Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-08-21
ECLI:NL:RBMNE:2025:7932
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,130 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7932 text/xml public 2026-05-01T09:20:17 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-08-21 UTR 25/2791 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7932 text/html public 2026-05-01T09:20:01 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7932 Rechtbank Midden-Nederland , 21-08-2025 / UTR 25/2791 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2791 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser en de staatssecretaris van Financiën, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 20 februari 2025 in het kader van de Wet open overheid (Woo). Op 10 juni 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 20 februari 2025. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken . Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. De bezwaartermijn liep af op 28 februari 2025. Verweerder had dus uiterlijk op 11 april 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 14 april 2025 in gebreke gesteld. 4. Omdat verweerder nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. Als de omvang van het verzoek daar aanleiding toe geeft kan de bestuursrechter, op basis van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo, een andere termijn vaststellen. 5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 10 juni 2025 aan dat het bezwaarschrift en de ingebrekestelling van eiser hem per abuis is ontgaan. Het bezwaar heeft daarom vanaf het begin vertraging opgelopen. Verder geeft verweerder aan dat het bezwaar van eiser omvangrijk en complex van aard is. Eiser verzoekt namelijk om afschriften van alle correspondentie die voortvloeide uit de stuurgroep kabinetsreactie ‘Ongekend Onrecht’. Dit vraagt om afstemming van de beslissing op bezwaar en van (eventuele) openbaar te maken (passages in) documenten met derden. Daarnaast is de behandelduur van de Woo-verzoeken langer dan de wettelijke termijn toelaat, omdat de Woo-praktijk kampt met onderbezetting van het personeel waardoor grote achterstanden in de behandeling van dergelijke verzoeken is ontstaan. Verweerder streeft er naar om uiterlijk 15 juli 2025 een beslissing te kunnen nemen. 6. Bij aanvullend verweerschrift van 14 juli 2025 heeft verweerder medegedeeld dat er, achteraf bezien, een onvolledige inschatting is gemaakt van de omvang van het bezwaar van eiser. Bij het primaire besluit zijn namelijk 409 documenten betrokken en eiser heeft in zijn bezwaar niet gespecificeerd op welke documenten de bezwaren betrekking hebben. Verweerder laat weten dat eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden. Verweerder verzoekt de rechtbank om een nadere beslistermijn van minimaal twaalf weken, dus tot en met 6 oktober 2025, voor de behandeling van het bezwaar van eiser. 7. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, is naar oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder geval. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder een langere en realistische beslistermijn toe te kennen. De door verweerder verzochte termijn van twaalf weken acht de rechtbank, gezien de omstandigheden die verweerder heeft genoemd, niet onredelijk lang. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 6 oktober 2025 een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiser. 8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. 9. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Daarom hoeft het beroep niet op een zitting behandeld te worden. 10. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder wel het griffierecht van € 194,- aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk op 6 oktober 2025 alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- dat eiser heeft betaald moet betalen; Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2025. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7932 text/xml public 2026-05-01T09:20:17 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-08-21 UTR 25/2791 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7932 text/html public 2026-05-01T09:20:01 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7932 Rechtbank Midden-Nederland , 21-08-2025 / UTR 25/2791 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2791 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2025 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser en de staatssecretaris van Financiën, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 20 februari 2025 in het kader van de Wet open overheid (Woo). Op 10 juni 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 20 februari 2025. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken . Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. De bezwaartermijn liep af op 28 februari 2025. Verweerder had dus uiterlijk op 11 april 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 14 april 2025 in gebreke gesteld. 4. Omdat verweerder nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. Als de omvang van het verzoek daar aanleiding toe geeft kan de bestuursrechter, op basis van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo, een andere termijn vaststellen. 5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 10 juni 2025 aan dat het bezwaarschrift en de ingebrekestelling van eiser hem per abuis is ontgaan. Het bezwaar heeft daarom vanaf het begin vertraging opgelopen. Verder geeft verweerder aan dat het bezwaar van eiser omvangrijk en complex van aard is. Eiser verzoekt namelijk om afschriften van alle correspondentie die voortvloeide uit de stuurgroep kabinetsreactie ‘Ongekend Onrecht’. Dit vraagt om afstemming van de beslissing op bezwaar en van (eventuele) openbaar te maken (passages in) documenten met derden. Daarnaast is de behandelduur van de Woo-verzoeken langer dan de wettelijke termijn toelaat, omdat de Woo-praktijk kampt met onderbezetting van het personeel waardoor grote achterstanden in de behandeling van dergelijke verzoeken is ontstaan. Verweerder streeft er naar om uiterlijk 15 juli 2025 een beslissing te kunnen nemen. 6. Bij aanvullend verweerschrift van 14 juli 2025 heeft verweerder medegedeeld dat er, achteraf bezien, een onvolledige inschatting is gemaakt van de omvang van het bezwaar van eiser. Bij het primaire besluit zijn namelijk 409 documenten betrokken en eiser heeft in zijn bezwaar niet gespecificeerd op welke documenten de bezwaren betrekking hebben. Verweerder laat weten dat eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden. Verweerder verzoekt de rechtbank om een nadere beslistermijn van minimaal twaalf weken, dus tot en met 6 oktober 2025, voor de behandeling van het bezwaar van eiser. 7. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, is naar oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder geval. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder een langere en realistische beslistermijn toe te kennen. De door verweerder verzochte termijn van twaalf weken acht de rechtbank, gezien de omstandigheden die verweerder heeft genoemd, niet onredelijk lang. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 6 oktober 2025 een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiser. 8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. 9. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Daarom hoeft het beroep niet op een zitting behandeld te worden. 10. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder wel het griffierecht van € 194,- aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk op 6 oktober 2025 alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- dat eiser heeft betaald moet betalen; Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2025. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.