Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-01-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:137
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,111 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:137 text/xml public 2026-01-30T11:07:30 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-23 UTR 25/2443, UTR 25/2444, UTR 25/2440 en UTR 25/2446, UTR 25/2442 en UTR 25/2447 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2025:3763 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:137 text/html public 2026-01-22T12:30:23 2026-01-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:137 Rechtbank Midden-Nederland , 23-01-2026 / UTR 25/2443, UTR 25/2444, UTR 25/2440 en UTR 25/2446, UTR 25/2442 en UTR 25/2447 Omgevingswet. Beroepen ten aanzien van de invorderingsbesluiten (met betrekking tot eerder opgelegde lasten onder dwangsom) ongegrond. Beroepen ten aanzien van de verhoogde lasten onder dwangsom gegrond. STAB-adviezen. De gerealiseerde CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen op basis van druk en temperatuur kunnen in de huidige situatie niet als gelijkwaardige maatregel in de zin van artikel 4.483 van het Bal worden aangemerkt. Er is dus sprake van een overtreding. De overtreding van artikel 4.486 van het Bal in combinatie gelezen met voorschrift 5.1.1 van de PGS-richtlijn kan op een andere manier dan in de last is geformuleerd worden beëindigd. Naast het aanpassen van de bufferbehuizing of ervoor te zorgen dat er binnen een straal van 10 meter geen objecten worden geplaatst, kan de overtreding ook worden beëindigd door de directe omgeving van de bufferopslag en de afblaasventielen op de bufferopslag in overeenstemming te brengen met de overzichtstekeningen die als bijlagen 1 en 2 bij deze uitspraak zijn gevoegd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en vult de verhoogde lasten onder dwangsom aan. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 25/2443 (verhoogde last onder dwangsom [eiseres 1] B.V.); UTR 25/2444 (verhoogde last onder dwangsom [eiseres 2] B.V.); UTR 25/2440 en UTR 25/2446 (invorderingsbesluiten [eiseres 1] B.V.); UTR 25/2442 en UTR 25/2447 (invorderingsbesluiten [eiseres 2] B.V.) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaken tussen [eiseres 1] B.V. en [eiseres 2] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseressen (gemachtigde: mr. F. Krol-Postma), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college (gemachtigde: M. Venema). Waar gaat de zaak over? 1. Deze einduitspraak heeft betrekking op twee verhoogde lasten onder dwangsom en vier eerder opgelegde invorderingsbesluiten. Deze besluiten hebben betrekking op een door het college geconstateerde overtreding bij het tankstation aan [adres] in Almere. De op 14 maart 2025 opgelegde verhoogde lasten houden in dat eiseressen binnen twee weken de geconstateerde overtreding moeten beëindigen door de CNG-bufferopslag in overeenstemming te brengen met de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het Bal). Eiseressen vinden dat er geen sprake is van een overtreding. De CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel in de zin van artikel 4.483 van het Bal. Procesverloop 1.1. Op 23 oktober 2024 heeft het college een last onder dwangsom aan eiseressen opgelegd in verband met overtreding van artikel 4.486 van het Bal. De dwangsom bedraagt € 3.750,- wanneer na het verstrijken van de begunstigingstermijn van acht weken de overtreding niet is beëindigd. Voor elke vier weken dat de overtreding voortduurt, verbeuren eiseressen een dwangsom van € 3.750,- met een maximum van € 7.000,-. Eiseressen hebben geen rechtsmiddelen tegen deze besluiten ingesteld. 1.2. Het college heeft in twee invorderingsbesluiten van 18 februari 2025 een bedrag van € 3.750,- van beide eiseressen afzonderlijk gevorderd. Daarnaast heeft het college in twee invorderingsbesluiten van 18 maart 2025 een bedrag van € 3.250,- van eiseressen gevorderd, waarmee het maximum van beide lasten is bereikt. 