Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-12-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:7831
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,422 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7831 text/xml public 2026-04-16T13:14:20 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-03 11658464 \ UC EXPL 25-3465 VL/58599 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7831 text/html public 2026-04-16T13:13:47 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7831 Rechtbank Midden-Nederland , 03-12-2025 / 11658464 \ UC EXPL 25-3465 VL/58599 A heeft grondwerkzaamheden uitgevoerd voor B en wil kosten noodbrug vergoed hebben. Volgens B heeft A niet alle afgesproken werkzaamheden uitgevoerd. B wil vervangende schadevergoeding. Volgens A was de grond vervuild met asbest. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11658464 \ UC EXPL 25-3465 VL/58599 Vonnis van 3 december 2025 in de zaak van [eiser] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E.P.J. Verweij, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.J.M. van Lint. 1 De procedure 1.1 [eiser] heeft [gedaagde] op 11 april 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op 17 juni 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd en heeft een eis in reconventie ingesteld, die zij op 26 september 2025 heeft vermeerderd. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. [gedaagde] heeft op 6 oktober 2025 gereageerd op de eis in reconventie. Op 7 en 15 oktober 2025 heeft [gedaagde] aanvullende producties overgelegd. 1.2 De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2025 plaatsgevonden. Namens [eiser] was de heer [A] aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Verweij. Namens [gedaagde] was de heer [B] Berg aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Van Lint. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Mr. Verweij heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] heeft in september 2022 in opdracht van [gedaagde] grondwerkzaamheden uitgevoerd. Tijdens de werkzaamheden heeft [eiser] een noodbrug aangelegd en zij wil dat [gedaagde] deze kosten vergoedt. [gedaagde] is het hier niet mee eens, omdat [eiser] de noodbrug zonder overleg heeft gehuurd en nergens uit blijkt dat partijen overeengekomen zijn dat die kosten voor rekening van [gedaagde] komen. [gedaagde] stelt dat [eiser] de afgesproken werkzaamheden niet geheel heeft uitgevoerd, waardoor zij de werkzaamheden door een derde moest laten uitvoeren. [gedaagde] wil dat [eiser] deze kosten aan haar vergoedt en de te veel betaalde voorschotten terugbetaalt. [eiser] zegt dat zij de werkzaamheden niet kon afmaken, omdat de bodem verontreinigd was met asbest. Voor de werkzaamheden die zij niet heeft uitgevoerd, heeft zij geen kosten in rekening gebracht. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en de vorderingen van [gedaagde] toe. 3 De beoordeling Te laat ingediende stukken door [gedaagde] 3.1 heeft op 15 oktober 2025, twee dagen voor de mondelinge behandeling, aanvullende producties overgelegd. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze te late indiening. De kantonrechter heeft partijen medegedeeld dat, als hij deze stukken wil betrekken bij zijn oordeel, [eiser] eerst de gelegenheid zal krijgen zich bij akte uit te laten over de inhoudt van deze stukken. De kantonrechter heeft deze stukken echter niet betrokken bij zijn oordeel. De stukken worden daarom buiten beschouwing gelaten. in conventie Standpunten partijen 3.2 [eiser] vordert een bedrag van € 10.907,42 aan kosten voor het huren van onderdelen voor het plaatsen van een noodbrug. Zij voert hiertoe aan dat partijen oorspronkelijk waren overeengekomen dat [eiser] een dam zou aanleggen door het wellen van een sloot. Bij aanvang van de sloopwerkzaamheden bleek echter dat dit niet kon, omdat de grond vervuild bleek te zijn met asbest en het niet is toegestaan om met vervuilde grond een sloot te dempen vanwege het risico op verdere milieuvervuiling. Daarom heeft [eiser] ‘dragline schotten’ gehuurd om te gebruiken als noodbrug. Volgens [eiser] komen deze kosten op grond van de algemene voorwaarden voor rekening van [gedaagde] . 3.3 Volgens [gedaagde] was het niet noodzakelijk om de noodbrug aan te leggen. Zij voert hiertoe aan dat slechts in een klein deel van de grond asbest is gevonden, namelijk rondom de plek waar vroeger een schuur met asbesthoudende golfplaten stond. In de rest van het perceel zit geen noemenswaardige hoeveelheid asbest, in ieder geval niet op de plekken waar [eiser] de werkzaamheden zou moeten uitvoeren. Ter onderbouwing wijst [gedaagde] naar het rapport van Grondslag . Daarbij is het opmerkelijk dat [eiser] al wel de sloot heeft gegraven en toen geen melding heeft gemaakt van asbest. Pas vanaf 23 februari 2024 neemt [eiser] de stelling in dat de grond zodanig is verontreinigd door asbest dat zij de werkzaamheden moest staken. 