Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-09
ECLI:NL:RBMNE:2025:87
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,910 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2710
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Weijer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).
Inleiding
1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht het verzoek van eiser om terug te komen van het eerdere besluit van 4 november 2013 heeft afgewezen. Eiser vindt van niet, omdat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van eisers beroepsgronden.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1.1.
Eiser is werkzaam geweest als [functie] voor 31,75 uur per week. Hij heeft zich op 9 november 2011 ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser op 1 augustus 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
Met het besluit van 4 november 2013 heeft het Uwv aan eiser medegedeeld dat hij met ingang van 6 november 2013 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft bezwaar en later beroep ingesteld tegen het besluit van 4 november 2013.
1.3.
De rechtbank heeft met de uitspraak van 30 oktober 2014 het beroep ongegrond verklaard. Over de psychische klachten heeft deze rechtbank overwogen dat ze niet ter zake deden, omdat er volgens de verzekeringsarts geen aanwijzingen waren voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De doorverwijzing naar de GGZ zag ook niet op de datum in geding (6 november 2013) en eiser was nooit eerder in behandeling geweest in verband met psychische problemen.
1.4.
Op 7 december 2021 heeft eiser verzocht om herziening van het besluit van 4 november 2013 en om hem met terugwerkende kracht alsnog een WIA-uitkering toe te kennen, omdat er sprake is van ernstige chronische psychische klachten die dateren van voor 6 november 2013.
1.5.
Met het besluit van 14 september 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser medegedeeld geen aanleiding te zien om terug te komen van het eerdere besluit van 4 november 2013. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.6.
Met het besluit van 27 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.7.
De zaak is behandeld op de zitting van 30 juli 2024. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
1.8.
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, zodat eiser aanvullende medische informatie heeft kunnen opvragen bij de huisarts en het Uwv kon reageren op de aanvullende gronden. Op 8 oktober 2024 heeft eiser aanvullende gronden en nieuwe medische informatie ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd met het verweerschrift van 7 november 2024 en het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2024.
1.9.
De rechter heeft het beroep op 28 november 2024 verder behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen.
Beoordeling
2.1.
De aanvraag van eiser van 7 december 2021 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de rechtspraak is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitgemaakt hoe het Uwv een herhaalde aanvraag moet beoordelen en hoe de rechtbank een besluit op een herhaalde aanvraag vervolgens toetst.
2.2.
Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering worden beoordeeld naar zijn strekking. Met een aanvraag kan worden beoogd:
1. dat met ingang van de datum waarop het besluit zag, wordt teruggekomen van het eerdere besluit in de zin van artikel 4:6 van de Awb (herhaalde aanvraag);
2. dat wordt bedoeld een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (een zogeheten Amber-beoordeling);
3. dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
Het onderscheid in wat de aanvrager heeft bedoeld, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.
2.3.
In dit geval heeft eiser primair met zijn aanvraag bedoeld een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber-beoordeling). Subsidiair heeft hij bedoeld dat het Uwv voor het verleden en de toekomst terugkomt van het eerdere besluit. Hij doet dus een beroep op alle drie hiervoor benoemde mogelijkheden. Omdat eiser in zijn beroepsgronden eerst is ingegaan op de nieuwe feiten en omstandigheden die tevens van invloed zijn op de Amber-beoordeling, zal de rechtbank hierna eerst ingaan op de nieuwe feiten en omstandigheden.
Nieuwe feiten en/of omstandigheden
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat het Uwv en de bestuursrechter bij een 4:6
Awb-verzoek niet beoordelen of de besluitvorming van destijds wel of niet juist was. Het gaat erom of eiser met concrete nieuwe feiten en omstandigheden, die betrekking hebben op de datum in geding van het besluit waarvan hij herziening verzoekt (6 november 2013), aannemelijk kan maken dat het besluit onjuist is. Daarbij moet het gaan om feiten en omstandigheden – en medische stukken – die niet al bekend waren toen het besluit werd genomen, tenzij eiser niet eerder over die stukken kon beschikken.
3.2.
Eiser voert aan dat de nieuwe diagnoses schizofrenie en PTSS ertoe leiden dat het besluit van 4 november 2013 onjuist is. Volgens eiser waren de psychische klachten niet ineens na de besluitvorming aanwezig, maar bestonden deze al in 2008 (en dus in 2013). De verzekeringsarts heeft hier ten onrechte geen dan wel onvoldoende rekening mee gehouden. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het verzekeringsgeneeskundige onderzoek van 16 september 2013, het huisartsenjournaal en naar artikelen waaruit blijkt dat de symptomen van een psychose aanwezig kunnen zijn voordat een psychose begint.
