Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:7863
Civiel recht
Beschikking
17,895 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7863 text/xml public 2026-04-28T11:23:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-17 11847320 \ UE VERZ 25-244 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0631 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0631 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7863 text/html public 2026-04-21T11:26:10 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7863 Rechtbank Midden-Nederland , 17-12-2025 / 11847320 \ UE VERZ 25-244 werk-leerovereenkomst RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 11847320 \ UE VERZ 25-244 Beschikking van 17 december 2025 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats 1] , verzoekende partij, verwerende partij in het ontbindingsverzoek (wg), hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. F.W. Henstra, tegen [verweerder] B.V. , te [plaats 2] , verwerende partij, verzoekende partij in het ontbindingsverzoek (wg), hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. E.M.T. Korff (Stichting VvAA Rechtsbijstand). 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties - het verweerschrift met een zelfstandig (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding (artikel 7:761b BW) van de arbeidsovereenkomst met producties - het verweerschrift tegen het ontbindingsverzoek van [verweerder] met (eveneens) een zelfstandig verzoek tot ontbinding (artikel 7:671c BW) en daarbij enkele aanvullende verzoeken en producties - de akte overlegging productie tevens correctie op verzoekschrift van [verzoeker] , - de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarbij [verzoeker] is verschenen met haar gemachtigde en namens [verweerder] mevrouw [A] ( directeur ) is verschenen met haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnoties. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. 1.2 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is psychotherapeut in opleiding. Voor de opleiding van [verzoeker] heeft [verweerder] een zzp-er ingehuurd. Tussen [verweerder] en [verzoeker] is een geschil ontstaan over de invulling van de arbeidsovereenkomst. De door [verweerder] ingehuurde zzp-er heeft haar opleidingswerkzaamheden ‘on hold’ gezet, zodat [verweerder] en [verzoeker] dat conflict eerst samen konden oplossen. [verweerder] stelt dat daardoor niet meer werd voldaan aan de opleidingsvoorwaarden en dat de arbeidsovereenkomst daarom van rechtswege is geëindigd op 12 juni 2025. De kantonrechter oordeelt dat dit een onjuiste aanname was. Hij ontbindt de arbeidsovereenkomst alsnog en bepaalt dat [verweerder] nog een aantal bedragen moet betalen aan [verzoeker] , waaronder een billijke vergoeding. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 [verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1982, is sinds 4 november 2024 in dienst bij [verweerder] . [verzoeker] werd bij [verweerder] opgeleid tot psychotherapeut BIG. Tussen [verzoeker] , [verweerder] en opleidingsinstituut RINO Zuid is daartoe een opleidingsovereenkomst gesloten. Daarnaast is een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van die opleiding. In de overeenkomst staat dat de deze van rechtswege eindigt direct na afronding of bij tussentijdse beëindiging van de opleiding, zonder dat opzegging is vereist. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 20 uur in de week, met een bruto maandloon van € 3.252,00 exclusief vakantietoeslag. 3.2 [verweerder] heeft mevrouw [B] ingehuurd (als zzp-er) om op te treden als praktijkbegeleider. 3.3 Tussen [verweerder] en [verzoeker] is discussie ontstaan over de door [verzoeker] gewerkte uren. De afspraak tussen partijen was dat [verzoeker] 20 uur per week werd zou werken, waarvan voor praktijkwerkzaamheden en 4 uur per week voor studie. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen loon verschuldigd was over de opleidingsuren. Deze discussie heeft enkele maanden geduurd. 3.4 [verweerder] heeft [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 12 juni 2025. Bij dat gesprek zouden aanwezig zijn [A] , [C] (werkbegeleider), [verzoeker] en [B] (praktijkbegeleider).Voorafgaand aan dat gesprek heeft mevrouw [A] ( directeur van [verweerder] ) een overzicht opgesteld van wat er volgens haar in de 30 voorliggende weken was misgegaan. Daarbij zat ook een voorstel over hoe dit na het gesprek verder vorm te geven. Zij heeft dat op 11 juni 2025 aan [verzoeker] gestuurd. [verzoeker] heeft diezelfde dag aangegeven dat zij niet akkoord was met het voorstel en dat zij ook rechtsbijstand had gezocht om zich te laten adviseren over haar rechten en plichten. Zij heeft gevraagd om het gesprek te verplaatsen naar een later moment, zodat zij met haar rechtsbijstandverlener kon overleggen. Zij heeft dat verzoek in de ochtend van 12 juni 2025 (het gesprek stond gepland om 12.00 uur) schriftelijk herhaald. [A] is nadrukkelijk niet akkoord gegaan met verplaatsing van het gesprek. [verzoeker] is wel naar het gesprek toegegaan, maar heeft daar herhaald dat zij niet inhoudelijk wilde reageren totdat zij met haar gemachtigde had overlegd. 3.5 De praktijkbegeleider heeft tijdens het gesprek aangegeven dat ze haar opleidingstaken tijdelijk ‘on hold’ wilde zetten, zodat [verweerder] en [verzoeker] eerst gezamenlijk hun geschil over de uren konden oplossen. Zij bevestigt dat in een e-mail, waarbij zij aangeeft “Vandaag heb ik eerst in een gesprek met [A] , [C] en [verzoeker] gedeeld dat ik mijn functie van praktijkopleider neerleg zolang er geen duidelijkheid is over de invulling van de 16 uur PT opleiding op [verweerder] en de 4 contracturen waarvan niet duidelijk is wat de verwachtingen zijn mbt de invulling hiervan.” En: “Ik hoop op een vervolg waarin de verhoudingen en verwachtingen weer helder liggen”. 3.6 [verzoeker] is na het gesprek op 12 juni 2025 laten weten dat zij te gespannen was om verder te werken en is naar huis gegaan. Zij heeft zich op 16 juni 2025 ziek gemeld. 3.7 Op 15 juni 2025 heeft [A] een brief gestuurd aan [verzoeker] , met daarin: een gespreksverslag van het gesprek van 12 juni 2025, de mededeling met uitleg waarom [verweerder] meent dat haar contract niet meer geldig is, een officiële waarschuwing dat [verzoeker] 4 weken de tijd krijgt om een constante stroom patiënten te behandelen en dat als zij vroeg naar huis gaat zij op een andere manier aan haar uren moeten komen met als sanctie als zij dat niet doet ontslag wegens verwijtbaar handelen of werkweigering, de opmerking dat de overige zaken uit de brief van 11 juni wordt afgehandeld met de juristen en met Rino Zuid en de opmerking dat zij de volgende dag gewoon op het werk wordt verwacht. 3.8 Op 17 juni 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] schriftelijk laten weten dat de met ingang van 12 juni 2025 van rechtswege is geëindigd. Daartoe schrijft [A] onder meer: “In de gesprekken van 12 juni werd duidelijk dat jij juridische bijstand had gezocht en geen inhoudelijk gesprek wilde over: het niet aan de eisen van [verweerder] voldoen en daar minimaal 2x over geinformeerd zijn (12 maart en 11 juni). Als gevolg van het inzetten van een jurist door jou heeft de praktijkopleider zich teruggetrokken. Deze feiten maken dat er niet meer aan het opleidingscontract wordt voldaan van Rino Zuid. Er is vanaf 12 juni 2025 dus geen opleidingscontract meer. Dus er is vanaf dat moment ook geen contract meer met [verweerder] ” 3.9 In de arbeidsovereenkomst staat over het pensioen: “Werknemer sluit zelf een pensioen polis af. Bv Bright of Brand New Day. Werkgever en werknemer storten maandelijks in de pensioenpot. Startpunt is dat zowel werkgever als werknemer maximaal 5% van het brutoloon storten per maand. Werknemer kan daar van afwijken indien gewenst.