3.4 Daarbij bestaat volgens [gedaagde] geen grondslag waarop zij de kosten van de noodbrug zou moeten dragen. Partijen hadden afgesproken dat [eiser] een tijdelijke nooddam zou aanleggen , waarvoor [gedaagde] € 7.900,- heeft betaald. [eiser] heeft er – zonder overleg – zelf voor gekozen om een tijdelijke noodbrug aan te leggen. Dat dit uiteindelijk meer kost dan € 7.900,- komt voor risico van [eiser] . Zij had er niet voor hoeven kiezen om in plaats van de afgesproken nooddam een noodbrug aan te leggen. 3.5 Tenslotte stelt [gedaagde] dat dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, omdat deze niet aan haar zijn toegestuurd. Zij voert hiertoe aan dat zij regelmatig samenwerkt met het bedrijf [bedrijf 1] . [bedrijf 1] wint offertes in bij diverse aannemers om zo tot een ‘kant en klaar’ bouwproject te komen voor een bepaald bedrag en dit draagt zij dan over aan een hoofdaannemer die dat project gaat uitvoeren. In dat kader hadden [eiser] en [bedrijf 1] contact over offertes en uiteindelijk heeft [bedrijf 1] het project aan [gedaagde] overgedragen. [gedaagde] was niet verplicht om met [eiser] in zee te gaan, maar heeft zelf besloten om contact met hen op te nemen. De offertes die [eiser] aan [bedrijf 1] had verzonden, heeft [eiser] op 29 augustus 2022 aan [gedaagde] toegestuurd. In deze e-mail heeft [eiser] geen algemene voorwaarden bijgevoegd. [gedaagde] hoeft de kosten van de noodbrug niet te vergoeden 3.6 De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij genoodzaakt was om de noodbrug aan te leggen. [eiser] heeft geen correspondentie overgelegd waaruit blijkt dat zij aan [gedaagde] heeft aangegeven dat zij een noodbrug aan moest leggen. Dat de reden voor het aanleggen van de noodbrug gelegen was in het feit dat de bodem zodanig verontreinigd was met asbest dat de afgesproken dam niet kon worden gemaakt, blijkt niet uit de e-mailwisseling tussen partijen ten tijde van de werkzaamheden in 2022 of daarna. [eiser] wijst zelf op haar e-mail van 3 november 2022, waarin zij schrijft: “Voor grondwerk doen wij zoals afgesproken per uur omdat vervuilde grond is en grondbank moet bepalen hoe er moet worden omgegaan […]” Hieruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter juist dat [eiser] op de hoogte was van een bepaalde mate van vervuiling van de grond en dat partijen daarom hebben afgesproken dat [eiser] per uur zou factureren, wat er op wijst dat [eiser] de werkzaamheden wel kon uitvoeren. Sterker nog, het staat vast dat [eiser] al wel een sloot had gegraven; als sprake zou zijn geweest van sterke verontreiniging van de grond door asbest, was het logisch geweest als [eiser] hiervan op dat moment, rond september 2022 of in ieder geval bij deze e-mail van 3 november 2022, melding had gemaakt bij [gedaagde] . De kantonrechter ziet hiervan niets terug in de stukken.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7831 text/xml public 2026-04-16T13:14:20 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-12-03 11658464 \ UC EXPL 25-3465 VL/58599 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7831 text/html public 2026-04-16T13:13:47 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7831 Rechtbank Midden-Nederland , 03-12-2025 / 11658464 \ UC EXPL 25-3465 VL/58599 A heeft grondwerkzaamheden uitgevoerd voor B en wil kosten noodbrug vergoed hebben. Volgens B heeft A niet alle afgesproken werkzaamheden uitgevoerd. B wil vervangende schadevergoeding. Volgens A was de grond vervuild met asbest. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11658464 \ UC EXPL 25-3465 VL/58599 Vonnis van 3 december 2025 in de zaak van [eiser] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E.P.J. Verweij, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.J.M. van Lint. 1 De procedure 1.1 [eiser] heeft [gedaagde] op 11 april 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op 17 juni 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd en heeft een eis in reconventie ingesteld, die zij op 26 september 2025 heeft vermeerderd. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald. [gedaagde] heeft op 6 oktober 2025 gereageerd op de eis in reconventie. Op 7 en 15 oktober 2025 heeft [gedaagde] aanvullende producties overgelegd. 1.2 De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2025 plaatsgevonden. Namens [eiser] was de heer [A] aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Verweij. Namens [gedaagde] was de heer [B] Berg aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Van Lint. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Mr. Verweij heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] heeft in september 2022 in opdracht van [gedaagde] grondwerkzaamheden uitgevoerd. Tijdens de werkzaamheden heeft [eiser] een noodbrug aangelegd en zij wil dat [gedaagde] deze kosten vergoedt. [gedaagde] is het hier niet mee eens, omdat [eiser] de noodbrug zonder overleg heeft gehuurd en nergens uit blijkt dat partijen overeengekomen zijn dat die kosten voor rekening van [gedaagde] komen. [gedaagde] stelt dat [eiser] de afgesproken werkzaamheden niet geheel heeft uitgevoerd, waardoor zij de werkzaamheden door een derde moest laten uitvoeren. [gedaagde] wil dat [eiser] deze kosten aan haar vergoedt en de te veel betaalde voorschotten terugbetaalt. [eiser] zegt dat zij de werkzaamheden niet kon afmaken, omdat de bodem verontreinigd was met asbest. Voor de werkzaamheden die zij niet heeft uitgevoerd, heeft zij geen kosten in rekening gebracht. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en de vorderingen van [gedaagde] toe. 3 De beoordeling Te laat ingediende stukken door [gedaagde] 3.1 heeft op 15 oktober 2025, twee dagen voor de mondelinge behandeling, aanvullende producties overgelegd. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze te late indiening. De kantonrechter heeft partijen medegedeeld dat, als hij deze stukken wil betrekken bij zijn oordeel, [eiser] eerst de gelegenheid zal krijgen zich bij akte uit te laten over de inhoudt van deze stukken. De kantonrechter heeft deze stukken echter niet betrokken bij zijn oordeel. De stukken worden daarom buiten beschouwing gelaten. in conventie Standpunten partijen 3.2 [eiser] vordert een bedrag van € 10.907,42 aan kosten voor het huren van onderdelen voor het plaatsen van een noodbrug. Zij voert hiertoe aan dat partijen oorspronkelijk waren overeengekomen dat [eiser] een dam zou aanleggen door het wellen van een sloot. Bij aanvang van de sloopwerkzaamheden bleek echter dat dit niet kon, omdat de grond vervuild bleek te zijn met asbest en het niet is toegestaan om met vervuilde grond een sloot te dempen vanwege het risico op verdere milieuvervuiling. Daarom heeft [eiser] ‘dragline schotten’ gehuurd om te gebruiken als noodbrug. Volgens [eiser] komen deze kosten op grond van de algemene voorwaarden voor rekening van [gedaagde] . 3.3 Volgens [gedaagde] was het niet noodzakelijk om de noodbrug aan te leggen. Zij voert hiertoe aan dat slechts in een klein deel van de grond asbest is gevonden, namelijk rondom de plek waar vroeger een schuur met asbesthoudende golfplaten stond. In de rest van het perceel zit geen noemenswaardige hoeveelheid asbest, in ieder geval niet op de plekken waar [eiser] de werkzaamheden zou moeten uitvoeren. Ter onderbouwing wijst [gedaagde] naar het rapport van Grondslag . Daarbij is het opmerkelijk dat [eiser] al wel de sloot heeft gegraven en toen geen melding heeft gemaakt van asbest. Pas vanaf 23 februari 2024 neemt [eiser] de stelling in dat de grond zodanig is verontreinigd door asbest dat zij de werkzaamheden moest staken. 3.4 Daarbij bestaat volgens [gedaagde] geen grondslag waarop zij de kosten van de noodbrug zou moeten dragen. Partijen hadden afgesproken dat [eiser] een tijdelijke nooddam zou aanleggen , waarvoor [gedaagde] € 7.900,- heeft betaald. [eiser] heeft er – zonder overleg – zelf voor gekozen om een tijdelijke noodbrug aan te leggen. Dat dit uiteindelijk meer kost dan € 7.900,- komt voor risico van [eiser] . Zij had er niet voor hoeven kiezen om in plaats van de afgesproken nooddam een noodbrug aan te leggen. 3.5 Tenslotte stelt [gedaagde] dat dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, omdat deze niet aan haar zijn toegestuurd. Zij voert hiertoe aan dat zij regelmatig samenwerkt met het bedrijf [bedrijf 1] . [bedrijf 1] wint offertes in bij diverse aannemers om zo tot een ‘kant en klaar’ bouwproject te komen voor een bepaald bedrag en dit draagt zij dan over aan een hoofdaannemer die dat project gaat uitvoeren. In dat kader hadden [eiser] en [bedrijf 1] contact over offertes en uiteindelijk heeft [bedrijf 1] het project aan [gedaagde] overgedragen. [gedaagde] was niet verplicht om met [eiser] in zee te gaan, maar heeft zelf besloten om contact met hen op te nemen. De offertes die [eiser] aan [bedrijf 1] had verzonden, heeft [eiser] op 29 augustus 2022 aan [gedaagde] toegestuurd. In deze e-mail heeft [eiser] geen algemene voorwaarden bijgevoegd. [gedaagde] hoeft de kosten van de noodbrug niet te vergoeden 3.6 De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij genoodzaakt was om de noodbrug aan te leggen. [eiser] heeft geen correspondentie overgelegd waaruit blijkt dat zij aan [gedaagde] heeft aangegeven dat zij een noodbrug aan moest leggen. Dat de reden voor het aanleggen van de noodbrug gelegen was in het feit dat de bodem zodanig verontreinigd was met asbest dat de afgesproken dam niet kon worden gemaakt, blijkt niet uit de e-mailwisseling tussen partijen ten tijde van de werkzaamheden in 2022 of daarna. [eiser] wijst zelf op haar e-mail van 3 november 2022, waarin zij schrijft: “Voor grondwerk doen wij zoals afgesproken per uur omdat vervuilde grond is en grondbank moet bepalen hoe er moet worden omgegaan […]” Hieruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter juist dat [eiser] op de hoogte was van een bepaalde mate van vervuiling van de grond en dat partijen daarom hebben afgesproken dat [eiser] per uur zou factureren, wat er op wijst dat [eiser] de werkzaamheden wel kon uitvoeren. Sterker nog, het staat vast dat [eiser] al wel een sloot had gegraven; als sprake zou zijn geweest van sterke verontreiniging van de grond door asbest, was het logisch geweest als [eiser] hiervan op dat moment, rond september 2022 of in ieder geval bij deze e-mail van 3 november 2022, melding had gemaakt bij [gedaagde] . De kantonrechter ziet hiervan niets terug in de stukken.