1.3. Op 14 maart 2025 heeft het college twee verhoogde lasten onder dwangsom aan eiseressen opgelegd in verband met dezelfde overtreding. Eiseressen moeten de overtreding beëindigen door de toegepaste buffer-/compressor behuizing (van de CNG-opslag) aan te passen zodat deze een brandwerendheid heeft van 60 minuten conform de NEN 6069. Eiseressen kunnen de overtreding ook beëindigen door in een straal van 10 meter om de buffer/compressor geen objecten neer te zetten. De dwangsom bedraagt € 11.250,- wanneer na het verstrijken van de begunstigingstermijn van twee weken de overtreding niet is beëindigd. Voor elke twee weken dat de overtreding voortduurt, verbeuren eiseressen een dwangsom van € 11.250,-, met een maximum van € 22.500,-. Eiseressen hebben hier bezwaar tegen gemaakt. 1.4. Op 18 maart 2025 hebben eiseressen de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft deze verzoeken op 1 april 2025 op zitting behandeld. Op deze zitting heeft de rechtbank met partijen afgesproken dat: verzoeksters met instemming van het college rechtstreeks beroep zullen instellen; de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) zal vragen om advies uit te brengen. 1.5. Eiseressen hebben met instemming van het college op 8 april 2025 rechtstreeks beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben op 11 april 2025 inhoudelijke beroepsgronden ingediend. 1.6. De voorzieningenrechter heeft op 15 april 2025 uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak de twee verhoogde lasten onder dwangsom op basis van een belangenafweging geschorst tot 17 juli 2025. Deze voorziening is tevens gekoppeld aan het ingestelde rechtstreekse beroep door eiseressen. 1.7. Op 12 juni 2025 heeft de STAB een advies uitgebracht. Vervolgens heeft er op 3 juli 2025 een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft op 23 juli 2025 een tussenuitspraak gedaan (de tussenuitspraak) waarin zij: - eiseressen de opdracht heeft gegeven om binnen vier weken nadere informatie aan te leveren; de STAB de opdracht heeft gegeven om een nader advies uit te brengen; de verhoogde lasten onder dwangsom heeft geschorst tot de datum van de (eind)uitspraak van de rechtbank. 1.8. Op 19 augustus 2025 hebben eiseressen een rapport “OG Clean Fuels opslag PGS 25 [adres] Almere, Modelberekeningen brandscenario’s” van Peutz van 1 augustus 2025 ingebracht. Op 1 september 2025 heeft Peutz schriftelijk vragen van de STAB beantwoord. Op 24 september 2025 heeft de STAB een conceptadvies naar partijen gestuurd. Eiseressen en het college hebben hier op 8 oktober 2025 op gereageerd. Het college heeft bij zijn reactie een brief van het Landelijk Expertiseteam Industriële Veiligheid van 6 oktober 2025 gevoegd. 1.9. Op 17 oktober 2025 heeft de STAB een definitief advies uitgebracht. 1.10. Op 5 november 2025 heeft het onderzoek op de zitting plaatsgevonden. Hieraan hebben deelgenomen: mw. [A] namens eiseres [eiseres 1] B.V, dhr. [B] namens eiseres [eiseres 2] B.V, de gemachtigde van eiseressen en ir. [C] als (partij)deskundige namens Peutz. Namens het college zijn verschenen de gemachtigde, dhr. [D] , toezichthouder bij de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (Omgevingsdienst), dhr. [E] , specialist externe veiligheid bij de Omgevingsdienst en dhr. [F] , in dienst bij de brandweer. Verder is namens OG Clean Fuels verschenen mr. [G] , gemachtigde. Namens de STAB zijn ing. [H] en mr. [I] op de zitting verschenen. Het onderzoek is op de zitting gesloten. Overwegingen Tussenuitspraak 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Kern van het geschil 3. Zoals ook in de tussenuitspraak uiteen is gezet, is de kern van het geschil in deze zaak de vraag of er sprake is van een overtreding.
Volledig
Partijen verschillen van mening of de gerealiseerde CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen als een gelijkwaardige maatregel in de zin van het Bal kan worden aangemerkt. Voor de beantwoording van de vraag of de CNG-bufferopslag zoals deze is gerealiseerd, kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel, heeft de rechtbank de STAB als deskundige in deze zaak benoemd. Toetsingskader 4. In deze zaak is de Omgevingswet met de bijbehorende regelgeving, waaronder het Bal, van toepassing. 4.1. Het Bal bevat inhoudelijke regels over het tanken van CNG. In artikel 4.486 is bepaald dat met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij het tanken van CNG een bufferopslag moet voldoen aan (de richtlijn) PGS 25. Uit de Omgevingsregeling volgt dat het hierbij gaat om de versie “PGS 25: Aardgasafleverinstallaties voor motorvoertuigen. Richtlijn voor de arbeidsveilige, milieuveilige en brandveilige toepassing van installaties voor het afleveren van aardgas aan motorvoertuigen”(versie 1.0, augustus 2021), hierna: PGS-richtlijn. 4.2. Artikel 4.483 van het Bal bepaalt dat wanneer een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op maatregelen als bedoeld in artikel 4.486 van het Bal een toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet niet is vereist, maar van tevoren moet worden gemeld. 4.3. Paragraaf 5 van de PGS-richtlijn bevat voorschriften voor een bufferopslag van aardgas. Voorschrift 5.1.1 bepaalt: De vloer en ondersteunende constructie van de bufferopslag moeten een brandwerendheid bezitten van 60 min volgens NEN 6069. En: De brandwerendheid van eventuele toegepaste buffer-/compressorbehuizing moet 60 min zijn, bepaald volgens NEN 6069. Behalve in deuren, kozijnen en dakconstructies mogen geen brandbare metalen zijn verwerkt. De advisering door de STAB 4.4. De STAB heeft in haar advisering de werking van de CNG-bufferopslag feitelijk uiteengezet, wat voor de leesbaarheid van deze uitspraak en de begrijpelijkheid ervan hieronder eerst (verkort) wordt weergegeven. Werking van de CNG-bufferopslag 4.5. De CNG-bufferopslag en compressor bevinden zich in een zeecontainer van gegolfd koolstofstaal. De bufferopslag bestaat uit 18 stalen drukhouders (hierna: gasflessen) van elk 80 liter die in stalen rekken liggen. In deze gasflessen is het gecomprimeerde aardgas opgeslagen bij 250 tot maximaal 280 bar. De bufferopslag is voorzien van twee afblaasvoorzieningen voor het opgeslagen gecomprimeerde aardgas, die in het geval van een calamiteit, zoals een externe brand, in werking kunnen treden. 4.6. De eerste afblaasvoorziening wordt geactiveerd op basis van druk in de gasflessen en beschermt tegen overdruk van het systeem. Op het moment dat de druk in de gasflessen hoger wordt dan 314 bar, dan wordt het gas uit de gasflessen afgeblazen naar de buitenlucht tot de werkdruk van 280 bar. Deze voorziening betreft een veiligheidsklep die werkt met een drukveer. In het geval de druk in de bufferopslag weer oploopt tot boven de 314 bar, opent de veiligheidsklep opnieuw en wordt een hoeveelheid gas afgeblazen tot de druk is gedaald tot 280 bar. Er is sprake van met tussenpozen, zogenoemd intermitterend afblazen van gas, waarbij niet al het gas in één keer wordt afgeblazen. Voor het afblazen van het gas naar de buitenlucht zijn op de bufferopslag (westzijde) twee blaasventielen aangebracht waaruit het gas vrijkomt. Deze bevinden zich ruim drie meter boven maaiveld. 4.7. De tweede afblaasvoorziening wordt geactiveerd op basis van temperatuur in de bufferopslag. Op het moment dat de temperatuur in de container stijgt boven de 110 graden Celsius dan wordt het gas naar de buitenlucht afgeblazen. Deze voorziening werkt met een bimetaal. Bij een temperatuur van boven de 110 graden Celsius zal het bimetaal vervormen en de veiligheidsklep openen. Al het aanwezige gas zal op dat moment worden afgeblazen naar de buitenlucht. Er is bij deze afblaasvoorziening dus geen sprake van intermitterend afblazen van gas. 4.8. De afblaasvoorzieningen werken onafhankelijk van elkaar. Volgens de STAB hebben deze voorzieningen een hoog niveau van betrouwbaarheid omdat voor het in werking stellen van de veiligheidsfunctie geen elektriciteit of elektronica nodig is. Conclusies van de STAB over gelijkwaardigheid 4.9. De STAB heeft in haar advies van 12 juni 2025 en ook op de zitting van 3 juli 2025 toegelicht dat het principe van de bufferopslag met afblaasvoorzieningen op basis van druk en temperatuur als een gelijkwaardige maatregel zou kunnen worden aangemerkt. 