Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-23
ECLI:NL:RBMNE:2025:7939
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7939 text/xml public 2026-04-28T13:11:29 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-23 UTR 25/4013 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7939 text/html public 2026-04-28T13:11:09 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7939 Rechtbank Midden-Nederland , 23-12-2025 / UTR 25/4013 Herziening AOW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4013 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb (gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist). Procesverloop 1. Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de Svb het ouderdomspensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) herzien naar de gehuwdennorm per december 2019. 2. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 3. Bij besluit van 21 mei 2025 is de Svb bij de herziening gebleven. De Svb heeft wel de datum van de herziening gewijzigd naar januari 2020. 4. Eiser heeft tegen de besluit beroep ingesteld. 5. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de heer [A] en de gemachtigde van de Svb. Beoordeling door de rechtbank 6. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1952 en ontvangt vanaf 28 november 2017 een alleenstaandenpensioen op grond van de AOW. Sinds 24 maart 2019 woont eiser samen met mevrouw [B] (hierna: [B] ). Naar aanleiding van de BRP-inschrijving van [B] op het adres van eiser heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiser. Op 12 november 2024 heeft een huisbezoek bij eiser plaatsgevonden en is een checklist gezamenlijke huishouding ingevuld die door eiser is ondertekend. 7. De Svb heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het alleenstaandenpensioen van eiser terecht is herzien naar een gehuwdenpensioen vanaf januari 2020 omdat sinds maart 2019 sprake is van een gezamenlijke huishouding. De Svb heeft de herziening beperkt tot maximaal vijf jaar. 8. Eiser voert in beroep aan dat de door de Svb gevolgde procedure in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht aangezien er geen besluit in primo is genomen. Verder stelt eiser dat [B] bij hem verblijft omdat zij sinds 24 maart 2019 in nood verkeert. Er is volgens eiser sprake van een zeer bijzonder geval. Eiser heeft [B] hulp aangeboden omdat zij lijdt aan schizofrenie. De uitstapjes die eiser en [B] maakten waren bedoeld om haar te kalmeren. Het meehelpen van [B] in de keuken en tuin moet worden gezien als therapie. Sinds 10 april 2023 is [B] tot rust gekomen door medicatie. Sindsdien doet zij vrijwel niets in het huishouden. Van een gezamenlijke huishouding is daarom geen sprake. 9. De rechtbank oordeelt allereerst dat niet is gebleken dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen. De Svb heeft op 29 januari 2025 een besluit genomen waarbij de AOW van eiser is herzien. In dit besluit (pagina 2) is eiser gewezen op de mogelijkheid om hiertegen bezwaar te maken. Eiser heeft dit op 12 maart 2025 ook gedaan. Vervolgens is op 21 mei 2025 door de Svb op het bezwaar beslist. Hiermee is de procedure gevolgd zoals de Awb die voorschrijft. 10. Ingevolge artikel 1, derde en vierde lid, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot ook aangemerkt de ongehuwde die met een andere een gezamenlijke huishouding voert. 11. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (wederzijdse zorg). De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokken en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang . 12. Niet in geschil is dat eiser en [B] sinds 24 maart 2019 hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. 13. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. 14. De rechtbank is van oordeel dat de op 12 november 2024 ingevulde en door eiser (digitaal) ondertekende checklist voldoende steun biedt aan het standpunt van de Svb dat ook is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Van belang is dat eiser heeft verklaard dat hij en [B] sinds 24 maart 2019 samenwonen en dat [B] het huis schoonmaakt, kookt en de tuin onderhoudt. Vanaf april 2023 is [B] medicatie gaan gebruiken waardoor zij slechts sporadisch nog klusjes doet in huis. Sindsdien doet eiser vrijwel alle huishoudelijke activiteiten. Vanaf de samenwoning verschaft eiser [B] onderdak in zijn woning en betaalt hij alle kosten van de huishouding. Ook betaalt eiser de verzekering van [B] . Eiser en [B] doen regelmatig samen boodschappen, zij eten bijna dagelijks buiten de deur en zij maken dagelijks uitstapjes met de auto van eiser. Ook leggen eiser en [B] eens in de 1 à 2 weken familiebezoek af. 15. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is het niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft . De rechtbank acht het aannemelijk dat door diverse omstandigheden, bijvoorbeeld iemands medische situatie, de omvang en intensiteit van de wederzijdse zorg gedurende de samenwoning kan veranderen. Dat [B] , door haar medicijngebruik sinds april 2023, minder zorg aan eiser verleent, betekent daarom niet dat geen sprake meer is van een gezamenlijke huishouding. De beroepsgronden van eiser slagen niet. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:753). Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012: BY4656).
