Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-11
ECLI:NL:RBMNE:2025:7829
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,137 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7829 text/xml public 2026-04-17T12:22:49 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-11 11744851 \ ME VERZ 25-86 BW 31650 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Almere Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7829 text/html public 2026-04-17T12:22:04 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7829 Rechtbank Midden-Nederland , 11-11-2025 / 11744851 \ ME VERZ 25-86 BW 31650 ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, dringende reden niet vast komen te staan, meenemen van afvalproducten, geen bestendig beleid. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer / rekestnummer: 11744851 \ ME VERZ 25-86 BW 31650 Beschikking van 11 november 2025 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [plaats] , verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. M.B. Chylinska, tegen ACE PHARMACEUTICALS B.V. , gevestigd in Zeewolde, verweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek, hierna te noemen: ACE, gemachtigde: mr. E.W. Kingma. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 4 producties, binnengekomen op 13 juni 2025, - het verweerschrift met voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek met 12 producties (van 8 oktober 2025). 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Chylinska. Namens ACE zijn de heer [A] ( [functie 1] ) en de heer [B] ( [functie 2] ) verschenen, bijgestaan door mr. Kingma. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is tijdens de zitting. 1.3 Tijdens de zitting is bepaald dat uiterlijk 11 november 2025 uitspraak zal worden gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1960, is sinds 1 februari 2020 in dienst bij ACE. De functie van [verzoeker] is [functie 3] met een loon van € 2.319,67 bruto per maand. Op 14 april 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen, omdat hij zonder toestemming een kartonnen ton waarin zich witte doppen en maatschepjes bevonden zou hebben meegenomen. [verzoeker] ontkent dat hij die ton en/of de inhoud daarvan heeft meegenomen en wijst erop dat dit ook nergens uit blijkt. In deze procedure verzet [verzoeker] zich terecht tegen het ontslag op staande voet. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en kent daarbij aan [verzoeker] een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding toe. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 3 De beoordeling 3.1 [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ingetrokken. [verzoeker] berust dus in de opzegging, maar maakt aanspraak op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Dat betekent ook dat de kantonrechter niet toekomt aan beoordeling van het voorwaardelijk zelfstandig ontbindingsverzoek van ACE, omdat de arbeidsovereenkomst per 14 april 2025 is geëindigd. 3.2 Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Bij de beoordeling van de vraag of het ontslag rechtsgeldig is stelt de kantonrechter voorop dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel staat dat de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd kan worden om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. 3.3 Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever. 3.4 De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden. Er is geen dringende reden 3.5 Op 14 april 2025 heeft ACE [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende vermeld over de dringende reden: “Dringende reden voor ontslag op staande voet U heeft zonder toestemming een kartonnen ton waarin zich witte doppen en maatschepjes bevonden, althans de inhoud van die ton, meegenomen terwijl u wist althans had moeten weten dat het niet is toegestaan om zonder toestemming eigendommen van de werkgever mee te nemen. U heeft in ieder geval bekend twee blauwe plastic tonnen te hebben meegenomen, terwijl u wist dat u dit expliciet verboden was. (…)” De kantonrechter stelt vast dat de dringende reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, dus is dat [verzoeker] zonder toestemming een kartonnen ton waarin zich witte doppen en maatschepjes bevonden, althans de inhoud van die ton heeft meegenomen, terwijl hij wist dat het niet is toegestaan om zonder toestemming eigendommen van ACE mee te nemen. [verzoeker] betwist dat hij deze tonnen met inhoud heeft weggenomen en wijst erop dat ook nergens uit blijkt dat hij degene is die deze ton of de inhoud daarvan heeft meegenomen. Dat is de kantonrechter met [verzoeker] eens. ACE zegt dat zij door het plaatsen van een “tag” in de betreffende kartonnen ton en het volgen van die tag in een app heeft vastgesteld dat [verzoeker] die ton heeft meegenomen. De kantonrechter volgt ACE daarin niet en wel om de volgende redenen. ACE heeft uitgelegd dat de heer [B] [verzoeker] na afloop van zijn werktijd is gevolgd naar het terrein [naam] en dat [B] toen heeft gezien dat [verzoeker] iets heeft ingeladen in zijn auto. [B] heeft echter tijdens de zitting expliciet verklaard dat hij niet heeft kunnen zien wat [verzoeker] in de auto heeft gezet. Dat [B] heeft gezien dat [verzoeker] bij [naam] iets in zijn auto heeft ingeladen, zegt dus niet dat dit de kartonnen ton met inhoud betrof. Volgens ACE heeft [verzoeker] die ton echter wel meegenomen, omdat zij een tag in die ton heeft geplaatst en ACE die tag via een app heeft kunnen volgen. ACE zegt dat zij door het volgen van de tag heeft geconstateerd dat de kartonnen doos binnen de provincie Noord-Holland is vervoerd. Zo zou de doos volgens ACE eerst naar Zaandam zijn vervoerd, wat volgens haar bevestigt dat [verzoeker] die ton heeft meegenomen, omdat hij in Noord-Holland woont. De kantonrechter heeft echter niet kunnen vaststellen dat ACE een tag in de kartonnen doos heeft geplaatst, want dat is niet te zien op de door ACE overgelegde foto’s. Op de foto’s staat de bewuste ton wel afgebeeld, maar daarin of daarop is geen tag zichtbaar. Dat maakt dat het even goed zo kan zijn dat die tag bijvoorbeeld in of onder de auto van [verzoeker] of een ander persoon was geplaatst of in een ander product, zoals [verzoeker] ook naar voren heeft gebracht. [verzoeker] heeft ook betwist in Zaandam te zijn geweest en dat is niet zijn woonplaats. [verzoeker] woont namelijk in [plaats] . Op basis van deze informatie kan de kantonrechter niet vaststellen dat [verzoeker] een kartonnen ton met inhoud heeft meegenomen bij [naam] .
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7829 text/xml public 2026-04-21T12:24:03 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-11 11744851 \ ME VERZ 25-86 BW 31650 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Almere Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2026-0604 AR-Updates.nl 2026-0604 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7829 text/html public 2026-04-17T12:22:04 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7829 Rechtbank Midden-Nederland , 11-11-2025 / 11744851 \ ME VERZ 25-86 BW 31650 ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, dringende reden niet vast komen te staan, meenemen van afvalproducten, geen bestendig beleid. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer / rekestnummer: 11744851 \ ME VERZ 25-86 BW 31650 Beschikking van 11 november 2025 in de zaak van [verzoeker] , wonend in [plaats] , verzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. M.B. Chylinska, tegen ACE PHARMACEUTICALS B.V. , gevestigd in Zeewolde, verweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek, hierna te noemen: ACE, gemachtigde: mr. E.W. Kingma. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 4 producties, binnengekomen op 13 juni 2025, - het verweerschrift met voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek met 12 producties (van 8 oktober 2025). 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Chylinska. Namens ACE zijn de heer [A] ( [functie 1] ) en de heer [B] ( [functie 2] ) verschenen, bijgestaan door mr. Kingma. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is tijdens de zitting. 1.3 Tijdens de zitting is bepaald dat uiterlijk 11 november 2025 uitspraak zal worden gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1960, is sinds 1 februari 2020 in dienst bij ACE. De functie van [verzoeker] is [functie 3] met een loon van € 2.319,67 bruto per maand. Op 14 april 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen, omdat hij zonder toestemming een kartonnen ton waarin zich witte doppen en maatschepjes bevonden zou hebben meegenomen. [verzoeker] ontkent dat hij die ton en/of de inhoud daarvan heeft meegenomen en wijst erop dat dit ook nergens uit blijkt. In deze procedure verzet [verzoeker] zich terecht tegen het ontslag op staande voet. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en kent daarbij aan [verzoeker] een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding toe. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 3 De beoordeling 3.1 [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet ingetrokken. [verzoeker] berust dus in de opzegging, maar maakt aanspraak op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Dat betekent ook dat de kantonrechter niet toekomt aan beoordeling van het voorwaardelijk zelfstandig ontbindingsverzoek van ACE, omdat de arbeidsovereenkomst per 14 april 2025 is geëindigd. 3.2 Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Bij de beoordeling van de vraag of het ontslag rechtsgeldig is stelt de kantonrechter voorop dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel staat dat de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd kan worden om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. 3.3 Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever. 3.4 De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden. Er is geen dringende reden 3.5 Op 14 april 2025 heeft ACE [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende vermeld over de dringende reden: “Dringende reden voor ontslag op staande voet U heeft zonder toestemming een kartonnen ton waarin zich witte doppen en maatschepjes bevonden, althans de inhoud van die ton, meegenomen terwijl u wist althans had moeten weten dat het niet is toegestaan om zonder toestemming eigendommen van de werkgever mee te nemen. U heeft in ieder geval bekend twee blauwe plastic tonnen te hebben meegenomen, terwijl u wist dat u dit expliciet verboden was. (…)” De kantonrechter stelt vast dat de dringende reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, dus is dat [verzoeker] zonder toestemming een kartonnen ton waarin zich witte doppen en maatschepjes bevonden, althans de inhoud van die ton heeft meegenomen, terwijl hij wist dat het niet is toegestaan om zonder toestemming eigendommen van ACE mee te nemen. [verzoeker] betwist dat hij deze tonnen met inhoud heeft weggenomen en wijst erop dat ook nergens uit blijkt dat hij degene is die deze ton of de inhoud daarvan heeft meegenomen. Dat is de kantonrechter met [verzoeker] eens. ACE zegt dat zij door het plaatsen van een “tag” in de betreffende kartonnen ton en het volgen van die tag in een app heeft vastgesteld dat [verzoeker] die ton heeft meegenomen. De kantonrechter volgt ACE daarin niet en wel om de volgende redenen. ACE heeft uitgelegd dat de heer [B] [verzoeker] na afloop van zijn werktijd is gevolgd naar het terrein [naam] en dat [B] toen heeft gezien dat [verzoeker] iets heeft ingeladen in zijn auto. [B] heeft echter tijdens de zitting expliciet verklaard dat hij niet heeft kunnen zien wat [verzoeker] in de auto heeft gezet. Dat [B] heeft gezien dat [verzoeker] bij [naam] iets in zijn auto heeft ingeladen, zegt dus niet dat dit de kartonnen ton met inhoud betrof. Volgens ACE heeft [verzoeker] die ton echter wel meegenomen, omdat zij een tag in die ton heeft geplaatst en ACE die tag via een app heeft kunnen volgen. ACE zegt dat zij door het volgen van de tag heeft geconstateerd dat de kartonnen doos binnen de provincie Noord-Holland is vervoerd. Zo zou de doos volgens ACE eerst naar Zaandam zijn vervoerd, wat volgens haar bevestigt dat [verzoeker] die ton heeft meegenomen, omdat hij in Noord-Holland woont. De kantonrechter heeft echter niet kunnen vaststellen dat ACE een tag in de kartonnen doos heeft geplaatst, want dat is niet te zien op de door ACE overgelegde foto’s. Op de foto’s staat de bewuste ton wel afgebeeld, maar daarin of daarop is geen tag zichtbaar. Dat maakt dat het even goed zo kan zijn dat die tag bijvoorbeeld in of onder de auto van [verzoeker] of een ander persoon was geplaatst of in een ander product, zoals [verzoeker] ook naar voren heeft gebracht. [verzoeker] heeft ook betwist in Zaandam te zijn geweest en dat is niet zijn woonplaats. [verzoeker] woont namelijk in [plaats] . Op basis van deze informatie kan de kantonrechter niet vaststellen dat [verzoeker] een kartonnen ton met inhoud heeft meegenomen bij [naam] .