3.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep rapporteert op 22 februari 2024 dat uit de informatie nergens naar voren komt dat sprake is van psychische klachten of behandeling gericht op psychische klachten. Op 16 september 2013 heeft eiser de lichamelijke klachten bij de verzekeringsarts gerapporteerd en heeft eiser verteld dat hij geen contact heeft met zijn ouders, broers en zussen en over het overlijden van zijn broertje. Eiser heeft geen psychofarmaca en is alleen onder behandeling bij de huisarts en de orthopedisch chirurg. Bij het psychisch onderzoek zijn er geen bijzonderheden waargenomen. De verzekeringsarts heeft verder nagevraagd of eiser stemmen hoort of dingen ziet die er niet zijn, maar de realiteitstoetsing wordt als normaal beschreven. Ook in het bezwaarschrift heeft eiser alleen de fysieke klachten benoemd.
3.4.
De verzekeringsarts concludeert dat er in de periode 2012-2014 – en dus per einde van de wachttijd – geen sprake was van relevante psychische problematiek nu hij nergens deze psychische klachten naar voren heeft gebracht, de huisarts niet bekend is met de problematiek en deze ook niet in de episodenlijst heeft vermeld. De bedrijfsarts die eiser heeft begeleid, heeft ook nergens psychische klachten vermeld. Er kan dan geen sprake zijn geweest van relevante psychopathologie in deze periode waarvoor beperkingen moesten worden gesteld. Omdat er geen psychische klachten of psychische diagnosen ten grondslag lagen aan de eerdere besluitvorming, is er nu ook geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die het noodzakelijk maken om terug te komen op de eerdere beslissing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt nog op dat de verkregen informatie dateert van na de datum in geding en de anamnestische gegevens niet overeenkomen met de gegevens van de huisarts van die tijd, de gegevens van de bedrijfsarts of de orthopedisch chirurg.
3.5.
Ten aanzien van de Wajong-aanvraag waarbij eiser heeft aangegeven op 9 november 2011 te zijn uitgevallen met psychische klachten, rapporteert de verzekeringsarts dat dit ook niet leidt tot een andere conclusie, omdat het niet overeenkomt met de beschrijvingen van de bedrijfsarts van 2012-2013.
3.6.
In het aanvullende rapport van 6 november 2024 geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat de medische informatie geen aanleiding geven om het standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep licht toe dat uit de nieuwe stukken niet kan worden geconcludeerd dat per einde van de wachttijd sprake was van psychische klachten. Dat in het huisartsenjournaal naar voren komt dat in 2008/2009 sprake was van een psychose is door eiser zelf gerapporteerd. Hetgeen eiser heeft verklaard over zwarte magie is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake was van een psychose. Daarnaast heeft de primaire verzekeringsarts in 2013 vastgesteld dat er geen symptomen waren die wijzen op psychische problematiek en de realiteitstoets als normaal heeft beschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst tot slot op de vele consulten met de huisarts en dat indien sprake zou zijn geweest van psychopathologie, de huisarts dit zou hebben opgemerkt.
3.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een toereikende en zorgvuldige wijze gemotiveerd waarom de door eiser aangeleverde stukken geen aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 4 november 2013. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook volgen dat uit de medische informatie niet is gebleken dat eiser sinds 2008 kampt met psychische problemen. Dit is nooit vastgesteld door een deskundige en blijkt ook niet uit medische informatie ten tijde van 6 november 2013 of eerder.
Amber-beoordeling
4.1.
Het recht op een WIA-uitkering kan ook op een later moment ontstaan in het geval van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de eerdere afwijzing. Deze periode van vijf jaar loopt in dit geval van 6 november 2013 (einde van de wachttijd) tot 6 november 2018. De aanvrager moet feiten of omstandigheden aandragen die de aanvraag van toegenomen arbeidsongeschiktheid ondersteunen. Het Uwv zal dan moeten onderzoeken of er aanleiding bestaat om vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering toe te kennen.
4.2.
Eiser voert aan dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar uit dezelfde ziekteoorzaak. Daarbij merkt eiser op dat niet kan worden uitgesloten dat zijn psychische klachten voortvloeien uit – althans versterkt worden door – de heup- en rugklachten.
Conclusie
6. Het Uwv heeft terecht geweigerd om terug te komen van het besluit van 4 november 2013. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt zijn griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBMNE:2014:5723.
Zie de uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
Dit is neergelegd in artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
ECLI:NL:CRVB:2021:690.
