeslagen jegens haar vooringenomen heeft gehandeld. 11. De rechtbank volgt dit niet. Er zijn geen aanknopingspunten dat de wijzigingen in de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor 2006, en de daaruit volgende terugvordering, niet uitsluitend het gevolg zijn van de wijziging van het bij Dienst Toeslagen bekende toetsingsinkomen van eiseres en de verstrekte jaaropgave van de opvanguren. Het besluit van 3 september 2008 was onjuist wegens het gebruik van onjuiste opvanggegevens, maar dit is in het besluit van 23 maart 2009 op het door eiseres gemaakte bezwaar hersteld en op 7 april 2009 is alsnog de kinderopvangtoeslag op het juiste bedrag definitief berekend. Dat Dienst Toeslagen in eerste instantie een foutief besluit heeft genomen, is een onjuiste gang van zaken, maar is geen aanwijzing voor de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid. Dit geldt ook voor het feit dat het besluit op bezwaar te laat is genomen en de manier waarop eiseres stelt te zijn behandeld. Dit zijn onwenselijke onzorgvuldigheden, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Hierbij is ook van belang dat het bezwaar van eiseres uiteindelijk is ingewilligd en dat haar een reguliere betalingstermijn is gegund. Ter zitting is gebleken dat eiseres niet om een persoonlijke betalingsregeling heeft gevraagd, zodat ook uit het feit dat die er niet was, niet kan worden afgeleid dat er sprake was van vooringenomenheid. Is er sprake van hardheid? 12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de wet in haar geval te hard is toegepast. De terugvordering is ontstaan als gevolg van een bijzondere omstandigheid. De kinderopvanginstelling heeft namelijk buiten het medeweten van eiseres om de kinderopvangtoeslag aangevraagd op grond van een verkeerd toetsingsinkomen. Toen dit eenmaal was gewijzigd naar het juiste toetsingsinkomen kreeg eiseres een terugvordering van € 1.990,-. Er is dus sprake van een terugvordering van € 1.500,- of meer. Hoewel de kinderopvangtoeslag uiteindelijk in de definitieve beschikking is vastgesteld op het juiste bedrag, heeft eiseres in de tussentijd terugbetalingen gedaan die zijn gebaseerd op het verkeerd vastgestelde bedrag. 13. De rechtbank volgt het standpunt van Dienst Toeslagen dat in de situatie van eiseres niet kan worden gesproken over bijzondere omstandigheden die leiden tot toepassing van de hardheidsregeling. Allereerst is het niet correct doorgeven van de inkomensgegevens door de kinderopvanginstelling niet genoemd in de hiervoor vermelde voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht en is juist uitdrukkelijk vermeld dat een correctie vanwege een te hoog of te laag toetsingsinkomen niet leidt tot hardheid. Wat in beroep is aangevoerd, is niet dermate bijzonder dat dit tot een ander oordeel. Hierbij betrekt de rechtbank dat Dienst Toeslagen ter zitting heeft toegelicht dat het voor eiseres mogelijk was om op de voorschotbeschikking te zien op welk inkomen de voorschotten waren gebaseerd, zodat zij kon controleren of dit het juiste inkomen was. Daarbij komt dat het vaker voorkomt dat een derde een aanvraag doet voor de kinderopvangtoeslag met onjuiste (inkomens)gegevens. Dat dit later hersteld wordt met de juiste gegevens, vormt geen hardheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Toeslagjaar 2007 14. In 2007 is de kinderopvangtoeslag van eiseres gecontinueerd. In eerste instantie is het voorschot vastgesteld op € 10.272. In april 2007 is het voorschot is opwaarts gecorrigeerd naar € 11.556. Op 19 maart 2009 is de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 10.386. Is er sprake van vooringenomenheid? 15. Eiseres stelt dat ook in dit jaar sprake is van vooringenomenheid en dat zij in aanmerking komt voor compensatie. De kinderopvangtoeslag is voornamelijk lager beschikt door een hoger toetsingsinkomen. Als gevolg van het door de kinderopvang foutief opgegeven toetsingsinkomen moet eiseres € 1.190,- terugbetalen. Eiseres heeft Dienst Toeslagen verzocht om een betalingsregeling. Zij heeft daar geen reactie op ontvangen. Ook heeft zij talloze keren telefonisch contact opgenomen en benadrukt dat zij bezwaar heeft ingediend dat een dergelijke regeling niet werd getroffen. Haar bezwaar is tweemaal niet ontvangen en bij bijgevoegde brief van 2 april 2011 heeft zij nogmaals bezwaar ingediend. Ook is Dienst Toeslagen niet actief op zoek gegaan naar haar bezwaar. 16. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat over het toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de kant van Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen heeft ter zitting aangegeven dat voor de terugvordering van € 1.190 een reguliere betalingsregeling met eiseres is getroffen, waarbij eiseres het terug te betalen bedrag in 24 maanden heeft kunnen terugbetalen. Uit het dossier en wat op zitting is besproken kan niet worden afgeleid dat eiseres heeft verzocht om, voor zover dat mogelijk was gezien de hoogte van het bedrag, een persoonlijke betalingsregeling, te minder nu eiseres ter zitting heeft aangegeven niet op de hoogte te zijn geweest van de mogelijkheid een persoonlijke betalingsregeling. In de bij het beroep gevoegde brief van 2 april 2011 kan ook niet worden afgeleid dat deze brief betrekking heeft op een verzoek om een betalingsregeling voor het bedrag van € 1.190. Dienst Toeslagen heeft desgevraagd aangegeven ook dergelijke verzoeken niet in het dossier te hebben aangetroffen. Ook voor dit toeslagjaar geldt daarom dat uit het niet verlenen van een persoonlijke betalingsregeling, niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Conclusie 17. Uit het voorgaande volgt dat voor de jaren 2006 en 2007 terecht geen compensatie is gegeven. Tegen de overige toeslagjaren zijn geen beroepsgronden gericht, zodat ook ten aanzien van die jaren het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank vindt het tot slot belangrijk om te vermelden dat het de rechtbank wel duidelijk is dat met name met betrekking tot 2006 niet alles zorgvuldig is verlopen en dat dit voor eiseres een bewogen tijd moet zijn geweest. Dit maakt de uitkomst in deze procedure echter niet anders. Conclusie en gevolgen 18. Omdat sprake is van een motiveringsgebrek dat wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb en de overige beroepsgronden niet slagen, verklaart de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond.