Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-10
ECLI:NL:RBMNE:2025:7842
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,898 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7842 text/xml public 2026-04-17T11:05:21 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-10 11662712 \ LC EXPL 25-925 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7842 text/html public 2026-04-17T11:04:44 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7842 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / 11662712 \ LC EXPL 25-925 werkzaamheden in de tuin, ontbinding, schadevergoeding RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11662712 \ LC EXPL 25-925 Vonnis van 10 december 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. L. Gussinklo (van Bleijerveld Juridisch Advies B.V.), tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. V.L.M.J. Boitelle. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 april 2025 met producties 1 tot en met 13; - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; - de brief van 17 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling op 7 november 2025 is bepaald. 1.2 De zaak is op 7 november 2025 bij de kantonrechter besproken. [eiser] – vergezeld door haar partner de heer [A] – is verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. Gussinklo. Namens [gedaagde] is de heer [B] – directeur – aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Boitelle. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken. 1.3 De kantonrechter heeft besloten dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1 Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten (hierna: ‘ de overeenkomst ’). [gedaagde] heeft werkzaamheden in de tuin van [eiser] uitgevoerd. De werkzaamheden hadden betrekking op het plaatsen van een overkapping/schuur, het plaatsen van twee vlonders, het straatwerk en het plaatsen van schuttingen voor een vaste aanneemsom van € 19.000,00. [eiser] heeft dat bedrag aan [gedaagde] betaald. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de werkzaamheden niet goed gedaan. Ondanks de verschillende kansen tot herstel is [gedaagde] niet volledig tot herstel overgegaan. Daarom heeft [eiser] de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijke ontbonden. [eiser] wil dat [gedaagde] haar een vergoeding van de schade, die zij stelt daardoor te hebben geleden, van in totaal € 9.680,00 betaalt. Ook wil [eiser] dat [gedaagde] de voorgeschoten materiaalkosten voor het herstel van de overkapping/schuur van € 1.751,61, met rente en kosten, betaalt. In deze zaak gaat het om de vraag of [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden. 2.2 De kantonrechter geeft [eiser] grotendeels gelijk. De verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden wordt toegewezen. Daarnaast moet [gedaagde] een bedrag van € 1.492,97 aan extra materiaalkosten en een bedrag van € 7.723,00 aan schadevergoeding, met rente en kosten, aan [eiser] betalen. 3 De beoordeling [eiser] mocht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden 3.1 De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst door niet over te gaan tot herstel van de vastgestelde gebreken. Dit is een ernstige tekortkoming die de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. [eiser] mocht dan ook de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen. Het toetsingskader voor ontbinding 3.2 Artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘ BW’ ) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim (artikel 6:265 lid 2 BW). Standpunten partijen 3.3 [eiser] stelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de afspraak om de vastgestelde gebreken te herstellen. Zij verwijst daarvoor naar de door [gedaagde] zelf vastgestelde gebreken in het opnamerapport van 27 juli 2023 (zie productie 4 van [eiser] , hierna: ‘ het opnamerapport ’). Naar aanleiding van het opnamerapport was aanvankelijk afgesproken dat [gedaagde] de herstelwerkzaamheden zou uitvoeren, maar vanwege personeelstekort en de drukte bij [gedaagde] is toen afgesproken dat een deel van de herstelwerkzaamheden door een derde partij zou worden gedaan. Afgesproken is dat bouwbedrijf [bedrijf 1] (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’) de herstelwerkzaamheden aan de overkapping/schuur zou uitvoeren. [gedaagde] zou de bestrating en de schutting herstellen. Alle kosten voor het herstel van de voornoemde gebreken waren voor rekening van [gedaagde] . [bedrijf 1] heeft de herstelwerkzaamheden aan de schuur uitgevoerd. [gedaagde] heeft voor de werkzaamheden aan de schuur een bedrag van € 2.000,00 aan [eiser] betaald. De herstelwerkzaamheden voor de bestrating en de schutting zijn niet door [gedaagde] hersteld, ondanks herhaaldelijke verzoeken. [gedaagde] is daarmee in verzuim komen te verkeren. Zij mocht daarom overgaan tot ontbinding van de overeenkomst. 3.4 [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] meent dat [bedrijf 1] alle gebreken uit het opnamerapport zou herstellen voor het bedrag van € 2.000,00. Zij zou nog aanvullende materialen voor het herstel van de gebreken aanleveren en eventueel nog de kosten voor extra materialen betalen. Zij heeft voldaan aan haar verplichtingen, namelijk: zij heeft aanvullende materialen aangeleverd en het bedrag van € 2.000,00 aan [eiser] betaald. De kosten voor de extra aangeschafte materialen van € 1.751,61 moet zij nog wel betalen, maar zij wacht nog op de originele bonnen. Zodra zij die heeft ontvangen zal zij die kosten ook betalen. [gedaagde] meent dat door betaling van die € 2.000,00 en de geleverde materialen de zaak was afgedaan. Daarom heeft zij ook niet meer gereageerd op de aanmaningen van [eiser] . De tekortkoming van [gedaagde] 3.5 Partijen hebben een overeenkomst gesloten. [gedaagde] heeft zich verplicht tot het plaatsen van een overkapping/schuur, het plaatsen van twee vlonders, het straatwerk en het plaatsen van schuttingen. [eiser] heeft zich verplicht een bedrag van € 19.000,00 aan [gedaagde] te betalen. Dat heeft [eiser] ook gedaan. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in de uitvoering van de overeenkomst is tekortgeschoten en dat die gebreken hersteld moesten worden. In het opnamerapport is daarover opgenomen: ‘ Bij controle heb ik moeten constateren dat de diverse uitgevoerde werkzaamheden een groot aantal onjuistheden vertonen. Als oplossing bieden wij aan de volgende werkzaamheden uit te voeren: Het tot casco ontmantelen van de overkapping / schuur Het uitnemen van diverse bestratingen Het uitnemen ban een stuk schutting ’ 3.6 Partijen verschillen echter van mening over wie het herstel van de gebreken zou uitvoeren en of door betaling van het bedrag van € 2.000,00 en de kosten voor extra materialen daarmee de zaak was afgedaan. [eiser] stelt dat [bedrijf 1] alleen de schuur zou herstellen en [gedaagde] stelt dat [bedrijf 1] alle herstelwerkzaamheden zou doen, dus naast de schuur ook de bestrating en de schutting, en dat voor het bedrag van € 2.000,00. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat [bedrijf 1] alleen de herstelwerkzaamheden aan de schuur zou uitvoeren tegen betaling van € 2.000,00 en de eventuele extra materiaalkosten en zij overweegt daartoe als volgt. 3.7 [eiser] heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar verschillende Whatsappberichten tussen partijen (zie productie 5 van [eiser] ).
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7842 text/xml public 2026-04-17T11:05:21 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-10 11662712 \ LC EXPL 25-925 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7842 text/html public 2026-04-17T11:04:44 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7842 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / 11662712 \ LC EXPL 25-925 werkzaamheden in de tuin, ontbinding, schadevergoeding RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11662712 \ LC EXPL 25-925 Vonnis van 10 december 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. L. Gussinklo (van Bleijerveld Juridisch Advies B.V.), tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. V.L.M.J. Boitelle. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 april 2025 met producties 1 tot en met 13; - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; - de brief van 17 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling op 7 november 2025 is bepaald. 1.2 De zaak is op 7 november 2025 bij de kantonrechter besproken. [eiser] – vergezeld door haar partner de heer [A] – is verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. Gussinklo. Namens [gedaagde] is de heer [B] – directeur – aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Boitelle. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken. 1.3 De kantonrechter heeft besloten dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1 Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten (hierna: ‘ de overeenkomst ’). [gedaagde] heeft werkzaamheden in de tuin van [eiser] uitgevoerd. De werkzaamheden hadden betrekking op het plaatsen van een overkapping/schuur, het plaatsen van twee vlonders, het straatwerk en het plaatsen van schuttingen voor een vaste aanneemsom van € 19.000,00. [eiser] heeft dat bedrag aan [gedaagde] betaald. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de werkzaamheden niet goed gedaan. Ondanks de verschillende kansen tot herstel is [gedaagde] niet volledig tot herstel overgegaan. Daarom heeft [eiser] de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijke ontbonden. [eiser] wil dat [gedaagde] haar een vergoeding van de schade, die zij stelt daardoor te hebben geleden, van in totaal € 9.680,00 betaalt. Ook wil [eiser] dat [gedaagde] de voorgeschoten materiaalkosten voor het herstel van de overkapping/schuur van € 1.751,61, met rente en kosten, betaalt. In deze zaak gaat het om de vraag of [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden. 2.2 De kantonrechter geeft [eiser] grotendeels gelijk. De verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden wordt toegewezen. Daarnaast moet [gedaagde] een bedrag van € 1.492,97 aan extra materiaalkosten en een bedrag van € 7.723,00 aan schadevergoeding, met rente en kosten, aan [eiser] betalen. 3 De beoordeling [eiser] mocht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden 3.1 De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst door niet over te gaan tot herstel van de vastgestelde gebreken. Dit is een ernstige tekortkoming die de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. [eiser] mocht dan ook de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen. Het toetsingskader voor ontbinding 3.2 Artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘ BW’ ) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim (artikel 6:265 lid 2 BW). Standpunten partijen 3.3 [eiser] stelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de afspraak om de vastgestelde gebreken te herstellen. Zij verwijst daarvoor naar de door [gedaagde] zelf vastgestelde gebreken in het opnamerapport van 27 juli 2023 (zie productie 4 van [eiser] , hierna: ‘ het opnamerapport ’). Naar aanleiding van het opnamerapport was aanvankelijk afgesproken dat [gedaagde] de herstelwerkzaamheden zou uitvoeren, maar vanwege personeelstekort en de drukte bij [gedaagde] is toen afgesproken dat een deel van de herstelwerkzaamheden door een derde partij zou worden gedaan. Afgesproken is dat bouwbedrijf [bedrijf 1] (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’) de herstelwerkzaamheden aan de overkapping/schuur zou uitvoeren. [gedaagde] zou de bestrating en de schutting herstellen. Alle kosten voor het herstel van de voornoemde gebreken waren voor rekening van [gedaagde] . [bedrijf 1] heeft de herstelwerkzaamheden aan de schuur uitgevoerd. [gedaagde] heeft voor de werkzaamheden aan de schuur een bedrag van € 2.000,00 aan [eiser] betaald. De herstelwerkzaamheden voor de bestrating en de schutting zijn niet door [gedaagde] hersteld, ondanks herhaaldelijke verzoeken. [gedaagde] is daarmee in verzuim komen te verkeren. Zij mocht daarom overgaan tot ontbinding van de overeenkomst. 3.4 [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] meent dat [bedrijf 1] alle gebreken uit het opnamerapport zou herstellen voor het bedrag van € 2.000,00. Zij zou nog aanvullende materialen voor het herstel van de gebreken aanleveren en eventueel nog de kosten voor extra materialen betalen. Zij heeft voldaan aan haar verplichtingen, namelijk: zij heeft aanvullende materialen aangeleverd en het bedrag van € 2.000,00 aan [eiser] betaald. De kosten voor de extra aangeschafte materialen van € 1.751,61 moet zij nog wel betalen, maar zij wacht nog op de originele bonnen. Zodra zij die heeft ontvangen zal zij die kosten ook betalen. [gedaagde] meent dat door betaling van die € 2.000,00 en de geleverde materialen de zaak was afgedaan. Daarom heeft zij ook niet meer gereageerd op de aanmaningen van [eiser] . De tekortkoming van [gedaagde] 3.5 Partijen hebben een overeenkomst gesloten. [gedaagde] heeft zich verplicht tot het plaatsen van een overkapping/schuur, het plaatsen van twee vlonders, het straatwerk en het plaatsen van schuttingen. [eiser] heeft zich verplicht een bedrag van € 19.000,00 aan [gedaagde] te betalen. Dat heeft [eiser] ook gedaan. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in de uitvoering van de overeenkomst is tekortgeschoten en dat die gebreken hersteld moesten worden. In het opnamerapport is daarover opgenomen: ‘ Bij controle heb ik moeten constateren dat de diverse uitgevoerde werkzaamheden een groot aantal onjuistheden vertonen. Als oplossing bieden wij aan de volgende werkzaamheden uit te voeren: Het tot casco ontmantelen van de overkapping / schuur Het uitnemen van diverse bestratingen Het uitnemen ban een stuk schutting ’ 3.6 Partijen verschillen echter van mening over wie het herstel van de gebreken zou uitvoeren en of door betaling van het bedrag van € 2.000,00 en de kosten voor extra materialen daarmee de zaak was afgedaan. [eiser] stelt dat [bedrijf 1] alleen de schuur zou herstellen en [gedaagde] stelt dat [bedrijf 1] alle herstelwerkzaamheden zou doen, dus naast de schuur ook de bestrating en de schutting, en dat voor het bedrag van € 2.000,00. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat [bedrijf 1] alleen de herstelwerkzaamheden aan de schuur zou uitvoeren tegen betaling van € 2.000,00 en de eventuele extra materiaalkosten en zij overweegt daartoe als volgt. 3.7 [eiser] heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar verschillende Whatsappberichten tussen partijen (zie productie 5 van [eiser] ).
Volledig
Van belang zijn daarbij de volgende Whatsappberichten: het Whatsappbericht van [eiser] , waarin staat ‘ Ik heb net telefonisch met je afgesproken dat ik tevreden ben als mijn eigen tuinman het tuin schuurtje over gaat doen. Hoeveel stort je dan op mijn rekening en wanneer? Want ik moet het dus aan mijn timmerman natuurlijk overmaken. Gr, [eiser] ’ (zie pagina 6 van productie 5 van [eiser] ). het Whatsappbericht van 12 februari 2024 van [eiser] , waarin staat: ‘ Goedemorgen [C] . (medewerker van [gedaagde] ) Gelukkig is het geld voor [D] gestort en heb ik et dus aan hem kunnen geven. (…)Weet je al wanneer al mijn tegels gedaan worden en ze de troep mee kunnen nemen? ’ (zie pagina 12 van productie 5 van [eiser] ) het Whatsappbericht van 14 februari 2024 van [eiser] , waarin staat: ‘ Even een vrolijk bericht van mij mijn troep is net opgehaald door 2 vriendelijke jonge mannen. Ze zagen meteen wat er niet goed was gedaan met mijn tegels dus hopelijk mogen zij het snel oplossen. ’ (zie pagina 13 van productie 5 van [eiser] ) het Whatsappbericht van 23 februari 2024 van [eiser] , waarin staat: ‘ Goedemorgen. [E] zou het telefoonnummer nimmer van onze tegelzetter geven. Wij hebben het nog steeds niet gehad!? ’ (zie pagina 13 van productie 5 van [eiser] ) het Whatsappbericht van 23 februari 2024 van (een medewerker van) [gedaagde] , waarin staat: ‘ Goedemorgen, [E] heeft het aan de stratenmaker gevraagd maar deze wil niet dat zijn nummer wordt doorgegeven. (…) De coördinatie zal via ons blijven gaan. Voor verdere informatie kunnen jullie [E] op zijn mobiel bereiken. Vriendelijke groetjes [C] ’ (zie pagina 13 van productie 5 van [eiser] ). 3.8 Uit de bovenstaande Whatsappberichten is af te leiden dat [bedrijf 1] alleen de herstelwerkzaamheden voor de schuur zou doen. Verder is uit de WhatsAppberichten af te leiden dat de tegels – naar de kantonrechter begrijpt de bestrating – zou worden gedaan door een door [gedaagde] in te schakelen tegelzetten/stratenmaker. Immers [gedaagde] heeft zelf aangegeven dat de coördinatie van het tegelzetten via haar zou gaan. Daar komt bij dat uit de creditnota van 8 februari 2024 van [gedaagde] is af te leiden dat het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 2.000,00 alleen ziet op de herstelwerkzaamheden voor de schuur (pagina 16 van productie 5 van [eiser] ). Dat volgt uit de omschrijving ‘ creditfactuur herstel werkzaamheden schuur ’. Niet valt in te zien, nu de toelichting van [gedaagde] daarop ontbreekt, waarom in de omschrijving van de creditnota alleen ‘ herstel werkzaamheden schuur ’ staat als het betaalde bedrag ook herstelwerkzaamheden voor de bestrating en de schutting zou omvatten, zoals [gedaagde] het stelt. Bovendien heeft [eiser] gesteld – en is door [gedaagde] niet betwist – dat [gedaagde] in haar reacties nooit heeft aangegeven dat het al betaalde bedrag van € 2.000,00 tegen finale kwijting zou zijn. 3.9 Gelet op de onderbouwing van [eiser] , had het op de weg van [gedaagde] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter stelt vast dat partijen hebben afgesproken dat [bedrijf 1] alleen de herstelwerkzaamheden aan de schuur zou uitvoeren tegen betaling van € 2.000,00. Nu [gedaagde] niet heeft betwist dat zij de herstelwerkzaamheden ten aanzien van de schutting en de bestrating niet heeft uitgevoerd, staat daarmee vast dat er nog steeds sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] is in verzuim 3.10 [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen per Whatsappberichten en met haar brieven van 3 april 2024, 30 juli 2024 en 22 augustus 2024 de kans gegeven om tot herstel van de bestrating en de schutting over te gaan. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat [gedaagde] in verzuim is. [eiser] mocht ontbinden 3.11 [eiser] mocht op 2 december 2024 dan ook overgaan tot ontbinding van de overeenkomst. De verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden wordt toegewezen. De overige gebreken behoeven geen bespreking meer Het gebrek ten aanzien van de afwatering 3.12 [eiser] heeft gesteld dat de extra afwatering (niet van de schuur) niet goed was. Dit gestelde gebrek behoeft geen bespreking meer, omdat dit punt inmiddels is opgelost. Daar komt bij dat [eiser] in deze procedure geen vordering heeft ingesteld dat ziet op vergoeding van de door haar gemaakte kosten ten aanzien van het herstel van die afwatering. Het gebrek ten aanzien van het hout 3.13 [eiser] heeft gesteld dat het hout niet goed was. Dit gestelde gebrek behoeft geen bespreking meer, omdat [eiser] op de zitting heeft erkend dat het hout toch niet slecht was. [gedaagde] moet het bedrag van € 7.723,00 aan schadevergoeding betalen 3.14 Uit artikel 6:277 BW volgt dat wanneer de overeenkomst wordt ontbonden, de partij wiens tekortkoming een grond voor ontbinding oplevert, verplicht is de schade die de andere partij daardoor lijdt te vergoeden. In dit geval heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden, omdat [gedaagde] tekort is geschoten. [gedaagde] moet de schade die [eiser] als gevolg van de ontbinding heeft geleden dan ook vergoeden, tenzij die schade [gedaagde] niet valt toe te rekenen. 3.15 Zoals hiervoor is vast komen te staan heeft [gedaagde] de gebreken aan de bestrating en de beschutting niet hersteld. [eiser] heeft bij twee verschillende hoveniersbedrijven – Hoveniersbedrijf ‘ [bedrijf 2] ’ (hierna: ‘ [bedrijf 2] ’) en [bedrijf 3] – offertes opgevraagd om die herstelwerkzaamheden alsnog uit te laten voeren. [eiser] heeft daarbij onweersproken gesteld dat de beide hoveniersbedrijven ter plaatse zijn geweest en aan de hand van de bevindingen van het opnamerapport de offertes hebben uitgebracht. De kantonrechter zal bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding als uitgangspunt de offerte van [bedrijf 3] nemen, omdat die offerte het meest gespecificeerd is en de aanneemsom in beide offertes nagenoeg gelijk is. De kantonrechter zal hierna de verschillende posten op de offerte van [bedrijf 3] bespreken. Arbeidskosten zijn deels dubbel gerekend 3.16 [gedaagde] heeft een aantal posten in de offerte van [bedrijf 3] betwist. [gedaagde] stelt dat de arbeidskosten dubbel worden berekend. Zo wordt op pagina 1 van de offerte materiaal en arbeidskosten genoemd en op pagina 2 nogmaals de arbeidskosten. Dit verweer van [gedaagde] slaagt deels en wel om het volgende. 3.17 Op pagina 1 van de offerte wordt enkel bij de te leveren materialen de kosten vermeld en niet bij arbeidsgerelateerde werkzaamheden, die zijn op nul gesteld. De kosten daarvoor zijn verdisconteerd in het bedrag van € 7.383,00 ( € 6.101,65 (exclusief btw)). Wel constateert de kantonrechter dat op pagina 1 van de offerte de post ‘ het verwijderen van 4m³ het gemixt zand’ van € 123,97 (exclusief btw) en de post ‘ het opnieuw paszagen van nieuwe tegels i.v.m. niet haaks uitgezette plantte bakken ’ van € 165,29 (exclusief btw) zijn vermeld. Dat lijkt de kantonrechter onjuist, omdat die posten aangemerkt kunnen worden als arbeidsgerelateerde werkzaamheden die dus verdisconteerd zijn in het bedrag van € 7.383,00 ( € 6.101,65 (exclusief btw)). Die posten worden om die reden dan ook afgewezen. 3.18 De hoogte van de arbeidskosten van € 7.383,00 zijn niet betwist zodat dat bedrag wordt toegewezen. Kubprijs van het zand is niet te hoog 3.19 [gedaagde] heeft de kubprijs voor 4m³ zand van € 123,97 (exclusief btw) betwist. [gedaagde] meent dat de prijs in de markt € 20,00 is. De genoemde prijs van [bedrijf 3] is daarom te hoog, aldus [gedaagde] . Dit deel van het verweer van [gedaagde] wordt gepasseerd. [gedaagde] heeft enkel gesteld dat de kubprijs van [bedrijf 3] te hoog is, maar dat is onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen haar standpunt op dit punt te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Dat de door [bedrijf 3] gerekende kubprijs voor zand te hoog zou zijn is niet komen vast te staan. De te leveren materialen, behoudens het voegmortel, worden afgewezen 3.20 De kantonrechter is van oordeel dat de kosten voor de te leveren materialen, behoudens de kosten voor het voegmortel – zie hierna onder 3.22. –, afgewezen moeten worden.
Volledig
Van belang zijn daarbij de volgende Whatsappberichten: het Whatsappbericht van [eiser] , waarin staat ‘ Ik heb net telefonisch met je afgesproken dat ik tevreden ben als mijn eigen tuinman het tuin schuurtje over gaat doen. Hoeveel stort je dan op mijn rekening en wanneer? Want ik moet het dus aan mijn timmerman natuurlijk overmaken. Gr, [eiser] ’ (zie pagina 6 van productie 5 van [eiser] ). het Whatsappbericht van 12 februari 2024 van [eiser] , waarin staat: ‘ Goedemorgen [C] . (medewerker van [gedaagde] ) Gelukkig is het geld voor [D] gestort en heb ik et dus aan hem kunnen geven. (…)Weet je al wanneer al mijn tegels gedaan worden en ze de troep mee kunnen nemen? ’ (zie pagina 12 van productie 5 van [eiser] ) het Whatsappbericht van 14 februari 2024 van [eiser] , waarin staat: ‘ Even een vrolijk bericht van mij mijn troep is net opgehaald door 2 vriendelijke jonge mannen. Ze zagen meteen wat er niet goed was gedaan met mijn tegels dus hopelijk mogen zij het snel oplossen. ’ (zie pagina 13 van productie 5 van [eiser] ) het Whatsappbericht van 23 februari 2024 van [eiser] , waarin staat: ‘ Goedemorgen. [E] zou het telefoonnummer nimmer van onze tegelzetter geven. Wij hebben het nog steeds niet gehad!? ’ (zie pagina 13 van productie 5 van [eiser] ) het Whatsappbericht van 23 februari 2024 van (een medewerker van) [gedaagde] , waarin staat: ‘ Goedemorgen, [E] heeft het aan de stratenmaker gevraagd maar deze wil niet dat zijn nummer wordt doorgegeven. (…) De coördinatie zal via ons blijven gaan. Voor verdere informatie kunnen jullie [E] op zijn mobiel bereiken. Vriendelijke groetjes [C] ’ (zie pagina 13 van productie 5 van [eiser] ). 3.8 Uit de bovenstaande Whatsappberichten is af te leiden dat [bedrijf 1] alleen de herstelwerkzaamheden voor de schuur zou doen. Verder is uit de WhatsAppberichten af te leiden dat de tegels – naar de kantonrechter begrijpt de bestrating – zou worden gedaan door een door [gedaagde] in te schakelen tegelzetten/stratenmaker. Immers [gedaagde] heeft zelf aangegeven dat de coördinatie van het tegelzetten via haar zou gaan. Daar komt bij dat uit de creditnota van 8 februari 2024 van [gedaagde] is af te leiden dat het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 2.000,00 alleen ziet op de herstelwerkzaamheden voor de schuur (pagina 16 van productie 5 van [eiser] ). Dat volgt uit de omschrijving ‘ creditfactuur herstel werkzaamheden schuur ’. Niet valt in te zien, nu de toelichting van [gedaagde] daarop ontbreekt, waarom in de omschrijving van de creditnota alleen ‘ herstel werkzaamheden schuur ’ staat als het betaalde bedrag ook herstelwerkzaamheden voor de bestrating en de schutting zou omvatten, zoals [gedaagde] het stelt. Bovendien heeft [eiser] gesteld – en is door [gedaagde] niet betwist – dat [gedaagde] in haar reacties nooit heeft aangegeven dat het al betaalde bedrag van € 2.000,00 tegen finale kwijting zou zijn. 3.9 Gelet op de onderbouwing van [eiser] , had het op de weg van [gedaagde] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter stelt vast dat partijen hebben afgesproken dat [bedrijf 1] alleen de herstelwerkzaamheden aan de schuur zou uitvoeren tegen betaling van € 2.000,00. Nu [gedaagde] niet heeft betwist dat zij de herstelwerkzaamheden ten aanzien van de schutting en de bestrating niet heeft uitgevoerd, staat daarmee vast dat er nog steeds sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] is in verzuim 3.10 [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen per Whatsappberichten en met haar brieven van 3 april 2024, 30 juli 2024 en 22 augustus 2024 de kans gegeven om tot herstel van de bestrating en de schutting over te gaan. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat [gedaagde] in verzuim is. [eiser] mocht ontbinden 3.11 [eiser] mocht op 2 december 2024 dan ook overgaan tot ontbinding van de overeenkomst. De verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden wordt toegewezen. De overige gebreken behoeven geen bespreking meer Het gebrek ten aanzien van de afwatering 3.12 [eiser] heeft gesteld dat de extra afwatering (niet van de schuur) niet goed was. Dit gestelde gebrek behoeft geen bespreking meer, omdat dit punt inmiddels is opgelost. Daar komt bij dat [eiser] in deze procedure geen vordering heeft ingesteld dat ziet op vergoeding van de door haar gemaakte kosten ten aanzien van het herstel van die afwatering. Het gebrek ten aanzien van het hout 3.13 [eiser] heeft gesteld dat het hout niet goed was. Dit gestelde gebrek behoeft geen bespreking meer, omdat [eiser] op de zitting heeft erkend dat het hout toch niet slecht was. [gedaagde] moet het bedrag van € 7.723,00 aan schadevergoeding betalen 3.14 Uit artikel 6:277 BW volgt dat wanneer de overeenkomst wordt ontbonden, de partij wiens tekortkoming een grond voor ontbinding oplevert, verplicht is de schade die de andere partij daardoor lijdt te vergoeden. In dit geval heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden, omdat [gedaagde] tekort is geschoten. [gedaagde] moet de schade die [eiser] als gevolg van de ontbinding heeft geleden dan ook vergoeden, tenzij die schade [gedaagde] niet valt toe te rekenen. 