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7863 text/xml public 2026-04-28T11:23:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-17 11847320 \ UE VERZ 25-244 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0631 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0631 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7863 text/html public 2026-04-21T11:26:10 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7863 Rechtbank Midden-Nederland , 17-12-2025 / 11847320 \ UE VERZ 25-244 werk-leerovereenkomst RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 11847320 \ UE VERZ 25-244 Beschikking van 17 december 2025 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats 1] , verzoekende partij, verwerende partij in het ontbindingsverzoek (wg), hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. F.W. Henstra, tegen [verweerder] B.V. , te [plaats 2] , verwerende partij, verzoekende partij in het ontbindingsverzoek (wg), hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. E.M.T. Korff (Stichting VvAA Rechtsbijstand). 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties - het verweerschrift met een zelfstandig (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding (artikel 7:761b BW) van de arbeidsovereenkomst met producties - het verweerschrift tegen het ontbindingsverzoek van [verweerder] met (eveneens) een zelfstandig verzoek tot ontbinding (artikel 7:671c BW) en daarbij enkele aanvullende verzoeken en producties - de akte overlegging productie tevens correctie op verzoekschrift van [verzoeker] , - de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarbij [verzoeker] is verschenen met haar gemachtigde en namens [verweerder] mevrouw [A] ( directeur ) is verschenen met haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnoties. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. 1.2 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is psychotherapeut in opleiding. Voor de opleiding van [verzoeker] heeft [verweerder] een zzp-er ingehuurd. Tussen [verweerder] en [verzoeker] is een geschil ontstaan over de invulling van de arbeidsovereenkomst. De door [verweerder] ingehuurde zzp-er heeft haar opleidingswerkzaamheden ‘on hold’ gezet, zodat [verweerder] en [verzoeker] dat conflict eerst samen konden oplossen. [verweerder] stelt dat daardoor niet meer werd voldaan aan de opleidingsvoorwaarden en dat de arbeidsovereenkomst daarom van rechtswege is geëindigd op 12 juni 2025. De kantonrechter oordeelt dat dit een onjuiste aanname was. Hij ontbindt de arbeidsovereenkomst alsnog en bepaalt dat [verweerder] nog een aantal bedragen moet betalen aan [verzoeker] , waaronder een billijke vergoeding. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 [verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1982, is sinds 4 november 2024 in dienst bij [verweerder] . [verzoeker] werd bij [verweerder] opgeleid tot psychotherapeut BIG. Tussen [verzoeker] , [verweerder] en opleidingsinstituut RINO Zuid is daartoe een opleidingsovereenkomst gesloten. Daarnaast is een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van die opleiding. In de overeenkomst staat dat de deze van rechtswege eindigt direct na afronding of bij tussentijdse beëindiging van de opleiding, zonder dat opzegging is vereist. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 20 uur in de week, met een bruto maandloon van € 3.252,00 exclusief vakantietoeslag. 3.2 [verweerder] heeft mevrouw [B] ingehuurd (als zzp-er) om op te treden als praktijkbegeleider. 3.3 Tussen [verweerder] en [verzoeker] is discussie ontstaan over de door [verzoeker] gewerkte uren. De afspraak tussen partijen was dat [verzoeker] 20 uur per week werd zou werken, waarvan voor praktijkwerkzaamheden en 4 uur per week voor studie. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen loon verschuldigd was over de opleidingsuren. Deze discussie heeft enkele maanden geduurd. 3.4 [verweerder] heeft [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 12 juni 2025. Bij dat gesprek zouden aanwezig zijn [A] , [C] (werkbegeleider), [verzoeker] en [B] (praktijkbegeleider).Voorafgaand aan dat gesprek heeft mevrouw [A] ( directeur van [verweerder] ) een overzicht opgesteld van wat er volgens haar in de 30 voorliggende weken was misgegaan. Daarbij zat ook een voorstel over hoe dit na het gesprek verder vorm te geven. Zij heeft dat op 11 juni 2025 aan [verzoeker] gestuurd. [verzoeker] heeft diezelfde dag aangegeven dat zij niet akkoord was met het voorstel en dat zij ook rechtsbijstand had gezocht om zich te laten adviseren over haar rechten en plichten. Zij heeft gevraagd om het gesprek te verplaatsen naar een later moment, zodat zij met haar rechtsbijstandverlener kon overleggen. Zij heeft dat verzoek in de ochtend van 12 juni 2025 (het gesprek stond gepland om 12.00 uur) schriftelijk herhaald. [A] is nadrukkelijk niet akkoord gegaan met verplaatsing van het gesprek. [verzoeker] is wel naar het gesprek toegegaan, maar heeft daar herhaald dat zij niet inhoudelijk wilde reageren totdat zij met haar gemachtigde had overlegd. 3.5 De praktijkbegeleider heeft tijdens het gesprek aangegeven dat ze haar opleidingstaken tijdelijk ‘on hold’ wilde zetten, zodat [verweerder] en [verzoeker] eerst gezamenlijk hun geschil over de uren konden oplossen. Zij bevestigt dat in een e-mail, waarbij zij aangeeft “Vandaag heb ik eerst in een gesprek met [A] , [C] en [verzoeker] gedeeld dat ik mijn functie van praktijkopleider neerleg zolang er geen duidelijkheid is over de invulling van de 16 uur PT opleiding op [verweerder] en de 4 contracturen waarvan niet duidelijk is wat de verwachtingen zijn mbt de invulling hiervan.” En: “Ik hoop op een vervolg waarin de verhoudingen en verwachtingen weer helder liggen”. 3.6 [verzoeker] is na het gesprek op 12 juni 2025 laten weten dat zij te gespannen was om verder te werken en is naar huis gegaan. Zij heeft zich op 16 juni 2025 ziek gemeld. 3.7 Op 15 juni 2025 heeft [A] een brief gestuurd aan [verzoeker] , met daarin: een gespreksverslag van het gesprek van 12 juni 2025, de mededeling met uitleg waarom [verweerder] meent dat haar contract niet meer geldig is, een officiële waarschuwing dat [verzoeker] 4 weken de tijd krijgt om een constante stroom patiënten te behandelen en dat als zij vroeg naar huis gaat zij op een andere manier aan haar uren moeten komen met als sanctie als zij dat niet doet ontslag wegens verwijtbaar handelen of werkweigering, de opmerking dat de overige zaken uit de brief van 11 juni wordt afgehandeld met de juristen en met Rino Zuid en de opmerking dat zij de volgende dag gewoon op het werk wordt verwacht. 3.8 Op 17 juni 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] schriftelijk laten weten dat de met ingang van 12 juni 2025 van rechtswege is geëindigd. Daartoe schrijft [A] onder meer: “In de gesprekken van 12 juni werd duidelijk dat jij juridische bijstand had gezocht en geen inhoudelijk gesprek wilde over: het niet aan de eisen van [verweerder] voldoen en daar minimaal 2x over geinformeerd zijn (12 maart en 11 juni). Als gevolg van het inzetten van een jurist door jou heeft de praktijkopleider zich teruggetrokken. Deze feiten maken dat er niet meer aan het opleidingscontract wordt voldaan van Rino Zuid. Er is vanaf 12 juni 2025 dus geen opleidingscontract meer. Dus er is vanaf dat moment ook geen contract meer met [verweerder] ” 3.9 In de arbeidsovereenkomst staat over het pensioen: “Werknemer sluit zelf een pensioen polis af. Bv Bright of Brand New Day. Werkgever en werknemer storten maandelijks in de pensioenpot. Startpunt is dat zowel werkgever als werknemer maximaal 5% van het brutoloon storten per maand. Werknemer kan daar van afwijken indien gewenst.