Volledig
Pas op 23 februari 2024 schrijft [eiser] dat sprake is van zodanige verontreiniging van de grond door asbest dat zij haar werkzaamheden niet kan uitvoeren. Op dit moment is tussen partijen al meer dan een jaar gecorrespondeerd en heeft [gedaagde] er al meermaals op aangedrongen dat [eiser] de werkzaamheden zal hervatten en afronden. 3.7 [eiser] heeft als productie 14 twee foto’s overgelegd waarop volgens haar asbesthoudend materiaal is te zien. [gedaagde] heeft dit ter zitting betwist, waarop [eiser] aangaf dat het ging om ‘asbestverdacht materiaal’. [gedaagde] heeft verder ter zitting aan de hand van het rapport van Grondslag uitgebreid toegelicht waar de asbest zich wél bevindt – namelijk rondom de plek waar vroeger een schuur met asbesthoudende golfplaten stond – en heeft op de tekeningen bij het rapport aangewezen dat dit niet de plek is waar [eiser] de werkzaamheden zou hebben moeten uitvoeren. [eiser] voert aan dat vroeger een brand is geweest in deze schuur, waardoor de asbest zich over het gehele perceel heeft verspreid. [gedaagde] heeft dit betwist en lichtte toe dat de brand destijds niet in de schuur, maar in de woning heeft plaatsgevonden. Gelet op alle onderbouwde betwistingen van [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] haar stelling dat zij genoodzaakt was een noodbrug aan te leggen vanwege sterke asbestverontreiniging van de grond, onvoldoende heeft onderbouwd. 3.8 Daarbij heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd op grond waarvan de kosten van de noodbrug voor rekening van [gedaagde] zouden moeten komen. Op de offerte hebben partijen namelijk afgesproken dat [gedaagde] € 7.900,- moet betalen voor het aanleggen van een nooddam. Dat [gedaagde] de kosten zou moeten dragen indien [eiser] kiest voor een noodbrug in plaats van een nooddam, blijkt noch uit de offerte noch uit de algemene voorwaarden. De discussie over het al dan niet toepasselijk zijn van de algemene voorwaarden kan daarom buiten beschouwing blijven. [eiser] moet de proceskosten in conventie betalen 3.9 [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 947,00 in reconventie Standpunten partijen 3.10 [gedaagde] vordert, na vermeerdering van eis, € 32.850,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 tot dat het volledige bedrag is betaald. Volgens [gedaagde] is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, omdat [eiser] – ondanks herhaaldelijk verzoek van [gedaagde] – de afgesproken werkzaamheden niet heeft uitgevoerd. Hierdoor heeft [gedaagde] schade geleden, omdat zij een derde heeft moeten inschakelen om de werkzaamheden af te ronden, aldus [gedaagde] . 3.11 [eiser] erkent dat zij niet alle werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar zij stelt dat zij de werkzaamheden niet kón uitvoeren, omdat de grond waar zij de werkzaamheden moest uitvoeren, was vervuild met asbest. Daarbij heeft [gedaagde] volgens [eiser] weliswaar meerdere keren gevraagd of zij het werk kon afronden, maar heeft [gedaagde] nooit schriftelijk medegedeeld dat zij de werkzaamheden anders door een derde zou laten uitvoeren en deze kosten zou verhalen op [eiser] . Wat hebben partijen afgesproken 3.12 Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] twee soorten werkzaamheden zou verrichten: Sloopwerkzaamheden: het slopen van een woning en een hooischuur en het afvoeren van de materialen; Grondwerkzaamheden: het leveren en plaatsen van een duiker, damwand en schoeiing. Voor de sloopwerkzaamheden zijn partijen overeengekomen dat [eiser] asbesthoudend materiaal moest verwerken en afvoeren, terwijl voor de grondwerkzaamheden is afgesproken dat [eiser] geen asbesthoudende materialen hoeft te verwijderen en geen bodemsanering door [eiser] uitgevoerd dient te worden. Het geschil van partijen ziet slechts op de grondwerkzaamheden. 3.13 Partijen zijn het er over eens dat de grondwerkzaamheden bestonden uit drie delen: Het graven van een sloot aan de achterzijde van het perceel; Het graven van twee inhammen in het midden van het perceel; Het met de vrijgekomen grond aanvullen van de slootkanten waar de beschoeiing moest worden aangebracht. Partijen zijn het er ook over eens dat [eiser] de werkzaamheden onder 1. heeft verricht, maar de werkzaamheden onder 2. en 3. niet heeft uitgevoerd. [eiser] is toerekenbaar tekortgeschoten 3.14 Als men tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, dan is men op grond van de wet verplicht om de schade die de tegenpartij daardoor lijdt te vergoeden, tenzij die tekortkoming niet kan worden toegerekend aan degene die tekortschiet. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] niet alle afgesproken grondwerkzaamheden heeft uitgevoerd. De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser] zo dat zij vindt dat die tekortkoming niet aan haar is toe te rekenen, omdat de grond vervuild was met asbest. Zoals onder 3.6 en 3.7 is overwogen, is niet komen vast te staan dat de grond waar [eiser] de werkzaamheden moest uitvoeren zodanig vervuild was dat zij die werkzaamheden daardoor niet kon verrichten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. [eiser] moet vervangende schadevergoeding betalen 3.15 [gedaagde] heeft de werkzaamheden laten uitvoeren door een derde en vordert daarom geen nakoming van [eiser] , maar vervangende schadevergoeding. Hiervoor is op grond van artikel 6:87 lid 1 BW vereist dat [gedaagde] een zogenoemde ‘omzettingsverklaring’ aan [eiser] heeft gestuurd, waarin zij aan [eiser] schriftelijk mededeelt dat zij in plaats van nakoming schadevergoeding vordert. Daarbij is vereist dat [eiser] in verzuim was. 3.16 De kantonrechter overweegt als volgt. In de periode september 2022 – februari 2024 heeft [gedaagde] [eiser] talloze keren verzocht om de werkzaamheden af te ronden. Dit heeft [eiser] niet gedaan. Zij verkeerde daarom in verzuim. In deze periode heeft [gedaagde] geen omzettingsverklaring gestuurd, maar de kantonrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] ingebrachte eis in reconventie moet worden aangemerkt als omzettingsverklaring. De stellingen van [gedaagde] dat zij de werkzaamheden door een derde heeft laten uitvoeren en dat zij wil dat [eiser] deze kosten vergoedt, vallen niet anders te begrijpen dan als een mededeling in de zin van artikel 6:87 lid 1 BW. De verplichting van [eiser] tot nakoming is hierdoor omgezet in de verplichting tot het betalen van schadevergoeding. Begroting schade Meerkosten [C] 3.17 [gedaagde] vordert € 6.373,50 aan meerkosten voor de grondwerkzaamheden. Zij voert hiertoe aan dat zij – in plaats van de afgesproken € 14.000,- – € 20.873,50 heeft moeten betalen, bestaande uit € 18.973,50 voor het inschakelen van Tim van Bodegraven en € 1.900,- voor de werkzaamheden van Niek Scholten. Volgens [eiser] hoeft zij deze kosten niet te vergoeden, omdat zij de grondwerkzaamheden niet kon uitvoeren vanwege de vervuilde grond. Zoals onder 3.14 t/m 3.16 van dit vonnis is overwogen, gaat dit verweer niet op en moet [eiser] de schade die voortvloeit uit haar tekortkoming aan [gedaagde] vergoeden. [eiser] heeft de hoogte van deze vordering niet betwist. De kantonrechter zal daarom € 6.373,50 toewijzen. Meerkosten [D] 3.18 [gedaagde] vordert € 14.000,- aan meerkosten voor de schoeiingswerkzaamheden. Zij voert hiertoe aan dat zij de resterende schoeiingswerkzaamheden door [D] heeft laten uitvoeren. [D] heeft € 3.680,- in rekening gebracht voor het aanbrengen van slotbouten, die [eiser] had moeten aanbrengen in plaats van nieten, € 4.000,- vanwege het trager werken van de minigraver doordat de terrassen van twee woningen niet meer met een kraan konden worden betreden, en 6.320,- voor materiaalkosten, omdat [eiser] te weinig schoeiingsschotten en palen had geleverd.
Volledig
Pas op 23 februari 2024 schrijft [eiser] dat sprake is van zodanige verontreiniging van de grond door asbest dat zij haar werkzaamheden niet kan uitvoeren. Op dit moment is tussen partijen al meer dan een jaar gecorrespondeerd en heeft [gedaagde] er al meermaals op aangedrongen dat [eiser] de werkzaamheden zal hervatten en afronden. 3.7 [eiser] heeft als productie 14 twee foto’s overgelegd waarop volgens haar asbesthoudend materiaal is te zien. [gedaagde] heeft dit ter zitting betwist, waarop [eiser] aangaf dat het ging om ‘asbestverdacht materiaal’. [gedaagde] heeft verder ter zitting aan de hand van het rapport van Grondslag uitgebreid toegelicht waar de asbest zich wél bevindt – namelijk rondom de plek waar vroeger een schuur met asbesthoudende golfplaten stond – en heeft op de tekeningen bij het rapport aangewezen dat dit niet de plek is waar [eiser] de werkzaamheden zou hebben moeten uitvoeren. [eiser] voert aan dat vroeger een brand is geweest in deze schuur, waardoor de asbest zich over het gehele perceel heeft verspreid. [gedaagde] heeft dit betwist en lichtte toe dat de brand destijds niet in de schuur, maar in de woning heeft plaatsgevonden. Gelet op alle onderbouwde betwistingen van [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] haar stelling dat zij genoodzaakt was een noodbrug aan te leggen vanwege sterke asbestverontreiniging van de grond, onvoldoende heeft onderbouwd. 3.8 Daarbij heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd op grond waarvan de kosten van de noodbrug voor rekening van [gedaagde] zouden moeten komen. Op de offerte hebben partijen namelijk afgesproken dat [gedaagde] € 7.900,- moet betalen voor het aanleggen van een nooddam. Dat [gedaagde] de kosten zou moeten dragen indien [eiser] kiest voor een noodbrug in plaats van een nooddam, blijkt noch uit de offerte noch uit de algemene voorwaarden. De discussie over het al dan niet toepasselijk zijn van de algemene voorwaarden kan daarom buiten beschouwing blijven. [eiser] moet de proceskosten in conventie betalen 3.9 [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten × € 406,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 947,00 in reconventie Standpunten partijen 3.10 [gedaagde] vordert, na vermeerdering van eis, € 32.850,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 tot dat het volledige bedrag is betaald. Volgens [gedaagde] is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, omdat [eiser] – ondanks herhaaldelijk verzoek van [gedaagde] – de afgesproken werkzaamheden niet heeft uitgevoerd. Hierdoor heeft [gedaagde] schade geleden, omdat zij een derde heeft moeten inschakelen om de werkzaamheden af te ronden, aldus [gedaagde] . 