Volledig
3.6 Volgens ACE heeft zij ook aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] twee blauwe vaten heeft meegenomen. De kantonrechter volgt ACE daarin niet. [verzoeker] heeft namelijk tijdens het gesprek van 14 april 2025 waarin ACE heeft laten weten hem te ontslaan vanwege het meenemen van een kartonnen ton met inhoud gezegd dit niet te hebben gedaan, maar wel twee blauwe vaten mee te hebben genomen. Dat meenemen van de blauwe vaten is echter niet de reden die aan [verzoeker] is meegedeeld als dringende reden voor het ontslag op staande voet. Uit de ontslagbrief blijkt ook niet expliciet dat ACE het meenemen van de blauwe vaten ten grondslag heeft gelegd aan de dringende reden. ACE benoemt wel dat [verzoeker] tijdens het gesprek heeft gezegd twee blauwe vaten te hebben meegenomen, maar koppelt dit niet (expliciet en in elk geval niet duidelijk genoeg) aan de dringende reden. Zelfs als de kantonrechter wel zou aannemen dat het meenemen van de blauwe vaten aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, dan nog is dit onvoldoende voor het aannemen van een dringende reden. [verzoeker] is weliswaar op 30 november 2023 aangesproken en schriftelijk gewaarschuwd voor het meenemen van (afval)producten van ACE, maar in die waarschuwing staat echter ook dat ACE erkent dat haar beleid op dit gebied niet helder is en verduidelijking behoeft en dat zij dit organisatiebreed zal oppakken en verduidelijken. Tijdens de zitting is gebleken dat dit nog steeds niet is gebeurd en volgens [verzoeker] zijn er nog steeds veel werknemers die (afval)producten mee naar huis nemen. Desondanks had [verzoeker] beter moeten weten en had hij ook de blauwe vaten niet mee mogen nemen, gelet op de duidelijke waarschuwing die hij hier eerder voor heeft gekregen. Dat hij hiervoor toestemming zou hebben gehad van zijn leidinggevenden blijkt nergens uit en al zou dat zo zijn, dan nog had hij daar niet op mogen afgaan, gelet op het feit dat expliciet in de waarschuwing vermeld staat dat ook in dat geval het niet is toegestaan de producten van ACE mee te nemen. Maar dit rechtvaardigt niet het geven van een ontslag op staande voet. Het kan immers niet zo zijn dat ACE per werknemer verschillend omgaat met het meenemen van producten en [verzoeker] daarop afrekent met een ontslag op staande voet en andere werknemers daar kennelijk niet op worden aangesproken. ACE heeft niet kunnen aantonen dat zij een bestendig beleid volgt en dat ook handhaaft. Daar komt bij dat in de waarschuwing van 30 november 2023 aan [verzoeker] is meegedeeld dat bij het toch weer meenemen van producten van ACE, ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou volgen. Dat ACE nu meteen tot ontslag op staande voet is overgegaan, is dan ook een te zwaar middel en niet in lijn met wat zij hierover in de officiële waarschuwing heeft vermeld. ACE had gelet op de duidelijke waarschuwing aan [verzoeker] en de daarin vermelde consequentie dus ontbinding moeten vragen van de arbeidsovereenkomst. Evenmin is de kantonrechter gebleken dat ACE bij haar beslissing om tot ontslag op staande voet over te gaan rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , terwijl volgens ACE een schuldenproblematiek speelt bij [verzoeker] en [verzoeker] nog maar een paar jaar van zijn pensioengerechtigde leeftijd verwijderd is. 3.7 Er is dus geen dringende reden voor een ontslag op staande voet. Dit betekent dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, zodat de kantonrechter niet meer toekomt aan de beoordeling ten aanzien van de onverwijldheid van het gegeven ontslag. ACE moet de vergoeding wegens onregelmatige opzegging betalen 3.8 De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn (de periode van 14 april tot 1 juli 2025), te vermeerderen met vakantietoeslag. Dat komt dus neer op 2,5 maand salaris, een totaalbedrag van € 6.263,10 bruto. Dat is een hoger bedrag dan waar namens [verzoeker] om is verzocht, maar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2025 is het – net als bij de transitievergoeding – aan de kantonrechter om ambtshalve de vergoeding wegens onregelmatige opzetting te berekenen, omdat de wet nauwkeurige regels bevat voor de berekening van deze vergoeding. De vergoeding moet namelijk berekend worden door de hoogte van het loon te bepalen over de periode dat het dienstverband nog had voortgeduurd bij het in acht nemen van de geldende opzegtermijn. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 april 2025. ACE moet de transitievergoeding betalen 3.9 Het verzoek om ACE te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dit betekent dat ACE de transitievergoeding aan [verzoeker] moet betalen. Ook hier geldt dat de kantonrechter de transitievergoeding ambtshalve, conform het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW, moet berekenen. [verzoeker] is bij zijn berekening van de hoogte van de transitievergoeding uitgegaan van een indiensttredingsdatum van 1 februari 2019 en tijdens de zitting is gebleken dat dit niet juist is. [verzoeker] is namelijk per 1 februari 2020 in dienst getreden bij ACE in zijn huidige functie, terwijl hij dat jaar daarvoor via een uitzendbureau heeft gewerkt als [.] bij de bouw van het pand van ACE. Dit telt niet mee voor de duur van het dienstverband. De transitievergoeding heeft de kantonrechter daarom berekend over de periode van 1 februari 2020 tot 14 april 2025 en is daarbij uitgegaan van het door ACE genoemde bruto maandloon van € 2.319,67 vermeerderd met 8% vakantietoeslag (€ 2.505,24). ACE wordt veroordeeld tot betaling van die vergoeding, die € 4.346,61 bruto bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 mei 2025. ACE moet ook een billijke vergoeding betalen 3.10 Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Een ongeldig ontslag moet als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever worden aangemerkt. 3.11 Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de opzegging kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 3.12 Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kijkt de kantonrechter naar de verwachting van de duur van het dienstverband, als ACE niet tot ontslag op staande voet zou zijn overgegaan. [verzoeker] neemt daarbij als uitgangpunt dat hij nog tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou zijn gebleven. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter geen reëel uitgangspunt. De kantonrechter gaat er vanuit dat het dienstverband met [verzoeker] niet meer zo lang zou hebben geduurd. De kantonrechter kan zich namelijk voorstellen dat het wederom meenemen van deze vaten ervoor heeft gezorgd dat ACE het vertrouwen in [verzoeker] volledig is verloren.