Volledig
Dit wordt schriftelijk aan de boekhouding doorgegeven.” 4 De verzoeken over en weer 4.1 [verzoeker] verzoekt de kantonrechter (na wijziging van eis): In het kader van de loonvordering de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen dan wel nietig te verklaren, voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, [verweerder] te veroordelen het loon te betalen vanaf de maand juni 2025, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, [verweerder] te veroordelen de vakantietoeslag van 8% te betalen vanaf juni 2025 tot einde dienstverband, [verweerder] te veroordelen daarvan deugdelijke loonspecificaties te verstrekken, [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van supervisie en leertherapie over de periode september tot en met december 2025 van € 4.800,00, [verweerder] te veroordelen tot afdracht van de overeengekomen pensioenbijdrage van 5% van het maandelijkse brutoloon aan [verzoeker] en tot afdracht aan pensioenfonds PFZW van de bijdrage waartoe [verweerder] verplicht is op grond van de wet en/of CAO, c.q. op grond van het in 2024 en 2025 vigerende besluit verplichtstelling van het PFZW bedrijfstakpensioenfonds. Voor het geval het ontbindingsverzoek van [verweerder] (artikel 7:671b BW) wordt toegewezen [verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding (artikel 7:673 BW) van € 1.572,77 aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 105.000,00 toe te kennen vanwege ernstige verwijtbaar handelen van [verweerder] te veroordelen tot het uitbetalen van 66 uur niet-genoten vakantiedagen tot 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 [verweerder] te veroordelen daarvan een deugdelijke eindafrekening te verstrekken en het netto equivalent daarvan binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst te voldoen, Met betrekking tot het zelfstandige verzoek tot ontbinding (artikel 7:671c BW) - ( (voorwaardelijk) de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 31 januari 2026 onder toekenning van de hiervoor genoemde bedragen en verzoeken, - en tot slot, [verweerder] te veroordelen in de proceskosten. 4.2 [verweerder] voert verweer. Zij vraagt de kantonrechter [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd verzoekt [verweerder] de kantonrechter: de arbeidsovereenkomst te beëindigen per de vroegst mogelijke datum, wegens disfunctioneren (d-grond) en/of wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en/of de andere omstandigheden die niet onder de hiervoor genoemde gronden vallen (h-grond en/of een cumulatie van alle omstandigheden (i-grond) bij de einddatum rekening te houden met de al verstreken proceduretijd bij toewijzing van het ontbindingsverzoek de transitievergoeding vast te stellen op basis van de wet, dan wel, wanneer sprake is van de i-grond, te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op de vergoeding of die op het laagst mogelijke bedrag vast te stellen, te bepalen dat geen recht bestaat op een billijke vergoeding, dan wel deze zo laag mogelijk dan wel op nihil te stellen, [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten. 5 De beoordeling De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd op 12 juni 2025 5.1 [verzoeker] is ontvankelijk in haar vordering. Het gaat in deze zaak niet alleen om een loonvordering, maar ook een (mogelijke) opzegging van een arbeidsovereenkomst én een ontbindingsverzoek. De zaak kan daarom als geheel door de kantonrechter in de verzoekschriftprocedure worden behandeld. [verzoeker] is ook niet te laat, omdat geen sprake is van een opzegging met onmiddellijke ingang, en de vervaltermijn van artikel 7:686a BW daarom niet geldt. 5.2 De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd op 12 juni 2025, omdat de ontbindende voorwaarde waarop [verweerder] zich beroept niet geldig is en bovendien de opleiding niet gestopt is op die dag, zodat ook niet aan de voorwaarde voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege is voldaan. 5.3 Een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst moet aan drie voorwaarden voldoen: de ontbindende voorwaarde moet verenigbaar zijn met het wettelijk ontslagstelsel, de werkgever mag geen invloed (kunnen) uitoefenen op het al dan niet intreden van de ontbindende voorwaarde en het moment van het intreden van de ontbindende voorwaarde moet objectief bepaalbaar zijn. 5.4 In dit geval is [verweerder] een arbeidsovereenkomst en leerovereenkomst aangegaan met [verzoeker] en (voor wat betreft de leerovereenkomst) Rino Zuid. [verweerder] heeft op basis van deze overeenkomst de verplichting om zorg te dragen voor het praktijkdeel van de opleiding van [verzoeker] . Zij kan daarvoor iemand (als zzp-er) inhuren, zoals in dit geval de praktijkleider, maar de verantwoordelijkheid blijft bij [verweerder] . Dat betekent dat als de praktijkleider haar opdracht beëindigt, [verweerder] in beginsel gehouden is de opleiding zelf op zich te nemen of een andere praktijkleider in te huren. Door geen nieuwe praktijkleider in te huren kan [verweerder] als werkgever invloed uitoefenen op het intreden van de ontbindende voorwaarde, en dat mag niet. Dat betekent concreet dat geen sprake is van een rechtsgeldige (en dus nietige) voorwaarde en dat de arbeidsovereenkomst dus niet is geëindigd. 5.5 Daarbij merkt de kantonrechter op dat wanneer de ontbindende voorwaarde wel rechtsgeldig zou zijn geweest de arbeidsovereenkomst ook niet was geëindigd. De praktijkopleider had immers de opleiding niet gestaakt maar gepauzeerd, zodat [verweerder] en [verzoeker] eerst hun arbeidsconflict samen konden oplossen. Dat er op 12 juni 2025 niet meer werd voldaan aan de opleidingseisen en de overeenkomst daarom eindigde is alleen al om die reden feitelijk onjuist. 5.6 Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd op 12 juni 2025. Nu vast staat dat niet is opgezegd maar een beroep is gedaan op een ontbindende voorwaarde, zal het verzoek de opzegging te vernietigen of nietig te verklaren worden afgewezen. De verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd (op 12 juni 2025) zal wel worden toegewezen. [verweerder] moet het loon en de overige emolumenten betalen tot einde dienstverband 5.7 Omdat de arbeidsovereenkomst nooit is geëindigd staat vast dat [verweerder] gehouden was het loon door te betalen en dat heeft zij niet gedaan. Dat betekent dat de loonvordering, de vordering tot betaling van 8% vakantietoeslag en het verstrekken van deugdelijke specificaties zullen worden toegewezen. 5.8 [verweerder] heeft de kantonrechter verzocht de loonvordering te matigen op grond van artikel 7:680a BW. De rechter is op grond van dat artikel bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Er is geen sprake van vernietiging van de opzegging en daarom geen aanleiding voor matiging van de loonvordering. 5.9 [verweerder] heeft de kantonrechter daarnaast verzocht de wettelijke verhoging en de wettelijke rente te matigen. Artikel 7:625 BW geeft de werknemer aanspraak op een wettelijke verhoging van zijn loon, indien het loon niet tijdig is voldaan. De rechter kan de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem onder de gegeven omstandigheden billijk voorkomt. In dit geval heeft [verweerder] zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. [verzoeker] is daar van meet af aan tegen opgekomen. Dat het loon te laat is betaald is daarom volledig te wijten aan [verweerder] en niet aan [verzoeker] . De kantonrechter zal daarom niet matigen en de volledige wettelijke verhoging en wettelijke rente toewijzen. studiekosten 5.10 [verzoeker] verzoekt de kantonrechter te veroordelen tot betaling van de door haar voorgeschoten kosten van supervisie en leertherapie over de periode september tot en met december 2025 van € 4.800,00. Dit zijn kosten die verband houden met het praktijkdeel van de opleiding.