4.10. Met het afblazen van het aardgas wordt volgens de STAB echter een nieuw risico geïntroduceerd. Dit risico bestaat er uit dat door een externe brand de temperatuur in de container in zeer korte tijd (4 minuten) zal stijgen naar boven de 110 graden Celsius waardoor de afblaasvoorziening (geregeld op basis van temperatuur) snel in werking treedt en de gehele gasinhoud van de opslag in zeer korte tijd afblaast. Het aardgas dat wordt afgeblazen, kan worden ontstoken als dit afblazen niet op een veilige plaats gebeurt. Het belang van het afblazen op een veilige plaats is in deze situatie groter, omdat de volledige inhoud van de bufferopslag zal worden afgeblazen. Het ontsteken van aardgas kan leiden tot een fakkelbrand wat een nieuw risico tot gevolg heeft voor de omgeving, wat niet is onderzocht. Aldus komt de STAB tot de conclusie dat de CNG-bufferopslag in dit geval niet als een gelijkwaardige maatregel kan worden aangemerkt. 4.11. Naar aanleiding van de tussenuitspraak hebben eiseressen een rapport “OG Clean Fuels opslag PGS 25 [adres] Almere, Modelberekeningen brandscenario’s” van Peutz van 1 augustus 2025 ingebracht (hierna: het rapport van Peutz). In het rapport van Peutz is aan de hand van diverse modelberekeningen onderbouwd dat op basis van een meest kritisch scenario voor een externe brand, de afblaasvoorziening op basis van temperatuur niet in werking zal treden, omdat de temperatuur in de bufferopslag niet boven de 110 graden Celsius zal stijgen. Zoals ook op de zitting van 5 november 2025 is toegelicht, kan de STAB deze conclusie volgen. Echter, de STAB constateert dat de in het rapport van Peutz gehanteerde afstand tussen het dichtst nabij gelegen laadpunt voor elektrische auto’s en de CNG-bufferopslag niet overeenstemt met de feitelijke situatie op het terrein van het tankstation. Er kan namelijk op kortere afstand worden geladen dan waarvan in de berekeningen is uitgegaan. Dit maakt dat de STAB ook in het advies van 17 oktober 2025 bij haar conclusie blijft dat niet is uitgesloten dat bij een externe brand de temperatuur in de bufferopslag tot boven de 110 graden Celsius oploopt waardoor de gehele inhoud van het aardgas in de bufferopslag wordt afgeblazen. In dat geval blijft sprake van het introduceren van een nieuwe risicobron, waardoor de bufferopslag niet als een gelijkwaardige maatregel kan worden aangemerkt. 4.12. Daarnaast merkt de STAB op dat het intermitterend afblazen van het aardgas op basis van druk kan plaatsvinden voordat de bufferopslag een temperatuur van 110 graden Celsius bereikt. Alhoewel dit een veel kleinere hoeveelheid aardgas zal zijn, zijn de afblaasventielen binnen het berekende invloedsgebied van het vlamlichaam gelegen. Hierdoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat er bij het afblazen van het aardgas geen ontsteking zal plaatsvinden. Ook hiermee wordt er een nieuw risico geïntroduceerd, wat niet kan worden uitgesloten. 4.13. In aanvulling op deze conclusies merkt de STAB op dat indien het in de feitelijke situatie fysiek onmogelijk wordt gemaakt om op kortere afstand dan 4,75 meter een auto te parkeren en de afblaasventielen van de bufferopslag worden verplaatst en verhoogd, er sprake is van een andere situatie. Door het verplaatsen en verhogen van de afblaasvoorzieningen tot 5,2 meter boven maaiveld wordt de kans op ontsteking van het af te blazen aardgas verwaarloosbaar klein zoals blijkt uit de door Peutz overgelegde berekeningen. Indien de bufferopslag op deze wijze wordt aangepast, wordt het risico van het (intermitterend) afblazen volgens de STAB gemitigeerd.
