Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-01
ECLI:NL:RBMNE:2026:1485
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,006 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1485 text/xml public 2026-04-28T11:26:14 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-01 12013969 \ LC EXPL 25-2647 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1485 text/html public 2026-04-28T11:25:56 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1485 Rechtbank Midden-Nederland , 01-04-2026 / 12013969 \ LC EXPL 25-2647 bevoegdheidsincident ten aanzien van een vordering tot betaling van huur en servicekosten voor een onroerend goed in Suriname. Toepassing van artikel 4 Brussel 1 bis. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 12013969 \ LC EXPL 25-2647 Vonnis in incident van 1 april 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende in [plaats 1] , verder te noemen: [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2] , kantoorhoudende in [plaats 2] (Suriname), verder te noemen: [eiseres sub 2] , eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident, verder samen te noemen: [eiser sub 1] c.s., gemachtigde: mr. drs. [eiser sub 1] , tegen [gedaagde] , wonende in [plaats 3] , gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. K.R. Lieuw On. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord, met ook een bevoegdheidsincident; - de conclusie van antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is vonnis in het incident bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. [eiseres sub 2] en [gedaagde] hebben een huurovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan [gedaagde] van [eiseres sub 2] een pand aan de [adres] in [plaats 2] , Suriname, bestemd voor de exploitatie van horeca is gaan huren. [gedaagde] heeft de ontbinding van de huurovereenkomst ingeroepen. [gedaagde] is in dat kader een procedure tegen [eiser sub 1] c.s. begonnen bij de Surinaamse rechter. In de onderhavige hoofdzaak liggen ter beoordeling voor de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. tot een verklaring voor recht dat het door [gedaagde] op de privé bankrekening van [eiser sub 1] gelegde beslag onrechtmatig is en tot betaling van achterstallige huur en achterstallige kosten voor elektriciteit en water. In het incident stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. kennis te nemen. 3 De beoordeling in het incident 3.1. [gedaagde] stelt dat het geschil tussen partijen volledig verbonden is met Suriname, dat Suriname geen lidstaat van de Europese Unie is, dat de Verordening Brussel I-bis niet van toepassing is en dat de bevoegdheid van de rechter daarom moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het internationaal privaatrecht. Omdat in het internationaal privaatrecht als uitgangspunt geldt dat de rechter van de plaats waar het goed is gelegen bevoegd is (lex rei sitae), is niet de Nederlandse rechter, maar de Surinaamse rechter bevoegd om over het geschil te oordelen, aldus [gedaagde] . [eiser sub 1] c.s. betwist dat. 3.2. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt. De kantonrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van vorderingen kennis te nemen en legt dat hierna uit. 3.3. Omdat [eiseres sub 2] in het buitenland is gevestigd en het gaat om een huurovereenkomst voor een pand in Suriname, is sprake van een internationaal karakter. Voor de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is, moet worden gekeken naar hetgeen is bepaald in Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I-bis). Er is namelijk sprake van een zogenoemde ‘burgerlijke of handelszaak’ (artikel 1 Brussel I-bis), de gedaagde partij is woonachtig in een EU-lidstaat (artikel 4-6 Brussel I-bis) en de vordering is ingesteld na 10 januari 2025 (artikel 81 Brussel I-bis). 3.4. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van huur van onroerend goed in de zin van artikel 24 lid 1 Brussel I-bis. In dit artikel is bepaald dat de rechter van de EU-lidstaat waar het onroerend goed is gelegen exclusief bevoegd is kennis te nemen van een vordering met betrekking tot de huur en verhuur daarvan. Omdat het pand in Suriname ligt en Suriname geen lidstaat van de Europese Unie is, is artikel 24 Brussel I-bis echter niet van toepassing. Daarbij geeft jurisprudentie van het Hof van Justitie of Nederlandse rechters geen aanleiding om artikel 24 lid 1 Brussel I-bis reflexwerking te verlenen en daardoor te bepalen dat de Surinaamse rechter exclusief bevoegd is kennis te nemen van de vordering. Daarom zal moeten worden bekeken of op een andere grond uit Brussel I-bis rechtsmacht kan worden aangenomen. 3.5. Artikel 4 Brussel I-bis bepaalt dat personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. De gedaagde partij is woonachtig in Nederland. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 Brussel I-bis bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser sub 1] c.s.. 3.6. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gesteld partij worden beschouwd. Daarom zullen de kosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. in de hoofdzaak 3.7. De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. 3.8. De kantonrechter wijst erop dat hij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen kan maken die hij geraden zal achten. Dat kan ook in het nadeel van die partij zijn. 3.9. Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden. 3.10. Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen. 3.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4 De beslissing De kantonrechter: in het incident : 4.1. verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak, 4.2. compenseert de proceskosten in het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. in de hoofdzaak : 4.3. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen op een nader vast te stellen datum en tijd, 4.4. bepaalt dat [eiser sub 1] en [gedaagde] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [eiseres sub 2] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen, 4.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 april 2026 om 11.00 uur voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen in de maanden mei 2026 tot en met augustus 2026 , waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald; partijen hoeven op deze rolzitting dus niet aanwezig te zijn, 4.6. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen, 4.7. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd, 4.8. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken, 4.9. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026. 41264