Volledig
Dit wordt schriftelijk aan de boekhouding doorgegeven.” 4 De verzoeken over en weer 4.1 [verzoeker] verzoekt de kantonrechter (na wijziging van eis): In het kader van de loonvordering de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen dan wel nietig te verklaren, voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, [verweerder] te veroordelen het loon te betalen vanaf de maand juni 2025, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, [verweerder] te veroordelen de vakantietoeslag van 8% te betalen vanaf juni 2025 tot einde dienstverband, [verweerder] te veroordelen daarvan deugdelijke loonspecificaties te verstrekken, [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van supervisie en leertherapie over de periode september tot en met december 2025 van € 4.800,00, [verweerder] te veroordelen tot afdracht van de overeengekomen pensioenbijdrage van 5% van het maandelijkse brutoloon aan [verzoeker] en tot afdracht aan pensioenfonds PFZW van de bijdrage waartoe [verweerder] verplicht is op grond van de wet en/of CAO, c.q. op grond van het in 2024 en 2025 vigerende besluit verplichtstelling van het PFZW bedrijfstakpensioenfonds. Voor het geval het ontbindingsverzoek van [verweerder] (artikel 7:671b BW) wordt toegewezen [verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding (artikel 7:673 BW) van € 1.572,77 aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 105.000,00 toe te kennen vanwege ernstige verwijtbaar handelen van [verweerder] te veroordelen tot het uitbetalen van 66 uur niet-genoten vakantiedagen tot 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 [verweerder] te veroordelen daarvan een deugdelijke eindafrekening te verstrekken en het netto equivalent daarvan binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst te voldoen, Met betrekking tot het zelfstandige verzoek tot ontbinding (artikel 7:671c BW) - ( (voorwaardelijk) de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 31 januari 2026 onder toekenning van de hiervoor genoemde bedragen en verzoeken, - en tot slot, [verweerder] te veroordelen in de proceskosten. 4.2 [verweerder] voert verweer. Zij vraagt de kantonrechter [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd verzoekt [verweerder] de kantonrechter: de arbeidsovereenkomst te beëindigen per de vroegst mogelijke datum, wegens disfunctioneren (d-grond) en/of wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en/of de andere omstandigheden die niet onder de hiervoor genoemde gronden vallen (h-grond en/of een cumulatie van alle omstandigheden (i-grond) bij de einddatum rekening te houden met de al verstreken proceduretijd bij toewijzing van het ontbindingsverzoek de transitievergoeding vast te stellen op basis van de wet, dan wel, wanneer sprake is van de i-grond, te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op de vergoeding of die op het laagst mogelijke bedrag vast te stellen, te bepalen dat geen recht bestaat op een billijke vergoeding, dan wel deze zo laag mogelijk dan wel op nihil te stellen, [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten. 5 De beoordeling De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd op 12 juni 2025 5.1 [verzoeker] is ontvankelijk in haar vordering. Het gaat in deze zaak niet alleen om een loonvordering, maar ook een (mogelijke) opzegging van een arbeidsovereenkomst én een ontbindingsverzoek. De zaak kan daarom als geheel door de kantonrechter in de verzoekschriftprocedure worden behandeld. [verzoeker] is ook niet te laat, omdat geen sprake is van een opzegging met onmiddellijke ingang, en de vervaltermijn van artikel 7:686a BW daarom niet geldt. 5.2 De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd op 12 juni 2025, omdat de ontbindende voorwaarde waarop [verweerder] zich beroept niet geldig is en bovendien de opleiding niet gestopt is op die dag, zodat ook niet aan de voorwaarde voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege is voldaan. 5.3 Een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst moet aan drie voorwaarden voldoen: de ontbindende voorwaarde moet verenigbaar zijn met het wettelijk ontslagstelsel, de werkgever mag geen invloed (kunnen) uitoefenen op het al dan niet intreden van de ontbindende voorwaarde en het moment van het intreden van de ontbindende voorwaarde moet objectief bepaalbaar zijn. 5.4 In dit geval is [verweerder] een arbeidsovereenkomst en leerovereenkomst aangegaan met [verzoeker] en (voor wat betreft de leerovereenkomst) Rino Zuid. [verweerder] heeft op basis van deze overeenkomst de verplichting om zorg te dragen voor het praktijkdeel van de opleiding van [verzoeker] . Zij kan daarvoor iemand (als zzp-er) inhuren, zoals in dit geval de praktijkleider, maar de verantwoordelijkheid blijft bij [verweerder] . Dat betekent dat als de praktijkleider haar opdracht beëindigt, [verweerder] in beginsel gehouden is de opleiding zelf op zich te nemen of een andere praktijkleider in te huren. Door geen nieuwe praktijkleider in te huren kan [verweerder] als werkgever invloed uitoefenen op het intreden van de ontbindende voorwaarde, en dat mag niet. Dat betekent concreet dat geen sprake is van een rechtsgeldige (en dus nietige) voorwaarde en dat de arbeidsovereenkomst dus niet is geëindigd. 5.5 Daarbij merkt de kantonrechter op dat wanneer de ontbindende voorwaarde wel rechtsgeldig zou zijn geweest de arbeidsovereenkomst ook niet was geëindigd. De praktijkopleider had immers de opleiding niet gestaakt maar gepauzeerd, zodat [verweerder] en [verzoeker] eerst hun arbeidsconflict samen konden oplossen. Dat er op 12 juni 2025 niet meer werd voldaan aan de opleidingseisen en de overeenkomst daarom eindigde is alleen al om die reden feitelijk onjuist. 5.6 Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd op 12 juni 2025. Nu vast staat dat niet is opgezegd maar een beroep is gedaan op een ontbindende voorwaarde, zal het verzoek de opzegging te vernietigen of nietig te verklaren worden afgewezen. De verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd (op 12 juni 2025) zal wel worden toegewezen. [verweerder] moet het loon en de overige emolumenten betalen tot einde dienstverband 5.7 Omdat de arbeidsovereenkomst nooit is geëindigd staat vast dat [verweerder] gehouden was het loon door te betalen en dat heeft zij niet gedaan. Dat betekent dat de loonvordering, de vordering tot betaling van 8% vakantietoeslag en het verstrekken van deugdelijke specificaties zullen worden toegewezen. 5.8 [verweerder] heeft de kantonrechter verzocht de loonvordering te matigen op grond van artikel 7:680a BW. De rechter is op grond van dat artikel bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Er is geen sprake van vernietiging van de opzegging en daarom geen aanleiding voor matiging van de loonvordering. 5.9 [verweerder] heeft de kantonrechter daarnaast verzocht de wettelijke verhoging en de wettelijke rente te matigen. Artikel 7:625 BW geeft de werknemer aanspraak op een wettelijke verhoging van zijn loon, indien het loon niet tijdig is voldaan. De rechter kan de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem onder de gegeven omstandigheden billijk voorkomt. In dit geval heeft [verweerder] zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. [verzoeker] is daar van meet af aan tegen opgekomen. Dat het loon te laat is betaald is daarom volledig te wijten aan [verweerder] en niet aan [verzoeker] . De kantonrechter zal daarom niet matigen en de volledige wettelijke verhoging en wettelijke rente toewijzen. studiekosten 5.10 [verzoeker] verzoekt de kantonrechter te veroordelen tot betaling van de door haar voorgeschoten kosten van supervisie en leertherapie over de periode september tot en met december 2025 van € 4.800,00. Dit zijn kosten die verband houden met het praktijkdeel van de opleiding.