3.11 [eiser] erkent dat zij niet alle werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar zij stelt dat zij de werkzaamheden niet kón uitvoeren, omdat de grond waar zij de werkzaamheden moest uitvoeren, was vervuild met asbest. Daarbij heeft [gedaagde] volgens [eiser] weliswaar meerdere keren gevraagd of zij het werk kon afronden, maar heeft [gedaagde] nooit schriftelijk medegedeeld dat zij de werkzaamheden anders door een derde zou laten uitvoeren en deze kosten zou verhalen op [eiser] . Wat hebben partijen afgesproken 3.12 Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] twee soorten werkzaamheden zou verrichten: Sloopwerkzaamheden: het slopen van een woning en een hooischuur en het afvoeren van de materialen; Grondwerkzaamheden: het leveren en plaatsen van een duiker, damwand en schoeiing. Voor de sloopwerkzaamheden zijn partijen overeengekomen dat [eiser] asbesthoudend materiaal moest verwerken en afvoeren, terwijl voor de grondwerkzaamheden is afgesproken dat [eiser] geen asbesthoudende materialen hoeft te verwijderen en geen bodemsanering door [eiser] uitgevoerd dient te worden. Het geschil van partijen ziet slechts op de grondwerkzaamheden. 3.13 Partijen zijn het er over eens dat de grondwerkzaamheden bestonden uit drie delen: Het graven van een sloot aan de achterzijde van het perceel; Het graven van twee inhammen in het midden van het perceel; Het met de vrijgekomen grond aanvullen van de slootkanten waar de beschoeiing moest worden aangebracht. Partijen zijn het er ook over eens dat [eiser] de werkzaamheden onder 1. heeft verricht, maar de werkzaamheden onder 2. en 3. niet heeft uitgevoerd. [eiser] is toerekenbaar tekortgeschoten 3.14 Als men tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, dan is men op grond van de wet verplicht om de schade die de tegenpartij daardoor lijdt te vergoeden, tenzij die tekortkoming niet kan worden toegerekend aan degene die tekortschiet. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] niet alle afgesproken grondwerkzaamheden heeft uitgevoerd. De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser] zo dat zij vindt dat die tekortkoming niet aan haar is toe te rekenen, omdat de grond vervuild was met asbest. Zoals onder 3.6 en 3.7 is overwogen, is niet komen vast te staan dat de grond waar [eiser] de werkzaamheden moest uitvoeren zodanig vervuild was dat zij die werkzaamheden daardoor niet kon verrichten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. [eiser] moet vervangende schadevergoeding betalen 3.15 [gedaagde] heeft de werkzaamheden laten uitvoeren door een derde en vordert daarom geen nakoming van [eiser] , maar vervangende schadevergoeding. Hiervoor is op grond van artikel 6:87 lid 1 BW vereist dat [gedaagde] een zogenoemde ‘omzettingsverklaring’ aan [eiser] heeft gestuurd, waarin zij aan [eiser] schriftelijk mededeelt dat zij in plaats van nakoming schadevergoeding vordert. Daarbij is vereist dat [eiser] in verzuim was. 3.16 De kantonrechter overweegt als volgt. In de periode september 2022 – februari 2024 heeft [gedaagde] [eiser] talloze keren verzocht om de werkzaamheden af te ronden. Dit heeft [eiser] niet gedaan. Zij verkeerde daarom in verzuim. In deze periode heeft [gedaagde] geen omzettingsverklaring gestuurd, maar de kantonrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] ingebrachte eis in reconventie moet worden aangemerkt als omzettingsverklaring. De stellingen van [gedaagde] dat zij de werkzaamheden door een derde heeft laten uitvoeren en dat zij wil dat [eiser] deze kosten vergoedt, vallen niet anders te begrijpen dan als een mededeling in de zin van artikel 6:87 lid 1 BW. De verplichting van [eiser] tot nakoming is hierdoor omgezet in de verplichting tot het betalen van schadevergoeding. Begroting schade Meerkosten [C] 3.17 [gedaagde] vordert € 6.373,50 aan meerkosten voor de grondwerkzaamheden. Zij voert hiertoe aan dat zij – in plaats van de afgesproken € 14.000,- – € 20.873,50 heeft moeten betalen, bestaande uit € 18.973,50 voor het inschakelen van Tim van Bodegraven en € 1.900,- voor de werkzaamheden van Niek Scholten. Volgens [eiser] hoeft zij deze kosten niet te vergoeden, omdat zij de grondwerkzaamheden niet kon uitvoeren vanwege de vervuilde grond. Zoals onder 3.14 t/m 3.16 van dit vonnis is overwogen, gaat dit verweer niet op en moet [eiser] de schade die voortvloeit uit haar tekortkoming aan [gedaagde] vergoeden. [eiser] heeft de hoogte van deze vordering niet betwist. De kantonrechter zal daarom € 6.373,50 toewijzen. Meerkosten [D] 3.18 [gedaagde] vordert € 14.000,- aan meerkosten voor de schoeiingswerkzaamheden. Zij voert hiertoe aan dat zij de resterende schoeiingswerkzaamheden door [D] heeft laten uitvoeren. [D] heeft € 3.680,- in rekening gebracht voor het aanbrengen van slotbouten, die [eiser] had moeten aanbrengen in plaats van nieten, € 4.000,- vanwege het trager werken van de minigraver doordat de terrassen van twee woningen niet meer met een kraan konden worden betreden, en 6.320,- voor materiaalkosten, omdat [eiser] te weinig schoeiingsschotten en palen had geleverd.
