Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-06
ECLI:NL:RBMNE:2025:948
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,396 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3039
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
en
het Centraal Justitieel Incassobureau, verweerder
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroepschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die in beroep gaat, moet een kopie van het besluit indienen waar hij/zij het niet mee eens is en aangeven waarom hij het niet eens is met dat besluit (de gronden van het beroep). Dit staat in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt, is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het besluit of de gronden niet zijn ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waaraan eiser niets kan doen.
3. Eiser heeft op 16 april 2024 beroep ingediend bij de rechtbank. Op het formulier heeft eiser onder het kopje “Reden om in beroep te gaan” geschreven “De beslissing is niet op tijd genomen”. De rechtbank heeft eiser op 28 november 2024 een brief gestuurd, waarin staat dat eiser in beroep is gegaan tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank heeft in de brief de ontvangst van het beroepschrift heeft bevestigd. Ook staat in die brief dat het beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 24/3039. Verder staat in die brief dat eiser binnen twee weken een kopie moet opsturen van de aanvraag of het bezwaarschrift waarop niet tijdig is beslist en van de gronden van het beroep. Eiser heeft op 30 januari 2025 de rechtbank laten weten dat hij er niet achter kan komen tegen welke beslissing deze zaak is ingediend en verzocht om de zaak meer toe te lichten. Eiser heeft hierbij het zaaknummer UTR 24/3039 vermeld. De rechtbank heeft eiser op 22 januari 2025 opnieuw een brief gestuurd met zaaknummer UTR 24/3039 waarin staat dat hij uiterlijk op 5 februari 2025 een kopie moet opsturen van de aanvraag waarop niet tijdig is beslist. Eiser heeft niet op deze brief gereageerd.
4. De rechtbank overweegt dat aan eiser de ontvangst van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is bevestigd en dat daarbij het zaaknummer is vermeld. Eiser heeft dit zaaknummer ook gebruikt in zijn correspondentie met de rechtbank, toen hij de rechtbank verzocht om meer toelichting over welk besluit de zaak gaat. De rechtbank heeft echter juist aan eiser gevraagd om een kopie van de aanvraag of het bezwaarschrift op te sturen waarop niet tijdig is beslist. De rechtbank kan daarom niet aangeven waarover deze zaak gaat. De rechtbank heeft aan eiser de ontvangst van het beroep bevestigd, daarbij het zaaknummer heeft vermeld waaronder het beroep is geregistreerd en daarbij ook heeft vermeld dat het gaat om een beroep wegens niet tijdig beslissen. In de correspondentie tussen eiser en de rechtbank is steeds hetzelfde zaaknummer gehanteerd. Daarmee moet het voor eiser duidelijk zijn geweest dat het ging om zijn beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Welk besluit dat is, is voor de rechtbank niet bekend. Het is juist aan eiser om daar duidelijkheid over te geven. Dat heeft eiser echter niet gedaan.
5. De rechtbank stelt verder vast dat eiser ook niet heeft aangegeven waarom hij het niet eens is met het besluit (de gronden van het beroep).
6. De rechtbank zal het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb).
7. Van een vergoeding van proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W. van Eerden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2025.
de griffier is verhinder de uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3039
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
en
het Centraal Justitieel Incassobureau, verweerder
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroepschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die in beroep gaat, moet een kopie van het besluit indienen waar hij/zij het niet mee eens is en aangeven waarom hij het niet eens is met dat besluit (de gronden van het beroep). Dit staat in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt, is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het besluit of de gronden niet zijn ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waaraan eiser niets kan doen.
3. Eiser heeft op 16 april 2024 beroep ingediend bij de rechtbank. Op het formulier heeft eiser onder het kopje “Reden om in beroep te gaan” geschreven “De beslissing is niet op tijd genomen”. De rechtbank heeft eiser op 28 november 2024 een brief gestuurd, waarin staat dat eiser in beroep is gegaan tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank heeft in de brief de ontvangst van het beroepschrift heeft bevestigd. Ook staat in die brief dat het beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 24/3039. Verder staat in die brief dat eiser binnen twee weken een kopie moet opsturen van de aanvraag of het bezwaarschrift waarop niet tijdig is beslist en van de gronden van het beroep. Eiser heeft op 30 januari 2025 de rechtbank laten weten dat hij er niet achter kan komen tegen welke beslissing deze zaak is ingediend en verzocht om de zaak meer toe te lichten. Eiser heeft hierbij het zaaknummer UTR 24/3039 vermeld. De rechtbank heeft eiser op 22 januari 2025 opnieuw een brief gestuurd met zaaknummer UTR 24/3039 waarin staat dat hij uiterlijk op 5 februari 2025 een kopie moet opsturen van de aanvraag waarop niet tijdig is beslist. Eiser heeft niet op deze brief gereageerd.
4. De rechtbank overweegt dat aan eiser de ontvangst van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is bevestigd en dat daarbij het zaaknummer is vermeld. Eiser heeft dit zaaknummer ook gebruikt in zijn correspondentie met de rechtbank, toen hij de rechtbank verzocht om meer toelichting over welk besluit de zaak gaat. De rechtbank heeft echter juist aan eiser gevraagd om een kopie van de aanvraag of het bezwaarschrift op te sturen waarop niet tijdig is beslist. De rechtbank kan daarom niet aangeven waarover deze zaak gaat. De rechtbank heeft aan eiser de ontvangst van het beroep bevestigd, daarbij het zaaknummer heeft vermeld waaronder het beroep is geregistreerd en daarbij ook heeft vermeld dat het gaat om een beroep wegens niet tijdig beslissen. In de correspondentie tussen eiser en de rechtbank is steeds hetzelfde zaaknummer gehanteerd. Daarmee moet het voor eiser duidelijk zijn geweest dat het ging om zijn beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Welk besluit dat is, is voor de rechtbank niet bekend. Het is juist aan eiser om daar duidelijkheid over te geven. Dat heeft eiser echter niet gedaan.
5. De rechtbank stelt verder vast dat eiser ook niet heeft aangegeven waarom hij het niet eens is met het besluit (de gronden van het beroep).
6. De rechtbank zal het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb).
7. Van een vergoeding van proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W. van Eerden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2025.
de griffier is verhinder de uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.