Volledig
Op grond van artikel 4 lid 4 van de arbeidsovereenkomst draagt de praktijkinstelling de kosten voor het uitvoeren van het praktijkgedeelte van de opleiding (ook als de praktijkinstelling daarvoor geen of niet langer subsidie ontvangt). De kantonrechter stelt voorop dat [verweerder] niet heeft betwist dat deze kosten onder de studiekosten vallen die door de werkgever worden vergoed, zij daadwerkelijk zijn gemaakt en ook niet dat [verzoeker] deze kosten heeft voorgeschoten. De kantonrechter begrijpt het verweer van [verweerder] op dit punt aldus dat [verzoeker] omdat zij geen wedertewerkstelling heeft gevorderd en zich niet nadrukkelijk beschikbaar heeft gehouden voor haar werk én opleiding [verweerder] deze kosten niet hoeft te betalen. 5.11 De kantonrechter overweegt dat [verzoeker] zich niet beschikbaar hoefde te houden of wedertewerkstelling te vorderen. Er is geen sprake van een opzegging of beëindiging. [verzoeker] had zich op 16 juni 2025 ziek gemeld. Dat betekent dat [verweerder] in beginsel vanaf 16 juni 2025 gehouden was de re-integratie ter hand te nemen. De omstandigheid dat [verzoeker] ziek was betekent niet dat de kosten voor de praktijkopleiding niet meer door [verweerder] hoeven te worden betaald. Die kosten worden daarom ook toegewezen. Voor een beslissing over de pensioenpremie is meer informatie nodig 5.12 [verzoeker] verzoekt veroordeling van [verweerder] tot afdracht van de verschuldigde pensioenpremie. Zij heeft dat verzoek later aangevuld in die zin dat afdracht wordt verzocht van 5% van het maandelijks brutoloon aan [verzoeker] én tot afdracht aan pensioenfonds PFZW van de bijdrage waartoe [verweerder] verplicht is op grond van de wet en/of CAO, c,q, op grond van het in 2024 en 2025 vigerende besluit verplichtstelling PFZW bedrijfstakpensioenfonds. 5.13 De kantonrechter stelt voorop dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat [verweerder] bijdraagt aan een pensioenvoorziening. Er bestaat daarom hoe dan ook een verplichting om pensioenpremie af te dragen voor [verzoeker] , zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt. Het is niet aannemelijk dat partijen hebben bedoeld overeen te komen dat de in de arbeidsovereenkomst genoemde voorziening naast een eventuele verplichting tot deelname aan een bedrijfstakpensioen bestaat. Het is het een of het ander. Dat betekent dat als er sprake is van een verplichtstelling tot deelname aan het bedrijfstakepensioen, die regeling voorgaat. 5.14 Ter onderbouwing van haar standpunt dat [verweerder] onder het pensioenfonds valt heeft [verzoeker] een e-mailbericht overgelegd van mevrouw [D] , medewerker werkgeverszaken bij pfzw, van 29 oktober 2025, waarin zij aangeeft dat zij bezig is met de aansluiting van [verweerder] en dat zij er, op basis van de informatie die zij heeft ontvangen van [verweerder] , vanuit gaat dat [verweerder] vanaf 1 januari 2024 onder de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds valt. De kantonrechter ziet daarin een belangrijke aanwijzing dat [verweerder] onder de verplichtstelling valt. 5.15 Gespecialiseerde gezondheidszorg valt in beginsel onder het verplichtstellingsbesluit . Of een integrale zorginstelling, zoals [verweerder] stelt te zijn, onder een vrijstelling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) valt, is afhankelijk van de specifieke activiteiten en de financieringsstructuur van de instelling. Dat wordt individueel beoordeeld. [verweerder] stelt weliswaar dat zij onder een vrijstellingsbesluit valt, maar onderbouwt dat verder niet. Het vrijstellingsbesluit is ook niet overgelegd. De vraag of [verweerder] onder de verplichtstelling valt staat niet ter vrije bepaling aan partijen. De kantonrechter heeft die informatie wel nodig om te kunnen oordelen over de pensioenverplichtingen van [verweerder] jegens [verzoeker] . Hij zal daarom [verweerder] in de gelegenheid stellen het vrijstellingsbesluit alsnog in het geding te brengen. [verzoeker] mag daar dan nog op reageren. De kantonrechter zal daarom de beslissing over de pensioenpremie aanhouden. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst 5.16 Nu vast staat dat de arbeidsovereenkomst niet op 12 juni 2025 is geëindigd moet de kantonrechter beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verzoeker] de transitievergoeding, een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daarnaast heeft [verzoeker] een aantal nevenverzoeken ingediend, waarover de kantonrechter eveneens zal oordelen. Opzegverbod 5.17 Op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt of aan de ontbinding in de weg staat. Dit is niet het geval. Ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) 5.18 [verweerder] heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 5.19 De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Omdat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord en verdere samenwerking daardoor niet meer mogelijk is, is sprake van een voldragen g-grond. Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede, aangezien [verzoeker] zelf erkent dat zij niet meer terug kan naar [verweerder] . De ontbinding wordt dan ook toegewezen. Opzegtermijn 5.20 Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 februari 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige (dat wil zeggen gewone) opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld 5.21 Het houdt partijen verdeeld of [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit is van belang voor de vraag of [verweerder] aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet betalen. 5.22 Van ernstige verwijtbaarheid is alleen sprake in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Waarom dat zo is legt de kantonrechter hierna uit. 5.23 Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat het te ver voert om hier alle vermeende voorvallen te bespreken die partijen uiteen hebben gezet in hun processtukken en waarop partijen een geheel andere zienswijze hebben. Duidelijk is dat eigenlijk vanaf de indiensttreding veel strubbelingen hebben plaatsgevonden tussen partijen. In de kern gaat het daarbij om de volgende verwijten: Partijen verschillen van mening over de vraag of is overeengekomen dat [verzoeker] voor 20 uur per week is aangenomen, maar 4 uur daarvan onbetaalde studie-uren zijn of dat zij de volledige 20 uur uitbetaald moet krijgen. Partijen verschillen van mening over wat daarover in de salarisonderhandelingen is afgesproken en wat in dat kader de opleidingseisen zijn. [verweerder] vond dat [verzoeker] niet voldoende productieve (en declarabele) uren werkte, [verzoeker] meende dat zij (meer dan) voldeed aan wat op grond van de opleidingseisen aan productieve uren van haar verwacht mocht worden. Tussen partijen bestond van het begin af aan onenigheid over de wijze waarop [verzoeker] haar agenda indeelde, onder ander wat betreft reistijd en thuiswerken. De pensioenbijdrage werd niet betaald. Door bovenstaande geschilpunten is de arbeidsverhouding ernstig verstoord geraakt. Van [verweerder] mag als werkgever verwacht worden dat zij serieus probeert die verstoorde arbeidsrelatie te herstellen door – bijvoorbeeld – het voeren van constructieve gesprekken en het maken van werkafspraken. De kantonrechter is van mening dat [verweerder] daar onvoldoende moeite voor heeft gedaan.