3.15 Zoals hiervoor is vast komen te staan heeft [gedaagde] de gebreken aan de bestrating en de beschutting niet hersteld. [eiser] heeft bij twee verschillende hoveniersbedrijven – Hoveniersbedrijf ‘ [bedrijf 2] ’ (hierna: ‘ [bedrijf 2] ’) en [bedrijf 3] – offertes opgevraagd om die herstelwerkzaamheden alsnog uit te laten voeren. [eiser] heeft daarbij onweersproken gesteld dat de beide hoveniersbedrijven ter plaatse zijn geweest en aan de hand van de bevindingen van het opnamerapport de offertes hebben uitgebracht. De kantonrechter zal bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding als uitgangspunt de offerte van [bedrijf 3] nemen, omdat die offerte het meest gespecificeerd is en de aanneemsom in beide offertes nagenoeg gelijk is. De kantonrechter zal hierna de verschillende posten op de offerte van [bedrijf 3] bespreken. Arbeidskosten zijn deels dubbel gerekend 3.16 [gedaagde] heeft een aantal posten in de offerte van [bedrijf 3] betwist. [gedaagde] stelt dat de arbeidskosten dubbel worden berekend. Zo wordt op pagina 1 van de offerte materiaal en arbeidskosten genoemd en op pagina 2 nogmaals de arbeidskosten. Dit verweer van [gedaagde] slaagt deels en wel om het volgende. 3.17 Op pagina 1 van de offerte wordt enkel bij de te leveren materialen de kosten vermeld en niet bij arbeidsgerelateerde werkzaamheden, die zijn op nul gesteld. De kosten daarvoor zijn verdisconteerd in het bedrag van € 7.383,00 ( € 6.101,65 (exclusief btw)). Wel constateert de kantonrechter dat op pagina 1 van de offerte de post ‘ het verwijderen van 4m³ het gemixt zand’ van € 123,97 (exclusief btw) en de post ‘ het opnieuw paszagen van nieuwe tegels i.v.m. niet haaks uitgezette plantte bakken ’ van € 165,29 (exclusief btw) zijn vermeld. Dat lijkt de kantonrechter onjuist, omdat die posten aangemerkt kunnen worden als arbeidsgerelateerde werkzaamheden die dus verdisconteerd zijn in het bedrag van € 7.383,00 ( € 6.101,65 (exclusief btw)). Die posten worden om die reden dan ook afgewezen. 3.18 De hoogte van de arbeidskosten van € 7.383,00 zijn niet betwist zodat dat bedrag wordt toegewezen. Kubprijs van het zand is niet te hoog 3.19 [gedaagde] heeft de kubprijs voor 4m³ zand van € 123,97 (exclusief btw) betwist. [gedaagde] meent dat de prijs in de markt € 20,00 is. De genoemde prijs van [bedrijf 3] is daarom te hoog, aldus [gedaagde] . Dit deel van het verweer van [gedaagde] wordt gepasseerd. [gedaagde] heeft enkel gesteld dat de kubprijs van [bedrijf 3] te hoog is, maar dat is onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen haar standpunt op dit punt te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Dat de door [bedrijf 3] gerekende kubprijs voor zand te hoog zou zijn is niet komen vast te staan. De te leveren materialen, behoudens het voegmortel, worden afgewezen 3.20 De kantonrechter is van oordeel dat de kosten voor de te leveren materialen, behoudens de kosten voor het voegmortel – zie hierna onder 3.22. –, afgewezen moeten worden.
Volledig
Niet weersproken is dat de aanwezige materialen hergebruikt zouden worden. Niet valt in te zien, nu de toelichting daarop ontbreekt, waarom die vermelde materialen in de offerte nodig zijn voor het herstel. Die kosten voor de te leveren materialen worden afgewezen. De transportkosten voor zand van € 150,00 en tegels van € 90,00 worden toegewezen 3.21 De posten voor de transportkosten voor het zand van € 150,00 (€ 123,97 exclusief btw) en voor de tegels van € 90,00 (€ 74,38 exclusief btw) vallen naar het oordeel van de kantonrechter niet onder de arbeidskosten, zodat die kosten toewijsbaar zijn. De kosten voor het voegmortel van € 100,00 worden toegewezen 3.22 De kosten voor het leveren en verwerken van ‘ 2 st zak Gatorzand XP G2 Voegmortel Ivoor 20 kg ’ van € 100,00 (€ 82,64 exclusief btw) wordt toegewezen. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat deze post voor vergoeding in aanmerking moet komen, omdat zij meerdere keren het zand zelf heeft moeten aanvullen tussen de tegels. Zij wist namelijk niet dat het zand niet goed was. Dit voegsel is nodig zodat het zand niet meer wegloopt. Gelet op de moeite en de tijd, die zij daarin heeft gestoken, meent [eiser] dat [gedaagde] die kosten moet vergoeden. [gedaagde] heeft dit niet weersproken, zodat deze kosten toegewezen worden Conclusie ten aanzien van de schadevergoeding 3.23 Het voorgaande leidt er toe dat het bedrag van € 7.723,00 ( = € 7.383,00 + € 150,00 + € 90,00 + € 100,00) aan schadevergoeding wordt toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 7.723,00 aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] moet de kosten voor de extra materialen tot het bedrag van € 1.492,97 betalen 3.24 [eiser] vordert betaling van het bedrag van € 1.751,61 voor de extra materialen voor het herstel van de schuur. De afspraak is dat [gedaagde] alle kosten voor het herstel van de gebreken zou betalen. Dat volgt uit het opnamerapport. [gedaagde] had haar ‘Bouwmaatpas’ aan [bedrijf 1] gegeven voor de aanschaf van de materialen, maar met die pas kon niet betaald worden. [eiser] heeft die kosten daarom voorgeschoten. 3.25 [gedaagde] erkent dat hij een deel van de materiaalkosten moet betalen, maar niet alles. Volgens [gedaagde] staan op de bonnen namelijk materialen die niet vervangen en/of gekocht hoefden te worden, zoals een dakrol, vurenhout en underlaymentplaten. Afgesproken was dat er zoveel mogelijk materialen hergebruikt zouden worden. Ook heeft hij materialen en hout geleverd aan [bedrijf 1] om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. Verder heeft [eiser] [bedrijf 1] opdracht gegeven om de constructie/omvang van de schuur aan te passen, waarvoor materialen aangekocht zijn en die ook op de bonnen staan vermeld. 