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7939 text/xml public 2026-04-28T13:11:29 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-23 UTR 25/4013 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7939 text/html public 2026-04-28T13:11:09 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7939 Rechtbank Midden-Nederland , 23-12-2025 / UTR 25/4013 Herziening AOW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4013 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb (gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist). Procesverloop 1. Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de Svb het ouderdomspensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) herzien naar de gehuwdennorm per december 2019. 2. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 3. Bij besluit van 21 mei 2025 is de Svb bij de herziening gebleven. De Svb heeft wel de datum van de herziening gewijzigd naar januari 2020. 4. Eiser heeft tegen de besluit beroep ingesteld. 5. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de heer [A] en de gemachtigde van de Svb. Beoordeling door de rechtbank 6. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1952 en ontvangt vanaf 28 november 2017 een alleenstaandenpensioen op grond van de AOW. Sinds 24 maart 2019 woont eiser samen met mevrouw [B] (hierna: [B] ). Naar aanleiding van de BRP-inschrijving van [B] op het adres van eiser heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiser. Op 12 november 2024 heeft een huisbezoek bij eiser plaatsgevonden en is een checklist gezamenlijke huishouding ingevuld die door eiser is ondertekend. 7. De Svb heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het alleenstaandenpensioen van eiser terecht is herzien naar een gehuwdenpensioen vanaf januari 2020 omdat sinds maart 2019 sprake is van een gezamenlijke huishouding. De Svb heeft de herziening beperkt tot maximaal vijf jaar. 8. Eiser voert in beroep aan dat de door de Svb gevolgde procedure in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht aangezien er geen besluit in primo is genomen. Verder stelt eiser dat [B] bij hem verblijft omdat zij sinds 24 maart 2019 in nood verkeert. Er is volgens eiser sprake van een zeer bijzonder geval. Eiser heeft [B] hulp aangeboden omdat zij lijdt aan schizofrenie. De uitstapjes die eiser en [B] maakten waren bedoeld om haar te kalmeren. Het meehelpen van [B] in de keuken en tuin moet worden gezien als therapie. Sinds 10 april 2023 is [B] tot rust gekomen door medicatie. Sindsdien doet zij vrijwel niets in het huishouden. Van een gezamenlijke huishouding is daarom geen sprake. 9. De rechtbank oordeelt allereerst dat niet is gebleken dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen. De Svb heeft op 29 januari 2025 een besluit genomen waarbij de AOW van eiser is herzien. In dit besluit (pagina 2) is eiser gewezen op de mogelijkheid om hiertegen bezwaar te maken. Eiser heeft dit op 12 maart 2025 ook gedaan. Vervolgens is op 21 mei 2025 door de Svb op het bezwaar beslist. Hiermee is de procedure gevolgd zoals de Awb die voorschrijft. 10. Ingevolge artikel 1, derde en vierde lid, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot ook aangemerkt de ongehuwde die met een andere een gezamenlijke huishouding voert. 11. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (wederzijdse zorg). De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokken en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang . 12. Niet in geschil is dat eiser en [B] sinds 24 maart 2019 hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. 13. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. 14. De rechtbank is van oordeel dat de op 12 november 2024 ingevulde en door eiser (digitaal) ondertekende checklist voldoende steun biedt aan het standpunt van de Svb dat ook is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Van belang is dat eiser heeft verklaard dat hij en [B] sinds 24 maart 2019 samenwonen en dat [B] het huis schoonmaakt, kookt en de tuin onderhoudt. Vanaf april 2023 is [B] medicatie gaan gebruiken waardoor zij slechts sporadisch nog klusjes doet in huis. Sindsdien doet eiser vrijwel alle huishoudelijke activiteiten. Vanaf de samenwoning verschaft eiser [B] onderdak in zijn woning en betaalt hij alle kosten van de huishouding. Ook betaalt eiser de verzekering van [B] . Eiser en [B] doen regelmatig samen boodschappen, zij eten bijna dagelijks buiten de deur en zij maken dagelijks uitstapjes met de auto van eiser. Ook leggen eiser en [B] eens in de 1 à 2 weken familiebezoek af. 15. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is het niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft . De rechtbank acht het aannemelijk dat door diverse omstandigheden, bijvoorbeeld iemands medische situatie, de omvang en intensiteit van de wederzijdse zorg gedurende de samenwoning kan veranderen. Dat [B] , door haar medicijngebruik sinds april 2023, minder zorg aan eiser verleent, betekent daarom niet dat geen sprake meer is van een gezamenlijke huishouding. De beroepsgronden van eiser slagen niet. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:753). Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012: BY4656).