Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-09
ECLI:NL:RBMNE:2026:1398
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,904 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1398 text/xml public 2026-04-28T14:02:29 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 25/4753 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1398 text/html public 2026-04-28T14:02:01 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1398 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / 25/4753 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het vaartuig mocht verwijderen en dat de situatie in dit geval dermate spoedeisend was dat het college genoodzaakt was om onverwijld tot opruiming van het wrak over te gaan RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4753 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius), en het college van Dijkgraaf en Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (gemachtigde: mr. V. Apaydin). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het vaartuig van eiser dat is verwijderd op grond van de artikelen 1 en 3 van de Wrakkenwet. Volgens het college was onmiddellijke opruiming noodzakelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het vaartuig mocht verwijderen en dat de situatie in dit geval dermate spoedeisend was dat het college genoodzaakt was om onverwijld tot opruiming van het wrak over te gaan. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Bij aanplakbrief van 21 januari 2025 heeft het college medegedeeld dat het wrak op 21 januari 2025 is verwijderd. Hierbij is vermeld dat onverwijlde opruiming noodzakelijk werd geacht. 4. Bij besluit van 30 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college besloten dat onmiddellijke opruiming van een gezonken vaartuig in de Leidsche Rijn noodzakelijk was op grond van de Wrakkenwet. 5. Bij besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het advies van de commissie bezwaarschriften overgenomen en de motivering van het besluit aangevuld, waarbij het besluit in stand is gelaten. 6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 7. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Heeft het college het vaartuig terecht als wrak gekwalificeerd? 8. Eiser voert aan dat het college ten onrechte het vaartuig als wrak heeft gekwalificeerd in de zin van artikel 1 van de Wrakkenwet. Het college was daarom niet bevoegd om het vaartuig op te ruimen. Er stond water in het vaartuig, maar er was geen sprake van een gezonken vaartuig. Eiser was bezig om het vaartuig op te knappen. 9. De rechtbank is van oordeel dat het college het vaartuig terecht als wrak heeft gekwalificeerd. Gelet op de onder de gedingstukken bevindende rapportage en foto’s, mocht het college constateren dat het vaartuig vrijwel volledig onder water lag en niet meer drijvend was en daarmee gezonken. Op de foto’s is zichtbaar dat enkel het dak van de kajuit van het vaartuig nog boven water was. Dat het voertuig mogelijk gerepareerd kon worden of dat het nog zelfstandig kon drijven, maakt niet dat het vaartuig ten tijde van belang niet aangemerkt kon worden als wrak. Uit artikel 1 van de Wrakkenwet volgt niet dat relevant is of reparatie nog mogelijk is of dat nog sprake is van (zelfstandig) drijvend vermogen. Dat zou ook te ver strekken, omdat het college dan eerst in of onder water onderzoek zou moeten (laten) uitvoeren aan een vaartuig om vast te kunnen stellen of daadwerkelijk sprake is van een wrak. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college terecht geoordeeld dat onmiddellijke opruiming van het vaartuig noodzakelijk was? 10. Eiser voert aan dat er geen noodzaak bestond om het vaartuig direct te verwijderen middels spoedeisende bestuursdwang. Er was geen sprake van gevaarzetting, dan wel risico voor de vaarveiligheid. In de wintermaanden is er namelijk geen scheepvaart in de Leidsche Rijn en als die er wel was, dan had het vaartuig makkelijk gepasseerd kunnen worden aangezien het vaartuig vast lag aan wal. Het college had makkelijk de eigenaar kunnen achterhalen, dan had eiser binnen enkele dagen actie kunnen ondernemen. De situatie was niet dermate spoedeisend dat direct handelen van het college noodzakelijk was. Er zat ten tijde van de verwijdering geen motor in het vaartuig. Ook had eiser de olie verwijderd. Indien er olievlekken op de wateroppervlakte zichtbaar zijn geweest - hetgeen eiser betwist – dan is dit een minimale resthoeveelheid geweest . Er zijn geen metingen gedaan dat olie uit het vaartuig weglekte. Als er al olie lag, had het college een ‘oilwing’ rond het vaartuig kunnen plaatsen. Hiermee kan voorkomen worden dat olie zich verspreid. De losdrijvende onderdelen dreven binnen de boot en had het college aan de kant kunnen leggen. 11. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de situatie dermate spoedeisend was dat het genoodzaakt was om tot onmiddellijke opruiming van het vaartuig over te gaan. Het is mogelijk dat er op dat moment in het jaar weinig gevaren werd in de Leidsche Rijn, maar ook een kleine kans op gevaar moet door het college voorkomen worden. Daarnaast is het aannemelijk dat de olie op het water afkomstig is van de boot, gelet op de foto’s en het rapport. Hoewel de vloeistof een resthoeveelheid kan zijn geweest, mocht het college aannemen dat de vloeistof uit het voertuig lekte en een bedreiging vormde voor de aantasting van de waterkwaliteit. Dat komt omdat het vaartuig grotendeels onderwater lag, waardoor niet eenvoudig vastgesteld kon worden of er ook nog andere substanties uit het vaartuig konden lekken. Van het college kan niet verlangd worden dat ze nader onderzoek doen naar de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die in een vaartuig liggen, wanneer een vaartuig al gezonken is. Verder kunnen ook de losdrijvende onderdelen een gevaar vormen. Dat het college de (op dat moment) losdrijvende onderdelen op de kant had kunnen leggen, neemt niet weg dat op een later tijdstip andere onderdelen los hadden kunnen raken en dat onderdelen die nog binnen de boot dreven met enige stroming alsnog konden worden meegevoerd. Het college heeft een ergere situatie willen en mogen voorkomen. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van de artikelen 1 en 3 van de Wrakkenwet en artikel 5:31, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1398 text/xml public 2026-04-28T14:02:29 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 25/4753 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1398 text/html public 2026-04-28T14:02:01 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1398 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / 25/4753 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het vaartuig mocht verwijderen en dat de situatie in dit geval dermate spoedeisend was dat het college genoodzaakt was om onverwijld tot opruiming van het wrak over te gaan RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4753 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius), en het college van Dijkgraaf en Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (gemachtigde: mr. V. Apaydin). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het vaartuig van eiser dat is verwijderd op grond van de artikelen 1 en 3 van de Wrakkenwet. Volgens het college was onmiddellijke opruiming noodzakelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het vaartuig mocht verwijderen en dat de situatie in dit geval dermate spoedeisend was dat het college genoodzaakt was om onverwijld tot opruiming van het wrak over te gaan. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Bij aanplakbrief van 21 januari 2025 heeft het college medegedeeld dat het wrak op 21 januari 2025 is verwijderd. Hierbij is vermeld dat onverwijlde opruiming noodzakelijk werd geacht. 4. Bij besluit van 30 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college besloten dat onmiddellijke opruiming van een gezonken vaartuig in de Leidsche Rijn noodzakelijk was op grond van de Wrakkenwet. 5. Bij besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het advies van de commissie bezwaarschriften overgenomen en de motivering van het besluit aangevuld, waarbij het besluit in stand is gelaten. 6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 7. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Heeft het college het vaartuig terecht als wrak gekwalificeerd? 8. Eiser voert aan dat het college ten onrechte het vaartuig als wrak heeft gekwalificeerd in de zin van artikel 1 van de Wrakkenwet. Het college was daarom niet bevoegd om het vaartuig op te ruimen. Er stond water in het vaartuig, maar er was geen sprake van een gezonken vaartuig. Eiser was bezig om het vaartuig op te knappen. 9. De rechtbank is van oordeel dat het college het vaartuig terecht als wrak heeft gekwalificeerd. Gelet op de onder de gedingstukken bevindende rapportage en foto’s, mocht het college constateren dat het vaartuig vrijwel volledig onder water lag en niet meer drijvend was en daarmee gezonken. Op de foto’s is zichtbaar dat enkel het dak van de kajuit van het vaartuig nog boven water was. Dat het voertuig mogelijk gerepareerd kon worden of dat het nog zelfstandig kon drijven, maakt niet dat het vaartuig ten tijde van belang niet aangemerkt kon worden als wrak. Uit artikel 1 van de Wrakkenwet volgt niet dat relevant is of reparatie nog mogelijk is of dat nog sprake is van (zelfstandig) drijvend vermogen. Dat zou ook te ver strekken, omdat het college dan eerst in of onder water onderzoek zou moeten (laten) uitvoeren aan een vaartuig om vast te kunnen stellen of daadwerkelijk sprake is van een wrak. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college terecht geoordeeld dat onmiddellijke opruiming van het vaartuig noodzakelijk was? 10. Eiser voert aan dat er geen noodzaak bestond om het vaartuig direct te verwijderen middels spoedeisende bestuursdwang. Er was geen sprake van gevaarzetting, dan wel risico voor de vaarveiligheid. In de wintermaanden is er namelijk geen scheepvaart in de Leidsche Rijn en als die er wel was, dan had het vaartuig makkelijk gepasseerd kunnen worden aangezien het vaartuig vast lag aan wal. Het college had makkelijk de eigenaar kunnen achterhalen, dan had eiser binnen enkele dagen actie kunnen ondernemen. De situatie was niet dermate spoedeisend dat direct handelen van het college noodzakelijk was. Er zat ten tijde van de verwijdering geen motor in het vaartuig. Ook had eiser de olie verwijderd. Indien er olievlekken op de wateroppervlakte zichtbaar zijn geweest - hetgeen eiser betwist – dan is dit een minimale resthoeveelheid geweest . Er zijn geen metingen gedaan dat olie uit het vaartuig weglekte. Als er al olie lag, had het college een ‘oilwing’ rond het vaartuig kunnen plaatsen. Hiermee kan voorkomen worden dat olie zich verspreid. De losdrijvende onderdelen dreven binnen de boot en had het college aan de kant kunnen leggen. 11. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de situatie dermate spoedeisend was dat het genoodzaakt was om tot onmiddellijke opruiming van het vaartuig over te gaan. Het is mogelijk dat er op dat moment in het jaar weinig gevaren werd in de Leidsche Rijn, maar ook een kleine kans op gevaar moet door het college voorkomen worden. Daarnaast is het aannemelijk dat de olie op het water afkomstig is van de boot, gelet op de foto’s en het rapport. Hoewel de vloeistof een resthoeveelheid kan zijn geweest, mocht het college aannemen dat de vloeistof uit het voertuig lekte en een bedreiging vormde voor de aantasting van de waterkwaliteit. Dat komt omdat het vaartuig grotendeels onderwater lag, waardoor niet eenvoudig vastgesteld kon worden of er ook nog andere substanties uit het vaartuig konden lekken. Van het college kan niet verlangd worden dat ze nader onderzoek doen naar de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die in een vaartuig liggen, wanneer een vaartuig al gezonken is. Verder kunnen ook de losdrijvende onderdelen een gevaar vormen. Dat het college de (op dat moment) losdrijvende onderdelen op de kant had kunnen leggen, neemt niet weg dat op een later tijdstip andere onderdelen los hadden kunnen raken en dat onderdelen die nog binnen de boot dreven met enige stroming alsnog konden worden meegevoerd. Het college heeft een ergere situatie willen en mogen voorkomen. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van de artikelen 1 en 3 van de Wrakkenwet en artikel 5:31, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).