Volledig
Dit betekent dat in die situatie de bufferopslag met afblaasvoorzieningen als gelijkwaardige maatregel kan worden aangemerkt. Standpunten van partijen 4.14. Het college heeft op de zitting uiteengezet dat het principe van de bufferopslag naar zijn mening nimmer kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel. De brandwerendheid van de bufferbehuizing is volgens de PGS-richtlijn bedoeld als een preventieve maatregel. Er is volgens het college geen andere (gelijkwaardige) preventieve maatregel gerealiseerd in de CNG-bufferopslag. Het systeem van afblazen op basis van druk en temperatuur zijn volgens het college repressieve of mitigerende maatregelen om de gevolgen van een ongewenste situatie: het vrijkomen van het gas, te beperken. Met het systeem van afblaasvoorzieningen kan volgens het college dus nimmer een gelijkwaardig resultaat worden bereikt. Daarbij wijst het college er op dat het treffen van een afblaasvoorziening reeds is vereist op basis van voorschrift 7.3.2 van de PGS-richtlijn. Het ontbreken van een gelijkwaardige maatregel voor de brandwerendheid van de bufferopslag zal betekenen dat de temperatuur in de bufferopslag sneller (dan in 60 minuten) zal oplopen, waardoor de afblaasvoorzieningen eerder in werking zullen treden en waardoor sprake kan zijn van escalatie, voordat de brandweer ter plaatse is. Daarmee wordt een nieuw gevaar geïntroduceerd. Het college heeft in dit verband ook gewezen op de brief van Landelijk Expertisecentrum Industriële Veiligheid (LEC IV) van 6 oktober 2025 die het concept-verslag van de STAB heeft beoordeeld en het standpunt van het college deelt. Het college is het niet eens met de conclusies van de STAB in het definitieve verslag dat het risico door het afblazen van het aardgas aanpassing van de situering van de afblaasventielen gemitigeerd kan worden. Deze conclusies van de STAB zijn niet opnieuw aan het LEC IV voorgelegd. 4.15. Eiseressen zijn het eens met de conclusie van de STAB dat het principe van de bufferopslag met afblaasvoorzieningen kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel. Peutz zet in de rapportages uiteen dat hoewel de bufferbehuizing niet 60 minuten brandwerend is, de wanden van de container een groot deel van de warmtestraling van de brand weren, waardoor de temperatuur relatief langzaam zal stijgen. Zoals de deskundige van Peutz ter zitting heeft uitgelegd, biedt de bufferopslag bestaande uit een container met enigszins warmtewerende wanden in combinatie met de beide afblaasvoorzieningen een gelijkwaardige oplossing voor de maatregelen die op grond van voorschrift 5.1.1 uit de PGS-richtlijn zijn voorgeschreven. De aanpassingen zoals voorgesteld door de STAB zijn naar mening van eiseressen niet nodig, omdat er geen sprake is van de introductie van een nieuw risico. Mocht de rechtbank dat anders zien, dan zijn zij bereid deze aanpassingen te doen. 5. Beoordeling rechtbank 5.1. De rechtbank zal aan de hand van wat partijen in reactie op het STAB-advies naar voren hebben gebracht, bezien of zij de STAB kan volgen in haar conclusies. Vervolgens zal zij de overige beroepsgronden van eiseressen tegen de besluiten bespreken. 5.2. Zoals de rechtbank op de zitting heeft uitgelegd, is het vaste rechtspraak dat de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van de STAB, nu zij als onafhankelijke deskundige door de rechtbank is benoemd. Dat is slechts anders als dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Vertrekpunt voor de beoordeling van de rechtbank of er in dit geval sprake is van een gelijkwaardige maatregel, is dan ook de advisering door de STAB op dit punt. Toetsingskader gelijkwaardigheid 5.3. Partijen zijn het erover eens dat het treffen van een gelijkwaardige maatregel voor voorschrift 5.1.1 van de PGS-richtlijn is toegestaan. Dat volgt ook uit de systematiek van de PGS-richtlijn. Uit paragraaf 1.6 van de PGS-richtlijn