Volledig
Op grond van artikel 4 lid 4 van de arbeidsovereenkomst draagt de praktijkinstelling de kosten voor het uitvoeren van het praktijkgedeelte van de opleiding (ook als de praktijkinstelling daarvoor geen of niet langer subsidie ontvangt). De kantonrechter stelt voorop dat [verweerder] niet heeft betwist dat deze kosten onder de studiekosten vallen die door de werkgever worden vergoed, zij daadwerkelijk zijn gemaakt en ook niet dat [verzoeker] deze kosten heeft voorgeschoten. De kantonrechter begrijpt het verweer van [verweerder] op dit punt aldus dat [verzoeker] omdat zij geen wedertewerkstelling heeft gevorderd en zich niet nadrukkelijk beschikbaar heeft gehouden voor haar werk én opleiding [verweerder] deze kosten niet hoeft te betalen. 5.11 De kantonrechter overweegt dat [verzoeker] zich niet beschikbaar hoefde te houden of wedertewerkstelling te vorderen. Er is geen sprake van een opzegging of beëindiging. [verzoeker] had zich op 16 juni 2025 ziek gemeld. Dat betekent dat [verweerder] in beginsel vanaf 16 juni 2025 gehouden was de re-integratie ter hand te nemen. De omstandigheid dat [verzoeker] ziek was betekent niet dat de kosten voor de praktijkopleiding niet meer door [verweerder] hoeven te worden betaald. Die kosten worden daarom ook toegewezen. Voor een beslissing over de pensioenpremie is meer informatie nodig 5.12 [verzoeker] verzoekt veroordeling van [verweerder] tot afdracht van de verschuldigde pensioenpremie. Zij heeft dat verzoek later aangevuld in die zin dat afdracht wordt verzocht van 5% van het maandelijks brutoloon aan [verzoeker] én tot afdracht aan pensioenfonds PFZW van de bijdrage waartoe [verweerder] verplicht is op grond van de wet en/of CAO, c,q, op grond van het in 2024 en 2025 vigerende besluit verplichtstelling PFZW bedrijfstakpensioenfonds. 5.13 De kantonrechter stelt voorop dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat [verweerder] bijdraagt aan een pensioenvoorziening. Er bestaat daarom hoe dan ook een verplichting om pensioenpremie af te dragen voor [verzoeker] , zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt. Het is niet aannemelijk dat partijen hebben bedoeld overeen te komen dat de in de arbeidsovereenkomst genoemde voorziening naast een eventuele verplichting tot deelname aan een bedrijfstakpensioen bestaat. Het is het een of het ander. Dat betekent dat als er sprake is van een verplichtstelling tot deelname aan het bedrijfstakepensioen, die regeling voorgaat. 5.14 Ter onderbouwing van haar standpunt dat [verweerder] onder het pensioenfonds valt heeft [verzoeker] een e-mailbericht overgelegd van mevrouw [D] , medewerker werkgeverszaken bij pfzw, van 29 oktober 2025, waarin zij aangeeft dat zij bezig is met de aansluiting van [verweerder] en dat zij er, op basis van de informatie die zij heeft ontvangen van [verweerder] , vanuit gaat dat [verweerder] vanaf 1 januari 2024 onder de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds valt. De kantonrechter ziet daarin een belangrijke aanwijzing dat [verweerder] onder de verplichtstelling valt. 5.15 Gespecialiseerde gezondheidszorg valt in beginsel onder het verplichtstellingsbesluit . Of een integrale zorginstelling, zoals [verweerder] stelt te zijn, onder een vrijstelling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) valt, is afhankelijk van de specifieke activiteiten en de financieringsstructuur van de instelling. Dat wordt individueel beoordeeld. [verweerder] stelt weliswaar dat zij onder een vrijstellingsbesluit valt, maar onderbouwt dat verder niet. Het vrijstellingsbesluit is ook niet overgelegd. De vraag of [verweerder] onder de verplichtstelling valt staat niet ter vrije bepaling aan partijen. De kantonrechter heeft die informatie wel nodig om te kunnen oordelen over de pensioenverplichtingen van [verweerder] jegens [verzoeker] . Hij zal daarom [verweerder] in de gelegenheid stellen het vrijstellingsbesluit alsnog in het geding te brengen. [verzoeker] mag daar dan nog op reageren. De kantonrechter zal daarom de beslissing over de pensioenpremie aanhouden. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst 5.16 Nu vast staat dat de arbeidsovereenkomst niet op 12 juni 2025 is geëindigd moet de kantonrechter beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verzoeker] de transitievergoeding, een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daarnaast heeft [verzoeker] een aantal nevenverzoeken ingediend, waarover de kantonrechter eveneens zal oordelen. Opzegverbod 5.17 Op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt of aan de ontbinding in de weg staat. Dit is niet het geval. Ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) 5.18 [verweerder] heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 5.19 De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Omdat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord en verdere samenwerking daardoor niet meer mogelijk is, is sprake van een voldragen g-grond. Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede, aangezien [verzoeker] zelf erkent dat zij niet meer terug kan naar [verweerder] . De ontbinding wordt dan ook toegewezen. Opzegtermijn 5.20 Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 februari 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige (dat wil zeggen gewone) opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld 5.21 Het houdt partijen verdeeld of [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit is van belang voor de vraag of [verweerder] aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet betalen. 5.22 Van ernstige verwijtbaarheid is alleen sprake in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Waarom dat zo is legt de kantonrechter hierna uit. 5.23 Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat het te ver voert om hier alle vermeende voorvallen te bespreken die partijen uiteen hebben gezet in hun processtukken en waarop partijen een geheel andere zienswijze hebben. Duidelijk is dat eigenlijk vanaf de indiensttreding veel strubbelingen hebben plaatsgevonden tussen partijen. In de kern gaat het daarbij om de volgende verwijten: Partijen verschillen van mening over de vraag of is overeengekomen dat [verzoeker] voor 20 uur per week is aangenomen, maar 4 uur daarvan onbetaalde studie-uren zijn of dat zij de volledige 20 uur uitbetaald moet krijgen. Partijen verschillen van mening over wat daarover in de salarisonderhandelingen is afgesproken en wat in dat kader de opleidingseisen zijn. [verweerder] vond dat [verzoeker] niet voldoende productieve (en declarabele) uren werkte, [verzoeker] meende dat zij (meer dan) voldeed aan wat op grond van de opleidingseisen aan productieve uren van haar verwacht mocht worden. Tussen partijen bestond van het begin af aan onenigheid over de wijze waarop [verzoeker] haar agenda indeelde, onder ander wat betreft reistijd en thuiswerken. De pensioenbijdrage werd niet betaald. Door bovenstaande geschilpunten is de arbeidsverhouding ernstig verstoord geraakt. Van [verweerder] mag als werkgever verwacht worden dat zij serieus probeert die verstoorde arbeidsrelatie te herstellen door – bijvoorbeeld – het voeren van constructieve gesprekken en het maken van werkafspraken. De kantonrechter is van mening dat [verweerder] daar onvoldoende moeite voor heeft gedaan.