3.26 De kantonrechter wijst het bedrag van € 1.492,97 aan kosten voor extra materialen toe en zij overweegt daartoe als volgt. 3.27 [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] alle materialen heeft geleverd. Er waren wel wat materialen door [gedaagde] geleverd, maar niet alles zoals het hout. Dat volgt ook uit het Whatsappbericht van [gedaagde] van 8 januari 2024, waarin staat: ‘ Helaas hebben we nog niet alles binnen, maar we komen vandaag al de materialen afleveren. We zetten onze bouwmaatpas op de app naar [D] . Dan kan hij de laatste benodigde materialen daar halen. ’ (zie bijlage 4 in productie 9 van [eiser] ). Daarom heeft [bedrijf 1] bij de Bouwmaat en de Hornbach de benodigde materialen moeten kopen. [bedrijf 1] heeft zo veel mogelijk de materialen hergebruikt, maar dat was niet bij alle materialen mogelijk. Zo bleek de dakafwerking verlijmd te zijn. [eiser] heeft daar ook foto’s van. De materialen voor het dak konden daarom niet hergebruikt worden. [bedrijf 1] heeft bij de keuze van de materialen daarbij al gekozen voor de goedkoopste materialen. Weliswaar heeft [gedaagde] gesteld dat er niet wordt verlijmd bij EPDM, echter de werkzaamheden waren destijds uitgevoerd door haar voorganger. [gedaagde] heeft op de zitting erkend dat hij niet 100% zeker weet of haar voorganger ook zo werkte zoals zij dat nu doet. Niet uit te sluiten is, gelet op het voorgaande, dat de dakbedekking wél verlijmd was en dat daarom de materialen niet te hergebruiken waren en daarvoor nieuwe materialen gekocht moesten worden. Dat [eiser] [bedrijf 1] de opdracht heeft gegeven om de constructie/omvang van de schuur aan te passen en daarvoor extra materialen heeft gekocht, is de kantonrechter niet gebleken en is verder ook door [gedaagde] niet onderbouwd. 3.28 [eiser] heeft erkend dat de underlaymentplaten niet nodig waren. Die platen waren alleen ter verfraaiing van de wanden van de schuur, omdat [eiser] de gaten in de planken niet mooi vond. De kosten van de underlaymentplaten van € 258,64 (inclusief btw / exclusief btw € 213,75) worden om die reden afgewezen. 3.29 [eiser] heeft gesteld dat zij de originele bonnen al naar [gedaagde] heeft gezonden. Zij heeft de bonnen nogmaals bij de Bouwmaat opgevraagd, die kan zij aan [gedaagde] geven. Maar de bonnen van de Bouwmaat kan [gedaagde] ook in zijn eigen account bij de Bouwmaat terugvinden en zelf opnieuw uitprinten. Van de Hornbach was het helaas niet meer mogelijk om de bon opnieuw op te vragen. Nu [gedaagde] (grotendeels) de bonnen al tot zijn beschikking is, is er geen belemmering meer voor [gedaagde] om de kosten van de materialen aan [eiser] te betalen. 3.30 Dit betekent dat de kosten voor de extra materialen toegewezen wordt tot het bedrag van € 1.492,97 (= € 1.751,61 - € 258,64). [gedaagde] moet de wettelijke rente over de schadevergoeding en de kosten voor extra betalen 3.31 [gedaagde] is te laat met het betalen van de schadevergoeding en de kosten voor extra materialen, waardoor [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. [gedaagde] moet daarom de wettelijke rente betalen. De gevorderde wettelijke rente wordt echter afgewezen, omdat die gebaseerd is op de oorspronkelijk gevorderde bedragen. De wettelijke rente over de kosten van extra materialen van € 1.492,97 wordt toegewezen vanaf 15 augustus 2024 tot de voldoening, gelet op de ingebrekestelling van 30 juli 2024 (zie productie 9 van [eiser] ). De wettelijke rente over de schadevergoeding van € 7.723,00 wordt toegewezen vanaf 10 december 2024 tot voldoening, gelet op de ingebrekestelling van 2 december 2024 (zie productie 13 van [eiser] ). [gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.32 [eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 889,32. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. De vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde bedragen, namelijk € 835,80. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.33 [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.352,04 Het vonnis wordt uitvoerbaar bij vonnis verklaard 3.34 De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Volledig
Niet weersproken is dat de aanwezige materialen hergebruikt zouden worden. Niet valt in te zien, nu de toelichting daarop ontbreekt, waarom die vermelde materialen in de offerte nodig zijn voor het herstel. Die kosten voor de te leveren materialen worden afgewezen. De transportkosten voor zand van € 150,00 en tegels van € 90,00 worden toegewezen 3.21 De posten voor de transportkosten voor het zand van € 150,00 (€ 123,97 exclusief btw) en voor de tegels van € 90,00 (€ 74,38 exclusief btw) vallen naar het oordeel van de kantonrechter niet onder de arbeidskosten, zodat die kosten toewijsbaar zijn. De kosten voor het voegmortel van € 100,00 worden toegewezen 3.22 De kosten voor het leveren en verwerken van ‘ 2 st zak Gatorzand XP G2 Voegmortel Ivoor 20 kg ’ van € 100,00 (€ 82,64 exclusief btw) wordt toegewezen. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat deze post voor vergoeding in aanmerking moet komen, omdat zij meerdere keren het zand zelf heeft moeten aanvullen tussen de tegels. Zij wist namelijk niet dat het zand niet goed was. Dit voegsel is nodig zodat het zand niet meer wegloopt. Gelet op de moeite en de tijd, die zij daarin heeft gestoken, meent [eiser] dat [gedaagde] die kosten moet vergoeden. [gedaagde] heeft dit niet weersproken, zodat deze kosten toegewezen worden Conclusie ten aanzien van de schadevergoeding 3.23 Het voorgaande leidt er toe dat het bedrag van € 7.723,00 ( = € 7.383,00 + € 150,00 + € 90,00 + € 100,00) aan schadevergoeding wordt toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 7.723,00 aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] moet de kosten voor de extra materialen tot het bedrag van € 1.492,97 betalen 3.24 [eiser] vordert betaling van het bedrag van € 1.751,61 voor de extra materialen voor het herstel van de schuur. De afspraak is dat [gedaagde] alle kosten voor het herstel van de gebreken zou betalen. Dat volgt uit het opnamerapport. [gedaagde] had haar ‘Bouwmaatpas’ aan [bedrijf 1] gegeven voor de aanschaf van de materialen, maar met die pas kon niet betaald worden. [eiser] heeft die kosten daarom voorgeschoten. 3.25 [gedaagde] erkent dat hij een deel van de materiaalkosten moet betalen, maar niet alles. Volgens [gedaagde] staan op de bonnen namelijk materialen die niet vervangen en/of gekocht hoefden te worden, zoals een dakrol, vurenhout en underlaymentplaten. Afgesproken was dat er zoveel mogelijk materialen hergebruikt zouden worden. Ook heeft hij materialen en hout geleverd aan [bedrijf 1] om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. Verder heeft [eiser] [bedrijf 1] opdracht gegeven om de constructie/omvang van de schuur aan te passen, waarvoor materialen aangekocht zijn en die ook op de bonnen staan vermeld. 3.26 De kantonrechter wijst het bedrag van € 1.492,97 aan kosten voor extra materialen toe en zij overweegt daartoe als volgt. 3.27 [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] alle materialen heeft geleverd. Er waren wel wat materialen door [gedaagde] geleverd, maar niet alles zoals het hout. Dat volgt ook uit het Whatsappbericht van [gedaagde] van 8 januari 2024, waarin staat: ‘ Helaas hebben we nog niet alles binnen, maar we komen vandaag al de materialen afleveren. We zetten onze bouwmaatpas op de app naar [D] . Dan kan hij de laatste benodigde materialen daar halen. ’ (zie bijlage 4 in productie 9 van [eiser] ). Daarom heeft [bedrijf 1] bij de Bouwmaat en de Hornbach de benodigde materialen moeten kopen. [bedrijf 1] heeft zo veel mogelijk de materialen hergebruikt, maar dat was niet bij alle materialen mogelijk. Zo bleek de dakafwerking verlijmd te zijn. [eiser] heeft daar ook foto’s van. De materialen voor het dak konden daarom niet hergebruikt worden. [bedrijf 1] heeft bij de keuze van de materialen daarbij al gekozen voor de goedkoopste materialen. Weliswaar heeft [gedaagde] gesteld dat er niet wordt verlijmd bij EPDM, echter de werkzaamheden waren destijds uitgevoerd door haar voorganger. [gedaagde] heeft op de zitting erkend dat hij niet 100% zeker weet of haar voorganger ook zo werkte zoals zij dat nu doet. Niet uit te sluiten is, gelet op het voorgaande, dat de dakbedekking wél verlijmd was en dat daarom de materialen niet te hergebruiken waren en daarvoor nieuwe materialen gekocht moesten worden. Dat [eiser] [bedrijf 1] de opdracht heeft gegeven om de constructie/omvang van de schuur aan te passen en daarvoor extra materialen heeft gekocht, is de kantonrechter niet gebleken en is verder ook door [gedaagde] niet onderbouwd. 3.28 [eiser] heeft erkend dat de underlaymentplaten niet nodig waren. Die platen waren alleen ter verfraaiing van de wanden van de schuur, omdat [eiser] de gaten in de planken niet mooi vond. De kosten van de underlaymentplaten van € 258,64 (inclusief btw / exclusief btw € 213,75) worden om die reden afgewezen. 3.29 [eiser] heeft gesteld dat zij de originele bonnen al naar [gedaagde] heeft gezonden. Zij heeft de bonnen nogmaals bij de Bouwmaat opgevraagd, die kan zij aan [gedaagde] geven. Maar de bonnen van de Bouwmaat kan [gedaagde] ook in zijn eigen account bij de Bouwmaat terugvinden en zelf opnieuw uitprinten. Van de Hornbach was het helaas niet meer mogelijk om de bon opnieuw op te vragen. Nu [gedaagde] (grotendeels) de bonnen al tot zijn beschikking is, is er geen belemmering meer voor [gedaagde] om de kosten van de materialen aan [eiser] te betalen. 3.30 Dit betekent dat de kosten voor de extra materialen toegewezen wordt tot het bedrag van € 1.492,97 (= € 1.751,61 - € 258,64). [gedaagde] moet de wettelijke rente over de schadevergoeding en de kosten voor extra betalen 3.31 [gedaagde] is te laat met het betalen van de schadevergoeding en de kosten voor extra materialen, waardoor [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. [gedaagde] moet daarom de wettelijke rente betalen. De gevorderde wettelijke rente wordt echter afgewezen, omdat die gebaseerd is op de oorspronkelijk gevorderde bedragen. De wettelijke rente over de kosten van extra materialen van € 1.492,97 wordt toegewezen vanaf 15 augustus 2024 tot de voldoening, gelet op de ingebrekestelling van 30 juli 2024 (zie productie 9 van [eiser] ). De wettelijke rente over de schadevergoeding van € 7.723,00 wordt toegewezen vanaf 10 december 2024 tot voldoening, gelet op de ingebrekestelling van 2 december 2024 (zie productie 13 van [eiser] ). [gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.32 [eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 889,32. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. De vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde bedragen, namelijk € 835,80. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.33 [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.352,04 Het vonnis wordt uitvoerbaar bij vonnis verklaard 3.34 De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.