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1485 text/xml public 2026-04-28T11:26:14 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-01 12013969 \ LC EXPL 25-2647 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1485 text/html public 2026-04-28T11:25:56 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1485 Rechtbank Midden-Nederland , 01-04-2026 / 12013969 \ LC EXPL 25-2647 bevoegdheidsincident ten aanzien van een vordering tot betaling van huur en servicekosten voor een onroerend goed in Suriname. Toepassing van artikel 4 Brussel 1 bis. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 12013969 \ LC EXPL 25-2647 Vonnis in incident van 1 april 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende in [plaats 1] , verder te noemen: [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2] , kantoorhoudende in [plaats 2] (Suriname), verder te noemen: [eiseres sub 2] , eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident, verder samen te noemen: [eiser sub 1] c.s., gemachtigde: mr. drs. [eiser sub 1] , tegen [gedaagde] , wonende in [plaats 3] , gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. K.R. Lieuw On. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord, met ook een bevoegdheidsincident; - de conclusie van antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is vonnis in het incident bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1. [eiseres sub 2] en [gedaagde] hebben een huurovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan [gedaagde] van [eiseres sub 2] een pand aan de [adres] in [plaats 2] , Suriname, bestemd voor de exploitatie van horeca is gaan huren. [gedaagde] heeft de ontbinding van de huurovereenkomst ingeroepen. [gedaagde] is in dat kader een procedure tegen [eiser sub 1] c.s. begonnen bij de Surinaamse rechter. In de onderhavige hoofdzaak liggen ter beoordeling voor de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. tot een verklaring voor recht dat het door [gedaagde] op de privé bankrekening van [eiser sub 1] gelegde beslag onrechtmatig is en tot betaling van achterstallige huur en achterstallige kosten voor elektriciteit en water. In het incident stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. kennis te nemen. 3 De beoordeling in het incident 3.1. [gedaagde] stelt dat het geschil tussen partijen volledig verbonden is met Suriname, dat Suriname geen lidstaat van de Europese Unie is, dat de Verordening Brussel I-bis niet van toepassing is en dat de bevoegdheid van de rechter daarom moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het internationaal privaatrecht. Omdat in het internationaal privaatrecht als uitgangspunt geldt dat de rechter van de plaats waar het goed is gelegen bevoegd is (lex rei sitae), is niet de Nederlandse rechter, maar de Surinaamse rechter bevoegd om over het geschil te oordelen, aldus [gedaagde] . [eiser sub 1] c.s. betwist dat. 3.2. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt. De kantonrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van vorderingen kennis te nemen en legt dat hierna uit. 3.3. Omdat [eiseres sub 2] in het buitenland is gevestigd en het gaat om een huurovereenkomst voor een pand in Suriname, is sprake van een internationaal karakter. Voor de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is, moet worden gekeken naar hetgeen is bepaald in Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I-bis). Er is namelijk sprake van een zogenoemde ‘burgerlijke of handelszaak’ (artikel 1 Brussel I-bis), de gedaagde partij is woonachtig in een EU-lidstaat (artikel 4-6 Brussel I-bis) en de vordering is ingesteld na 10 januari 2025 (artikel 81 Brussel I-bis). 3.4. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van huur van onroerend goed in de zin van artikel 24 lid 1 Brussel I-bis. In dit artikel is bepaald dat de rechter van de EU-lidstaat waar het onroerend goed is gelegen exclusief bevoegd is kennis te nemen van een vordering met betrekking tot de huur en verhuur daarvan. Omdat het pand in Suriname ligt en Suriname geen lidstaat van de Europese Unie is, is artikel 24 Brussel I-bis echter niet van toepassing. Daarbij geeft jurisprudentie van het Hof van Justitie of Nederlandse rechters geen aanleiding om artikel 24 lid 1 Brussel I-bis reflexwerking te verlenen en daardoor te bepalen dat de Surinaamse rechter exclusief bevoegd is kennis te nemen van de vordering. Daarom zal moeten worden bekeken of op een andere grond uit Brussel I-bis rechtsmacht kan worden aangenomen. 3.5. Artikel 4 Brussel I-bis bepaalt dat personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. De gedaagde partij is woonachtig in Nederland. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 Brussel I-bis bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser sub 1] c.s.. 3.6. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gesteld partij worden beschouwd. Daarom zullen de kosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. in de hoofdzaak 3.7. De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. 3.8. De kantonrechter wijst erop dat hij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen kan maken die hij geraden zal achten. Dat kan ook in het nadeel van die partij zijn. 3.9. Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden. 3.10. Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen. 3.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4 De beslissing De kantonrechter: in het incident : 4.1. verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak, 4.2. compenseert de proceskosten in het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. in de hoofdzaak : 4.3. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen op een nader vast te stellen datum en tijd, 4.4. bepaalt dat [eiser sub 1] en [gedaagde] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [eiseres sub 2] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen, 4.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 april 2026 om 11.00 uur voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen in de maanden mei 2026 tot en met augustus 2026 , waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald; partijen hoeven op deze rolzitting dus niet aanwezig te zijn, 4.6. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen, 4.7. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd, 4.8. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken, 4.9. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026. 41264