Volledig
[verweerder] heeft de zaken op onnodig op scherp gesteld door geen open gesprek te laten plaatsvinden, maar door voorafgaand aan het gesprek van 12 juni 2025 juist een dwingend ‘voorstel’ te doen, waarin al op voorhand werd ‘vastgesteld’ dat [verzoeker] te weinig uren zou hebben gewerkt en is gezegd dat [verzoeker] deze tijd moest inhalen. De betaling van de pensioenafdracht werd bovendien afhankelijk gesteld van het voldoen aan de in de brief van 11 juni 2025 door [verweerder] gestelde eisen. [verweerder] heeft hierdoor een groot aandeel gehad in de verstoring van de arbeidsrelatie, vooral in het laten escaleren en voortbestaan daarvan. In de brief van 15 juni 2025 die volgde heeft [verweerder] de situatie verder laten escaleren, door te stellen dat alleen door toedoen van [verzoeker] sprake was van een arbeidsconflict. Verder heeft [verweerder] op dat moment al gesteld dat het contract niet meer geldig zou zijn. [verzoeker] zou vervolgens vijf dagen moeten wachten tot de jurist van [verweerder] naar de zaak kan hebben gekeken (terwijl [verzoeker] zelf geen ruimte kreeg voor overleg met haar gemachtigde). Ook werd er een officiële waarschuwing gegeven en werd zij de volgende dag nog wel op het werk werd verwacht. In de brief van 17 juni 2025 heeft [verweerder] zich ten slotte op het standpunt gesteld dat het contract op 12 juni 2025 was geëindigd. 5.24 Dit is naar het oordeel van de kantonrechter verwijtbaar. Wat het gedrag van [verweerder] vervolgens ook ernstig verwijtbaar maakt, is dat [verzoeker] herhaaldelijk heeft gevraagd om de in de brief van 11 juni 2025 door de werkgever ingenomen stellingen, die vrij essentiële onderdelen van haar arbeidsovereenkomst betroffen, met een jurist te mogen bespreken, alvorens het gesprek te voeren. Zij heeft dat verzoek zelfs nog tijdens het gesprek herhaald. Dat verzoek is door de werkgever herhaaldelijk en nadrukkelijk geweigerd, terwijl er geen enkele reden was waarom het gesprek niet enige dagen later zou kunnen plaatsvinden. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en dat heeft de volgende consequenties. [verweerder] moet de transitievergoeding betalen 5.25 Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. [verzoeker] stelt dat de transitievergoeding € 1.572,77 bruto bedraagt en dat is door [verweerder] niet betwist, zodat dat bedrag zal worden toegewezen. Voor de betaling van de transitievergoeding geldt dat deze binnen een maand na het dienstverband moet zijn betaald. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 maart 2026. [verweerder] moet een billijke vergoeding betalen 5.26 Omdat hiervoor is geoordeeld dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft [verzoeker] aanspraak op een billijke vergoeding en moet vervolgens worden geoordeeld over de hoogte van de billijke vergoeding. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 5.27 De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 4.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. Gelet op de vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst bestaande strubbelingen tussen partijen en de onvrede over en weer en de ontevredenheid van [verweerder] over de (opleidingsprestaties en) werkzaamheden van [verzoeker] , acht de kantonrechter het zich goed voorstelbaar dat ook zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] , het dienstverband op niet al te lange termijn op rechtmatige wijze tot een einde was gekomen. Daarbij weegt ook mee dat het dienstverband in beginsel als doel had het mogelijk te maken de opleiding tot psychotherapeut. [verzoeker] stelt weliswaar dat het onzeker is of zij elders een opleidingsplaats vindt, maar [verzoeker] heeft niet (voldoende) gesteld en ook niet onderbouwd, waarom dit voor haar moeilijk zal zijn. Dat het optreden van [verweerder] grote mentale en fysieke gevolgen heeft voor [verzoeker] en dat dit langdurig zal doorwerken is ook niet onderbouwd. Voor een zeer omvangrijke vergoeding, zoals [verzoeker] vraagt, ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten. 5.28 De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De nevenverzoeken van [verzoeker] worden toegewezen 5.29 [verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht [verweerder] te veroordelen tot uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen (bestaande uit 66 uur per 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst en tot het opstellen en verstrekken van een gespecificeerde eindafrekening. [verweerder] heeft daartegen geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat dit zal worden toegewezen. [verweerder] krijgt een intrekkingstermijn 5.30 De wet bepaalt dat een verzoekende partij de gelegenheid moet krijgen om haar verzoek in te trekken wanneer de ontbinding wordt uitgesproken onder toekenning van een billijke vergoeding. [verweerder] krijgt daarom de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn. Het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van [verzoeker] wordt toegewezen 5.31 Als [verweerder] gebruik maakt van de mogelijkheid het ontbindingsverzoek in te trekken, betekent dat in beginsel dat de arbeidsovereenkomst toch doorloopt. Die situatie vindt de kantonrechter, gelet op alle hiervoor besproken omstandigheden, onwenselijk. De kantonrechter begrijpt het verzaak van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (op grond van artikel 7:671c BW) dan ook als een voorwaardelijk verzoek, bedoeld voor deze situatie. Het zelfstandig ontbindingsverzoek van [verzoeker] zal dan ook voorwaardelijk worden toegewezen, tegen dezelfde datum en onder toewijzing van dezelfde vergoedingen, namelijk voor zover [verweerder] gebruik maakt van de wettelijke mogelijkheid tot intrekking van het verzoek, zoals hiervoor omschreven. de proceskosten 5.32 De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden totdat eindbeschikking wordt gewezen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard 5.33 De beschikking zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat partijen direct aan de beschikking moeten voldoen, ook wanneer één van partijen daartegen hoger beroep instelt.
Volledig
[verweerder] heeft de zaken op onnodig op scherp gesteld door geen open gesprek te laten plaatsvinden, maar door voorafgaand aan het gesprek van 12 juni 2025 juist een dwingend ‘voorstel’ te doen, waarin al op voorhand werd ‘vastgesteld’ dat [verzoeker] te weinig uren zou hebben gewerkt en is gezegd dat [verzoeker] deze tijd moest inhalen. De betaling van de pensioenafdracht werd bovendien afhankelijk gesteld van het voldoen aan de in de brief van 11 juni 2025 door [verweerder] gestelde eisen. [verweerder] heeft hierdoor een groot aandeel gehad in de verstoring van de arbeidsrelatie, vooral in het laten escaleren en voortbestaan daarvan. In de brief van 15 juni 2025 die volgde heeft [verweerder] de situatie verder laten escaleren, door te stellen dat alleen door toedoen van [verzoeker] sprake was van een arbeidsconflict. Verder heeft [verweerder] op dat moment al gesteld dat het contract niet meer geldig zou zijn. [verzoeker] zou vervolgens vijf dagen moeten wachten tot de jurist van [verweerder] naar de zaak kan hebben gekeken (terwijl [verzoeker] zelf geen ruimte kreeg voor overleg met haar gemachtigde). Ook werd er een officiële waarschuwing gegeven en werd zij de volgende dag nog wel op het werk werd verwacht. In de brief van 17 juni 2025 heeft [verweerder] zich ten slotte op het standpunt gesteld dat het contract op 12 juni 2025 was geëindigd. 5.24 Dit is naar het oordeel van de kantonrechter verwijtbaar. Wat het gedrag van [verweerder] vervolgens ook ernstig verwijtbaar maakt, is dat [verzoeker] herhaaldelijk heeft gevraagd om de in de brief van 11 juni 2025 door de werkgever ingenomen stellingen, die vrij essentiële onderdelen van haar arbeidsovereenkomst betroffen, met een jurist te mogen bespreken, alvorens het gesprek te voeren. Zij heeft dat verzoek zelfs nog tijdens het gesprek herhaald. Dat verzoek is door de werkgever herhaaldelijk en nadrukkelijk geweigerd, terwijl er geen enkele reden was waarom het gesprek niet enige dagen later zou kunnen plaatsvinden. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en dat heeft de volgende consequenties. [verweerder] moet de transitievergoeding betalen 5.25 Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. [verzoeker] stelt dat de transitievergoeding € 1.572,77 bruto bedraagt en dat is door [verweerder] niet betwist, zodat dat bedrag zal worden toegewezen. Voor de betaling van de transitievergoeding geldt dat deze binnen een maand na het dienstverband moet zijn betaald. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 maart 2026. [verweerder] moet een billijke vergoeding betalen 5.26 Omdat hiervoor is geoordeeld dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft [verzoeker] aanspraak op een billijke vergoeding en moet vervolgens worden geoordeeld over de hoogte van de billijke vergoeding. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 5.27 De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 4.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. Gelet op de vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst bestaande strubbelingen tussen partijen en de onvrede over en weer en de ontevredenheid van [verweerder] over de (opleidingsprestaties en) werkzaamheden van [verzoeker] , acht de kantonrechter het zich goed voorstelbaar dat ook zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] , het dienstverband op niet al te lange termijn op rechtmatige wijze tot een einde was gekomen. Daarbij weegt ook mee dat het dienstverband in beginsel als doel had het mogelijk te maken de opleiding tot psychotherapeut. [verzoeker] stelt weliswaar dat het onzeker is of zij elders een opleidingsplaats vindt, maar [verzoeker] heeft niet (voldoende) gesteld en ook niet onderbouwd, waarom dit voor haar moeilijk zal zijn. Dat het optreden van [verweerder] grote mentale en fysieke gevolgen heeft voor [verzoeker] en dat dit langdurig zal doorwerken is ook niet onderbouwd. Voor een zeer omvangrijke vergoeding, zoals [verzoeker] vraagt, ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten. 5.28 De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De nevenverzoeken van [verzoeker] worden toegewezen 5.29 [verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht [verweerder] te veroordelen tot uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen (bestaande uit 66 uur per 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst en tot het opstellen en verstrekken van een gespecificeerde eindafrekening. [verweerder] heeft daartegen geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat dit zal worden toegewezen. [verweerder] krijgt een intrekkingstermijn 5.30 De wet bepaalt dat een verzoekende partij de gelegenheid moet krijgen om haar verzoek in te trekken wanneer de ontbinding wordt uitgesproken onder toekenning van een billijke vergoeding. [verweerder] krijgt daarom de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn. Het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van [verzoeker] wordt toegewezen 5.31 Als [verweerder] gebruik maakt van de mogelijkheid het ontbindingsverzoek in te trekken, betekent dat in beginsel dat de arbeidsovereenkomst toch doorloopt. Die situatie vindt de kantonrechter, gelet op alle hiervoor besproken omstandigheden, onwenselijk. De kantonrechter begrijpt het verzaak van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (op grond van artikel 7:671c BW) dan ook als een voorwaardelijk verzoek, bedoeld voor deze situatie. Het zelfstandig ontbindingsverzoek van [verzoeker] zal dan ook voorwaardelijk worden toegewezen, tegen dezelfde datum en onder toewijzing van dezelfde vergoedingen, namelijk voor zover [verweerder] gebruik maakt van de wettelijke mogelijkheid tot intrekking van het verzoek, zoals hiervoor omschreven. de proceskosten 5.32 De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden totdat eindbeschikking wordt gewezen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard 5.33 De beschikking zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat partijen direct aan de beschikking moeten voldoen, ook wanneer één van partijen daartegen hoger beroep instelt.