Volledig
3.19 [eiser] erkent dat deze schoeiingswerkzaamheden niet heeft uitgevoerd, maar zij stelt wederom dat zij de kosten niet hoeft te vergoeden vanwege de vervuilde grond. Zoals hiervoor is overwogen, gaat dit verweer niet op. [gedaagde] heeft deze kosten onderbouwd met een factuur van [D] en met een toelichting ter zitting. [eiser] heeft de hoogte van deze kosten niet onderbouwd betwist. Deze vordering zal daarom worden toegewezen. Meerkosten [bedrijf 2] 3.20 [gedaagde] vordert € 7.127,- aan meerkosten voor het langer huren van rijplaten bij [bedrijf 2] . Zij voert hiertoe aan dat de rijplaten veel langer moesten blijven liggen, omdat [eiser] de werkzaamheden niet uitvoerde. Ter onderbouwing legt zij de facturen van [bedrijf 2] over. 3.21 Volgens [eiser] hoeft zij deze kosten niet te vergoeden, omdat partijen niet waren overeengekomen dat [eiser] rijplaten zou leveren. Daarnaast is het langer huren van de rijplaten volgens [eiser] het gevolg van de vervuilde grond en niet vanwege een tekortkoming van [eiser] . 3.22 De kantonrechter overweegt als volgt. [eiser] moet de schade vergoeden die het gevolg is van haar tekortkoming. Hiervoor is niet relevant of [eiser] zelf rijplaten zou leveren. Vast staat dat [eiser] is tekortgeschoten en dat [gedaagde] als gevolg hiervan kosten moeten maken. Deze vordering zal daarom worden toegewezen. [eiser] moet de te veel betaalde voorschotten terugbetalen 3.23 [gedaagde] stelt dat zij € 5.350,- exclusief btw te veel heeft betaald als voorschot op het door [eiser] te verrichten grondwerk. Zij wil dat [eiser] dit aan haar terugbetaalt. Zij voert hiertoe aan dat [eiser] een onderaannemer, Niek Scholtes, heeft ingeschakeld die alleen van 26 t/m 31 september 2022 werkzaamheden heeft verricht; in totaal 20 uur. De overige grondwerkzaamheden zijn niet verricht. Voor deze 20 uur zou [gedaagde] slechts een bedrag van € 1.900,- verschuldigd zijn, terwijl zij aan [eiser] een voorschot heeft betaald van € 7.250,-. Dit is dus € 5.350,- te veel. 3.24 [eiser] betwist dat [gedaagde] € 5.350,- te veel heeft betaald. Zij voert hiertoe aan dat [gedaagde] de uren die Niek Scholten heeft gemaakt op 27, 28 en 29 september 2022 – op welke dagen Niek Scholten de kavels en bouwput heeft uitgegraven, het zand heeft geleverd en het zand heeft verwerkt in de kavels en bouwput – niet heeft gerekend. Deze werkzaamheden zijn echter onderdeel van de overeenkomst, dus hiervoor was [gedaagde] een vergoeding verschuldigd. Uitgaande van drie werkdagen van acht uur, betekent dit dat € 2.280,- van de gevorderde € 5.350,- wel verschuldigd is betaald. 3.25 De kantonrechter begrijpt de stellingen van [gedaagde] zo dat zij zich beroept op onverschuldigde betaling. [eiser] heeft onderbouwd betwist dat [gedaagde] € 2.280,- van de gevorderde € 5.350,- onverschuldigd zou hebben betaald. [gedaagde] heeft niet nader onderbouwd waarom zij geen bedrag verschuldigd zou zijn voor het uitgraven van de bouwput en het aanleveren en verwerken van het zand. Dit deel zal daarom worden afgewezen. Dat [gedaagde] een bedrag van € 3.070,- onverschuldigd heeft betaald, heeft [eiser] echter niet betwist. Dit bedrag zal worden toegewezen. Rente 3.26 [gedaagde] vordert de wettelijke rente over het schadebedrag en over de te veel betaalde voorschotten, vanaf 18 juni 2025. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De kantonrechter zal deze vordering toewijzen. [eiser] moet de proceskosten in reconventie betalen 3.27 [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 814,50 (1,5 punt × € 543,00) Totaal € 814,50 4 De beslissing De kantonrechter in conventie 4.1 wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 4.3 veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 30.570,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.4 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 814,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en reconventie 4.5 veroordeelt [eiser] in de kosten van betekening, als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025. Productie 1 van [gedaagde] . Productie 2 van [eiser] . Artikel 6:74 BW. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad op 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1028. Productie 15 van [gedaagde] . Productie 21 van [gedaagde] .