volgt dat een andere dan de beschreven maatregel mogelijk is, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid. 5.4. Hoe inhoudelijk moet worden beoordeeld of sprake is van een gelijkwaardige maatregel, wordt in de PGS-richtlijn niet verder uitgewerkt. Voor de beoordeling van gelijkwaardigheid kan de handreiking “Beoordeling gelijkwaardigheid PGS-maatregelen” (hierna: handreiking gelijkwaardigheid) als hulpmiddel worden gebruikt. Ook al is deze handreiking opgesteld in het kader van de aankomende, nieuwe PGS-richtlijn, staat tussen partijen niet ter discussie dat de handreiking kan worden gebruikt als hulpmiddel bij de beantwoording van de vraag naar gelijkwaardigheid van een maatregel. Volgens deze handreiking is een gelijkwaardige maatregel een maatregel waarmee ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als de wetgever met de voorgeschreven maatregel heeft beoogd. Het gaat daarbij om het doel van de voorgeschreven maatregel. Het uitgangspunt is verder dat bij de toepassing van een gelijkwaardige maatregel het totale risico gelijk blijft of lager wordt. Er mogen geen nieuwe (onbeheerste) risico’s worden geïntroduceerd, tenzij deze afdoende worden gemitigeerd. Gelijkwaardigheid: doel voorschrift 5.1.1 5.5. Het opslaan van gecomprimeerd aardgas in gasflessen leidt tot specifieke risico’s voor de omgeving en hulpdiensten, met name in het geval blootstelling aan brand. Hierbij gaat het om het vrijkomen van het zeer licht ontvlambare aardgas dat onder hoge druk is opgeslagen in gasflessen en/of explosie van deze gasflessen. 5.6. De STAB zet in de beoordeling van de gelijkwaardigheid voorop dat volgens de handreiking gelijkwaardigheid gekeken moet worden naar het doel van de in voorschrift 5.1.1 opgenomen maatregel(en). Beoordeeld moet worden of met de CNG-bufferopslag zoals deze is gerealiseerd, hetzelfde resultaat wordt bereikt, waarbij wordt betrokken of er nieuwe risico’s worden geïntroduceerd. 5.7. Met voorschrift 5.1.1 uit de PGS-richtlijn wordt volgens de STAB beoogd dat in het scenario van een externe brand gedurende 60 minuten in ieder geval direct vlamcontact wordt voorkomen en de installatie en behuizing niet wordt blootgesteld aan een warmtestraling van meer dan 10 kW/m². Zo wordt door de brandwerendheid van de bufferbehuizing voorkomen dat de draagconstructie van de bufferopslag verzwakt. Met de brandwerendheid van de vloer/draagconstructie wordt voorkomen dat deze draagconstructie als gevolg van een externe brand faalt, waardoor de gasflessen loskomen en de appendages beschadigen, wat kan leiden tot het vrijkomen van het gas. 5.8. Deze 60 minuten brandwerendheid kan niet voorkomen dat uiteindelijk een temperatuur ontstaat binnen de behuizing die kan leiden tot een te hoge druk in de gasflessen. Daarom moet volgens voorschrift 5.3.1 een afblaasvoorziening aanwezig zijn die wordt aangesproken bij een temperatuur boven de 400 graden Celsius. Binnen het beschermingsniveau van de PGS-richtlijn is dus al sprake van een verplichte afblaasvoorziening, maar op een kleinere schaal en met een ander doel, aldus de STAB. Voorschrift 7.3.2 schrijft verder voor dat afblazen op een veilige locatie moet plaatsvinden, omdat anders een fakkelbrand kan ontstaan, die op zichzelf een risico verhogend effect heeft. Kan het principe van de bufferopslag als gelijkwaardige maatregel worden aangemerkt? 5.9. De STAB heeft in haar advisering en op de zitting uitgelegd dat de brandwerendheid van de bufferbehuizing (en ook de dragende constructie) moet voorkomen dat de bufferopslag bezwijkt en de gasflessen met inhoud worden blootgesteld aan direct vlamcontact met alle gevolgen van dien. Partijen hebben niet naar voren gebracht dat het doel van voorschrift 5.1.1 van de PGS-richtlijn, zoals dat in het STAB-advies is verwoord, onjuist is. De rechtbank kan dit, mede gelet toelichting van de STAB op de zittingen, volgen. 5.10.