ECLI:NL:CRVB:2022:2172.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2710
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Weijer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).
Inleiding
1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht het verzoek van eiser om terug te komen van het eerdere besluit van 4 november 2013 heeft afgewezen. Eiser vindt van niet, omdat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van eisers beroepsgronden.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1.1.
Eiser is werkzaam geweest als [functie] voor 31,75 uur per week. Hij heeft zich op 9 november 2011 ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser op 1 augustus 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
Met het besluit van 4 november 2013 heeft het Uwv aan eiser medegedeeld dat hij met ingang van 6 november 2013 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft bezwaar en later beroep ingesteld tegen het besluit van 4 november 2013.
1.3.
De rechtbank heeft met de uitspraak van 30 oktober 2014 het beroep ongegrond verklaard. Over de psychische klachten heeft deze rechtbank overwogen dat ze niet ter zake deden, omdat er volgens de verzekeringsarts geen aanwijzingen waren voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De doorverwijzing naar de GGZ zag ook niet op de datum in geding (6 november 2013) en eiser was nooit eerder in behandeling geweest in verband met psychische problemen.
1.4.
Op 7 december 2021 heeft eiser verzocht om herziening van het besluit van 4 november 2013 en om hem met terugwerkende kracht alsnog een WIA-uitkering toe te kennen, omdat er sprake is van ernstige chronische psychische klachten die dateren van voor 6 november 2013.
1.5.
Met het besluit van 14 september 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser medegedeeld geen aanleiding te zien om terug te komen van het eerdere besluit van 4 november 2013. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.6.
Met het besluit van 27 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.7.
De zaak is behandeld op de zitting van 30 juli 2024. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
1.8.
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, zodat eiser aanvullende medische informatie heeft kunnen opvragen bij de huisarts en het Uwv kon reageren op de aanvullende gronden. Op 8 oktober 2024 heeft eiser aanvullende gronden en nieuwe medische informatie ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd met het verweerschrift van 7 november 2024 en het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2024.
1.9.
De rechter heeft het beroep op 28 november 2024 verder behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen.
Beoordeling
2.1.
De aanvraag van eiser van 7 december 2021 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de rechtspraak is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitgemaakt hoe het Uwv een herhaalde aanvraag moet beoordelen en hoe de rechtbank een besluit op een herhaalde aanvraag vervolgens toetst.
2.2.
Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering worden beoordeeld naar zijn strekking. Met een aanvraag kan worden beoogd:
1. dat met ingang van de datum waarop het besluit zag, wordt teruggekomen van het eerdere besluit in de zin van artikel 4:6 van de Awb (herhaalde aanvraag);
2. dat wordt bedoeld een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (een zogeheten Amber-beoordeling);
3. dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
Het onderscheid in wat de aanvrager heeft bedoeld, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.
2.3.
In dit geval heeft eiser primair met zijn aanvraag bedoeld een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber-beoordeling). Subsidiair heeft hij bedoeld dat het Uwv voor het verleden en de toekomst terugkomt van het eerdere besluit. Hij doet dus een beroep op alle drie hiervoor benoemde mogelijkheden. Omdat eiser in zijn beroepsgronden eerst is ingegaan op de nieuwe feiten en omstandigheden die tevens van invloed zijn op de Amber-beoordeling, zal de rechtbank hierna eerst ingaan op de nieuwe feiten en omstandigheden.
Nieuwe feiten en/of omstandigheden
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat het Uwv en de bestuursrechter bij een 4:6
Awb-verzoek niet beoordelen of de besluitvorming van destijds wel of niet juist was. Het gaat erom of eiser met concrete nieuwe feiten en omstandigheden, die betrekking hebben op de datum in geding van het besluit waarvan hij herziening verzoekt (6 november 2013), aannemelijk kan maken dat het besluit onjuist is. Daarbij moet het gaan om feiten en omstandigheden – en medische stukken – die niet al bekend waren toen het besluit werd genomen, tenzij eiser niet eerder over die stukken kon beschikken.
3.2.
Eiser voert aan dat de nieuwe diagnoses schizofrenie en PTSS ertoe leiden dat het besluit van 4 november 2013 onjuist is. Volgens eiser waren de psychische klachten niet ineens na de besluitvorming aanwezig, maar bestonden deze al in 2008 (en dus in 2013). De verzekeringsarts heeft hier ten onrechte geen dan wel onvoldoende rekening mee gehouden. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het verzekeringsgeneeskundige onderzoek van 16 september 2013, het huisartsenjournaal en naar artikelen waaruit blijkt dat de symptomen van een psychose aanwezig kunnen zijn voordat een psychose begint.