Volledig
3.19 [eiser] erkent dat deze schoeiingswerkzaamheden niet heeft uitgevoerd, maar zij stelt wederom dat zij de kosten niet hoeft te vergoeden vanwege de vervuilde grond. Zoals hiervoor is overwogen, gaat dit verweer niet op. [gedaagde] heeft deze kosten onderbouwd met een factuur van [D] en met een toelichting ter zitting. [eiser] heeft de hoogte van deze kosten niet onderbouwd betwist. Deze vordering zal daarom worden toegewezen. Meerkosten [bedrijf 2] 3.20 [gedaagde] vordert € 7.127,- aan meerkosten voor het langer huren van rijplaten bij [bedrijf 2] . Zij voert hiertoe aan dat de rijplaten veel langer moesten blijven liggen, omdat [eiser] de werkzaamheden niet uitvoerde. Ter onderbouwing legt zij de facturen van [bedrijf 2] over. 3.21 Volgens [eiser] hoeft zij deze kosten niet te vergoeden, omdat partijen niet waren overeengekomen dat [eiser] rijplaten zou leveren. Daarnaast is het langer huren van de rijplaten volgens [eiser] het gevolg van de vervuilde grond en niet vanwege een tekortkoming van [eiser] . 3.22 De kantonrechter overweegt als volgt. [eiser] moet de schade vergoeden die het gevolg is van haar tekortkoming. Hiervoor is niet relevant of [eiser] zelf rijplaten zou leveren. Vast staat dat [eiser] is tekortgeschoten en dat [gedaagde] als gevolg hiervan kosten moeten maken. Deze vordering zal daarom worden toegewezen. [eiser] moet de te veel betaalde voorschotten terugbetalen 3.23 [gedaagde] stelt dat zij € 5.350,- exclusief btw te veel heeft betaald als voorschot op het door [eiser] te verrichten grondwerk. Zij wil dat [eiser] dit aan haar terugbetaalt. Zij voert hiertoe aan dat [eiser] een onderaannemer, Niek Scholtes, heeft ingeschakeld die alleen van 26 t/m 31 september 2022 werkzaamheden heeft verricht; in totaal 20 uur. De overige grondwerkzaamheden zijn niet verricht. Voor deze 20 uur zou [gedaagde] slechts een bedrag van € 1.900,- verschuldigd zijn, terwijl zij aan [eiser] een voorschot heeft betaald van € 7.250,-. Dit is dus € 5.350,- te veel. 3.24 [eiser] betwist dat [gedaagde] € 5.350,- te veel heeft betaald. Zij voert hiertoe aan dat [gedaagde] de uren die Niek Scholten heeft gemaakt op 27, 28 en 29 september 2022 – op welke dagen Niek Scholten de kavels en bouwput heeft uitgegraven, het zand heeft geleverd en het zand heeft verwerkt in de kavels en bouwput – niet heeft gerekend. Deze werkzaamheden zijn echter onderdeel van de overeenkomst, dus hiervoor was [gedaagde] een vergoeding verschuldigd. Uitgaande van drie werkdagen van acht uur, betekent dit dat € 2.280,- van de gevorderde € 5.350,- wel verschuldigd is betaald. 3.25 De kantonrechter begrijpt de stellingen van [gedaagde] zo dat zij zich beroept op onverschuldigde betaling. [eiser] heeft onderbouwd betwist dat [gedaagde] € 2.280,- van de gevorderde € 5.350,- onverschuldigd zou hebben betaald. [gedaagde] heeft niet nader onderbouwd waarom zij geen bedrag verschuldigd zou zijn voor het uitgraven van de bouwput en het aanleveren en verwerken van het zand. Dit deel zal daarom worden afgewezen. Dat [gedaagde] een bedrag van € 3.070,- onverschuldigd heeft betaald, heeft [eiser] echter niet betwist. Dit bedrag zal worden toegewezen. Rente 3.26 [gedaagde] vordert de wettelijke rente over het schadebedrag en over de te veel betaalde voorschotten, vanaf 18 juni 2025. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De kantonrechter zal deze vordering toewijzen. [eiser] moet de proceskosten in reconventie betalen 3.27 [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 814,50 (1,5 punt × € 543,00) Totaal € 814,50 4 De beslissing De kantonrechter in conventie 4.1 wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in reconventie 4.3 veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 30.570,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.4 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 814,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, in conventie en reconventie 4.5 veroordeelt [eiser] in de kosten van betekening, als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025. Productie 1 van [gedaagde] . Productie 2 van [eiser] . Artikel 6:74 BW. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad op 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1028. Productie 15 van [gedaagde] . Productie 21 van [gedaagde] .