Volledig
De gelijkwaardige maatregel die is beoordeeld, bestaat uit een combinatie van de container met een behuizing met enige thermische wering, en afblaasvoorzieningen op basis van druk en temperatuur. Het mechanisme van deze afblaasvoorzieningen verschilt volgens de STAB duidelijk met de afblaasvoorziening als bedoeld in voorschrift 5.3.1 van de PGS-richtlijn. 5.11. De STAB heeft uitgelegd dat de afblaasvoorzieningen (op basis van temperatuur en druk) in combinatie met de thermische isolatie van de containerwand een (preventieve) maatregel is die op zichzelf beschouwd kan voorkomen dat de bufferopslag bezwijkt door thermische belasting of te hoge druk binnen de container en daarmee direct vlamcontact met de opgeslagen gasflessen en/of kritische installatie-onderdelen voorkomt. Daarmee wordt het doel van de maatregelen uit voorschrift 5.1.1 van de PGS-richtlijn volgens de STAB bereikt. 5.12. Het college heeft verder naar voren gebracht dat door het eerder (intermitterend) afblazen van het gas op basis van druk volgens hem een nieuw (onbeheerst) risico wordt geïntroduceerd. De beoordeling hiervan is zeker relevant in het kader van de vraag naar de gelijkwaardigheid van de maatregel. Dit zou immers tot de conclusie kunnen leiden dat het resultaat van de maatregel niet gelijkwaardig is, omdat er een nieuw risico wordt geïntroduceerd en dus het totale risico niet gelijk blijft. Dit is echter geen omstandigheid om het principe van de bufferopslag al op voorhand af te wijzen en niet op de inhoud te beoordelen. Immers, de handreiking gelijkwaardigheid bepaalt dat ook de introductie van een nieuw risico de gelijkwaardigheid van de maatregel niet uitsluit, zo lang dit risico wordt gemitigeerd. 5.13. Aldus volgt de rechtbank het uitgangspunt van de STAB dat de bufferopslag met afblaasvoorzieningen (op basis van temperatuur en druk) in combinatie met de thermische isolatie van de containerwand een maatregel is die op zichzelf beschouwd kan voorkomen dat de bufferopslag bezwijkt en daarmee direct vlamcontact met opgeslagen gasflessen en/of kritische installatie-onderdelen in de bufferopslag voorkomt. Met de combinatie van maatregelen in de bufferopslag kan het doel van de maatregelen uit voorschrift 5.1.1 van de PGS-richtlijn in beginsel worden bereikt. Op de vraag of door de werking van de bufferopslag, in het bijzonder het (eerder) afblazen van het aardgas, een nieuw risico wordt geïntroduceerd, zal de rechtbank vervolgens ingaan. Introductie van een nieuw risico? 5.14. Zoals hiervoor uiteen is gezet, blijft de STAB in haar advies van oktober 2025 bij haar conclusie dat de CNG-bufferopslag zoals deze nu is gerealiseerd, niet als een gelijkwaardige maatregel kan worden aangemerkt. Echter, in aanvulling op deze conclusie merkt de STAB op dat indien eiseressen de feitelijke situatie rondom de bufferopslag aanpassen én de afblaasventielen verplaatsen en verhogen, zij de conclusies van het rapport van Peutz kan volgen dat het risico dat met het afblazen van het aardgas wordt geïntroduceerd, wordt gemitigeerd. In die situatie zou er volgens de STAB sprake zijn van een gelijkwaardige maatregel. 5.15. Het college is het niet eens met de conclusie van de STAB dat na feitelijke aanpassingen aan en nabij de bufferopslag er sprake is van een gelijkwaardige maatregel. Volgens het college zal met het afblazen van het aardgas een nieuw risico worden geïntroduceerd. Ook na de door de STAB voorgestelde aanpassingen, staat volgens het college niet vast dat het risico gemitigeerd wordt. Hij heeft op de zitting een aantal technische uitgangspunten die de STAB heeft gehanteerd, bestreden. 5.16. Eiseressen zijn van mening dat de CNG-bufferopslag ook in de huidige situatie kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel. Zij zijn echter bereid om de door de STAB voorgestelde aanpassingen aan en nabij de bufferopslag uit te voeren. Zij hebben voorafgaand aan de zitting desgevraagd op tekeningen inzichtelijk gemaakt hoe deze aanpassingen er feitelijk uit zouden zien. Deze overzichtstekeningen zijn als bijlagen 1 en 2 bij deze uitspraak gevoegd. 5.17. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van de introductie van een nieuw risico en of dit risico voldoende wordt gemitigeerd zijn er een aantal (technische) uitgangspunten relevant. Nu beide partijen het niet eens zijn met de conclusies van de STAB op dit punt, zal de rechtbank de (technische) uitgangspunten waarover discussie bestaat, bespreken en bezien of in de argumenten van partijen aanleiding geven om het STAB-advies niet aan haar oordeelsvorming ten grondslag te leggen. Uitgangspunten STAB-advies 5.18. Partijen zijn het met elkaar eens dat voor de beoordeling of er een nieuw risico wordt geïntroduceerd, moet worden uitgegaan van een realistisch scenario voor een externe brand. Partijen zijn het er ook over eens dat het meest kritische brandscenario bestaat uit drie tegelijk brandende elektrische SUV-auto’s op de drie meest nabij de bufferopslag gelegen opstelvakken voor elektrisch laden. Peutz heeft berekend dat de behuizing van de CNG-bufferopslag in dit scenario wordt blootgesteld aan een warmtestralingsbelasting die circa 13 kW/m² bedraagt. Ter zitting is vastgesteld dat deze warmtebelasting een goed uitgangspunt vormt om de gelijkwaardigheid van de maatregel te beoordelen en is daarmee niet langer in discussie tussen partijen. 5.19. Uitgangspunten die wel ter discussie staan én relevant zijn voor de beoordeling of er een nieuw risico wordt geïntroduceerd, zijn (1) het temperatuurverloop in de bufferopslag (en daarmee samenhangend het moment dat de afblaasvoorzieningen in werking zullen treden), (2) de hoeveelheid aardgas die de bufferopslag in het geval van een externe brand zal afblazen en (3) of door het afblazen van het aardgas een risico op fakkelbrand kan ontstaan en zo ja, of dit risico gemitigeerd kan worden. Deze drie punten zal de rechtbank achtereenvolgens bezien. Temperatuurstijging in de bufferopslag (1) 5.20. Peutz heeft op basis van het meest kritische brandscenario berekend dat de temperatuur van de lucht in de CNG-bufferopslag oploopt tot bijna 95 graden Celsius. Door de afschermende werking van de stalen containerwand blijft de temperatuurstijging beperkt. Peutz heeft dit onderbouwd met gegevens uit rapporten van de Europese Commissie en het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV). Nu de afblaasvoorziening op basis van temperatuur niet eerder afblaast dan nadat een temperatuur van 110 graden Celsius wordt bereikt, zal deze afblaasvoorziening in principe niet in werking treden. De totale hoeveelheid aardgas in de bufferopslag zal dus niet in één keer worden afgeblazen. 5.21. De STAB heeft in het nader rapport en op de zitting toegelicht dat zij op grond van de onderbouwde modelberekeningen van Peutz kan volgen dat de temperatuur in de bufferopslag niet verder dan tot 95 graden Celsius zal oplopen. Verder heeft de STAB op de zitting van 5 november 2025 uitgelegd dat de temperatuurberekeningen in het rapport van de US Coastguard, waar de STAB in het rapport van 12 juni 2025 naar refereert, ongeveer vergelijkbaar zijn met de berekeningen uit het NIPV-rapport. De STAB constateert echter in het rapport van oktober 2025 dat de feitelijke situatie rondom de bufferopslag afwijkt van de situatie waarmee Peutz heeft gerekend. Er kan namelijk op kortere afstand van de bufferopslag worden geparkeerd om te laden. Als gevolg daarvan is in de modelberekeningen van Peutz met een te lage warmtestraling op de bufferopslag gerekend, waardoor niet kan worden uitgesloten dat de temperatuur in de bufferopslag stijgt tot boven de 110 graden Celsius en de gehele inhoud van de bufferopslag tóch wordt afgeblazen. Het afblazen van de gehele inhoud kan paniek in de omgeving veroorzaken vanwege het zeer hoge geluidsniveau waarmee dit afblazen gepaard gaat. 5.22. Het college heeft op de zitting betoogd dat een temperatuur van 95 graden Celsius te dicht bij een temperatuur van 110 graden Celsius ligt en dat de situatie anders is als de temperatuurstijging in de bufferopslag tot bijvoorbeeld 50 graden Celsius beperkt zou blijven. Verder levert het onderzoek van Peutz volgens het college te veel onzekerheden op.