Volledig
6 De beslissing De kantonrechter: Ten aanzien van het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst na 12 juni 2025: 6.1 verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en [verzoeker] niet is geëindigd op 12 juni 2025; 6.2 veroordeelt [verweerder] tot doorbetaling van het loon aan [verzoeker] , op basis van het salaris volgens functionele schaal 65B trede 13, op basis van 20 uur per week, onder verstrekking van deugdelijke loonspecificaties; 6.3 veroordeelt [verweerder] tot betaling van de vakantietoeslag van 8% te rekenen vanaf juni 2025 tot einde dienstverband; 6.4 veroordeelt [verweerder] de betalingen onder 6.2 en 6.3 te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente (vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling) 6.5 veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] , tegen behoorlijkbewijs van kwijting, van de kosten van supervisie en leertherapie over de periode september tot en met december 2025 ten bedrage van € 4.800,00, Ten aanzien van het ontbindingsverzoek van [verweerder] 6.6 stelt [verweerder] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 7 januari 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij, voor het geval [verweerder] het verzoek niet binnen die termijn intrekt: 6.7 ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2025, 6.8 veroordeelt [verweerder] om, onder overlegging van een bruto netto specificatie, aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.572,77 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, 6.9 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 4.000,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling, 6.10 veroordeelt [verweerder] tot betaling van de niet genoten vakantiedagen (bestaande uit 66 uur per 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst 6.11 veroordeelt [verweerder] tot het opstellen en verstrekken van een gespecificeerde eindafrekening; voor het geval [verweerder] het verzoek wel binnen die termijn intrekt: Ten aanzien van het ontbindingsverzoek van [verzoeker] 6.12 ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2025, 6.13 veroordeelt [verweerder] om, onder overlegging van een bruto netto specificatie, aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.572,77 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, 6.14 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 4.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling, 6.15 veroordeelt [verweerder] tot betaling van de niet genoten vakantiedagen (bestaande uit 66 uur per 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst; 6.16 veroordeelt [verweerder] tot het opstellen en verstrekken van een gespecificeerde eindafrekening; 6.17 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; Ten aanzien van de pensioenaanspraken: 6.18 bepaalt dat [verweerder] uiterlijk 7 januari 2026 het vrijstellingsbesluit in het geding moet brengen op grond waarvan voor haar een vrijstelling blijkt voor het bedrijfstakpensioenfonds van PFZW; 6.19 bepaalt dat [verzoeker] daar uiterlijk vier weken later schriftelijk op mag reageren bij akte. 6.20 houdt de beslissing op dit punt en op het punt van de proceskostenveroordeling aan. Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. 184 Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds Zorg en Welzijn, 27 augustus 2024, Staatscourant 2024 nr. 27714 en Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds Zorg en Welzijn van 28 juni 2022, Staatscourant 2022 nr. 9120-n1 en de wijziging van dat Besluit van 23 juni 2022, Staatscourant 2022 nr. 9120 Artikel 7:686a lid 6 BW.
Volledig
6 De beslissing De kantonrechter: Ten aanzien van het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst na 12 juni 2025: 6.1 verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en [verzoeker] niet is geëindigd op 12 juni 2025; 6.2 veroordeelt [verweerder] tot doorbetaling van het loon aan [verzoeker] , op basis van het salaris volgens functionele schaal 65B trede 13, op basis van 20 uur per week, onder verstrekking van deugdelijke loonspecificaties; 6.3 veroordeelt [verweerder] tot betaling van de vakantietoeslag van 8% te rekenen vanaf juni 2025 tot einde dienstverband; 6.4 veroordeelt [verweerder] de betalingen onder 6.2 en 6.3 te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente (vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling) 6.5 veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] , tegen behoorlijkbewijs van kwijting, van de kosten van supervisie en leertherapie over de periode september tot en met december 2025 ten bedrage van € 4.800,00, Ten aanzien van het ontbindingsverzoek van [verweerder] 6.6 stelt [verweerder] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 7 januari 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij, voor het geval [verweerder] het verzoek niet binnen die termijn intrekt: 6.7 ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2025, 6.8 veroordeelt [verweerder] om, onder overlegging van een bruto netto specificatie, aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.572,77 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, 6.9 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 4.000,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling, 6.10 veroordeelt [verweerder] tot betaling van de niet genoten vakantiedagen (bestaande uit 66 uur per 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst 6.11 veroordeelt [verweerder] tot het opstellen en verstrekken van een gespecificeerde eindafrekening; voor het geval [verweerder] het verzoek wel binnen die termijn intrekt: Ten aanzien van het ontbindingsverzoek van [verzoeker] 6.12 ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2025, 6.13 veroordeelt [verweerder] om, onder overlegging van een bruto netto specificatie, aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.572,77 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, 6.14 veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 4.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling, 6.15 veroordeelt [verweerder] tot betaling van de niet genoten vakantiedagen (bestaande uit 66 uur per 1 juni 2025, te vermeerderen met 8,33 verlofuren voor iedere maand vanaf juni 2025 binnen 14 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst; 6.16 veroordeelt [verweerder] tot het opstellen en verstrekken van een gespecificeerde eindafrekening; 6.17 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; Ten aanzien van de pensioenaanspraken: 6.18 bepaalt dat [verweerder] uiterlijk 7 januari 2026 het vrijstellingsbesluit in het geding moet brengen op grond waarvan voor haar een vrijstelling blijkt voor het bedrijfstakpensioenfonds van PFZW; 6.19 bepaalt dat [verzoeker] daar uiterlijk vier weken later schriftelijk op mag reageren bij akte. 6.20 houdt de beslissing op dit punt en op het punt van de proceskostenveroordeling aan. Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025. 184 Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds Zorg en Welzijn, 27 augustus 2024, Staatscourant 2024 nr. 27714 en Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds Zorg en Welzijn van 28 juni 2022, Staatscourant 2022 nr. 9120-n1 en de wijziging van dat Besluit van 23 juni 2022, Staatscourant 2022 nr. 9120 Artikel 7:686a lid 6 BW.