3.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep rapporteert op 22 februari 2024 dat uit de informatie nergens naar voren komt dat sprake is van psychische klachten of behandeling gericht op psychische klachten. Op 16 september 2013 heeft eiser de lichamelijke klachten bij de verzekeringsarts gerapporteerd en heeft eiser verteld dat hij geen contact heeft met zijn ouders, broers en zussen en over het overlijden van zijn broertje. Eiser heeft geen psychofarmaca en is alleen onder behandeling bij de huisarts en de orthopedisch chirurg. Bij het psychisch onderzoek zijn er geen bijzonderheden waargenomen. De verzekeringsarts heeft verder nagevraagd of eiser stemmen hoort of dingen ziet die er niet zijn, maar de realiteitstoetsing wordt als normaal beschreven. Ook in het bezwaarschrift heeft eiser alleen de fysieke klachten benoemd.
3.4.
De verzekeringsarts concludeert dat er in de periode 2012-2014 – en dus per einde van de wachttijd – geen sprake was van relevante psychische problematiek nu hij nergens deze psychische klachten naar voren heeft gebracht, de huisarts niet bekend is met de problematiek en deze ook niet in de episodenlijst heeft vermeld. De bedrijfsarts die eiser heeft begeleid, heeft ook nergens psychische klachten vermeld. Er kan dan geen sprake zijn geweest van relevante psychopathologie in deze periode waarvoor beperkingen moesten worden gesteld. Omdat er geen psychische klachten of psychische diagnosen ten grondslag lagen aan de eerdere besluitvorming, is er nu ook geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die het noodzakelijk maken om terug te komen op de eerdere beslissing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt nog op dat de verkregen informatie dateert van na de datum in geding en de anamnestische gegevens niet overeenkomen met de gegevens van de huisarts van die tijd, de gegevens van de bedrijfsarts of de orthopedisch chirurg.
3.5.
Ten aanzien van de Wajong-aanvraag waarbij eiser heeft aangegeven op 9 november 2011 te zijn uitgevallen met psychische klachten, rapporteert de verzekeringsarts dat dit ook niet leidt tot een andere conclusie, omdat het niet overeenkomt met de beschrijvingen van de bedrijfsarts van 2012-2013.
3.6.
In het aanvullende rapport van 6 november 2024 geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat de medische informatie geen aanleiding geven om het standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep licht toe dat uit de nieuwe stukken niet kan worden geconcludeerd dat per einde van de wachttijd sprake was van psychische klachten. Dat in het huisartsenjournaal naar voren komt dat in 2008/2009 sprake was van een psychose is door eiser zelf gerapporteerd. Hetgeen eiser heeft verklaard over zwarte magie is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake was van een psychose. Daarnaast heeft de primaire verzekeringsarts in 2013 vastgesteld dat er geen symptomen waren die wijzen op psychische problematiek en de realiteitstoets als normaal heeft beschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst tot slot op de vele consulten met de huisarts en dat indien sprake zou zijn geweest van psychopathologie, de huisarts dit zou hebben opgemerkt.
3.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een toereikende en zorgvuldige wijze gemotiveerd waarom de door eiser aangeleverde stukken geen aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 4 november 2013. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook volgen dat uit de medische informatie niet is gebleken dat eiser sinds 2008 kampt met psychische problemen. Dit is nooit vastgesteld door een deskundige en blijkt ook niet uit medische informatie ten tijde van 6 november 2013 of eerder.
Amber-beoordeling
4.1.
Het recht op een WIA-uitkering kan ook op een later moment ontstaan in het geval van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de eerdere afwijzing. Deze periode van vijf jaar loopt in dit geval van 6 november 2013 (einde van de wachttijd) tot 6 november 2018. De aanvrager moet feiten of omstandigheden aandragen die de aanvraag van toegenomen arbeidsongeschiktheid ondersteunen. Het Uwv zal dan moeten onderzoeken of er aanleiding bestaat om vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering toe te kennen.
4.2.
Eiser voert aan dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar uit dezelfde ziekteoorzaak. Daarbij merkt eiser op dat niet kan worden uitgesloten dat zijn psychische klachten voortvloeien uit – althans versterkt worden door – de heup- en rugklachten.
Conclusie
6. Het Uwv heeft terecht geweigerd om terug te komen van het besluit van 4 november 2013. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt zijn griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBMNE:2014:5723.
Zie de uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
Dit is neergelegd in artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
ECLI:NL:CRVB:2021:690.
ECLI:NL:CRVB:2022:2172.