Volledig
3.6 Volgens ACE heeft zij ook aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] twee blauwe vaten heeft meegenomen. De kantonrechter volgt ACE daarin niet. [verzoeker] heeft namelijk tijdens het gesprek van 14 april 2025 waarin ACE heeft laten weten hem te ontslaan vanwege het meenemen van een kartonnen ton met inhoud gezegd dit niet te hebben gedaan, maar wel twee blauwe vaten mee te hebben genomen. Dat meenemen van de blauwe vaten is echter niet de reden die aan [verzoeker] is meegedeeld als dringende reden voor het ontslag op staande voet. Uit de ontslagbrief blijkt ook niet expliciet dat ACE het meenemen van de blauwe vaten ten grondslag heeft gelegd aan de dringende reden. ACE benoemt wel dat [verzoeker] tijdens het gesprek heeft gezegd twee blauwe vaten te hebben meegenomen, maar koppelt dit niet (expliciet en in elk geval niet duidelijk genoeg) aan de dringende reden.Zelfs als de kantonrechter wel zou aannemen dat het meenemen van de blauwe vaten aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, dan nog is dit onvoldoende voor het aannemen van een dringende reden. [verzoeker] is weliswaar op 30 november 2023 aangesproken en schriftelijk gewaarschuwd voor het meenemen van (afval)producten van ACE, maar in die waarschuwing staat echter ook dat ACE erkent dat haar beleid op dit gebied niet helder is en verduidelijking behoeft en dat zij dit organisatiebreed zal oppakken en verduidelijken. Tijdens de zitting is gebleken dat dit nog steeds niet is gebeurd en volgens [verzoeker] zijn er nog steeds veel werknemers die (afval)producten mee naar huis nemen. Desondanks had [verzoeker] beter moeten weten en had hij ook de blauwe vaten niet mee mogen nemen, gelet op de duidelijke waarschuwing die hij hier eerder voor heeft gekregen. Dat hij hiervoor toestemming zou hebben gehad van zijn leidinggevenden blijkt nergens uit en al zou dat zo zijn, dan nog had hij daar niet op mogen afgaan, gelet op het feit dat expliciet in de waarschuwing vermeld staat dat ook in dat geval het niet is toegestaan de producten van ACE mee te nemen. Maar dit rechtvaardigt niet het geven van een ontslag op staande voet. Het kan immers niet zo zijn dat ACE per werknemer verschillend omgaat met het meenemen van producten en [verzoeker] daarop afrekent met een ontslag op staande voet en andere werknemers daar kennelijk niet op worden aangesproken. ACE heeft niet kunnen aantonen dat zij een bestendig beleid volgt en dat ook handhaaft. Daar komt bij dat in de waarschuwing van 30 november 2023 aan [verzoeker] is meegedeeld dat bij het toch weer meenemen van producten van ACE, ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou volgen. Dat ACE nu meteen tot ontslag op staande voet is overgegaan, is dan ook een te zwaar middel en niet in lijn met wat zij hierover in de officiële waarschuwing heeft vermeld. ACE had gelet op de duidelijke waarschuwing aan [verzoeker] en de daarin vermelde consequentie dus ontbinding moeten vragen van de arbeidsovereenkomst. Evenmin is de kantonrechter gebleken dat ACE bij haar beslissing om tot ontslag op staande voet over te gaan rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , terwijl volgens ACE een schuldenproblematiek speelt bij [verzoeker] en [verzoeker] nog maar een paar jaar van zijn pensioengerechtigde leeftijd verwijderd is. 3.7 Er is dus geen dringende reden voor een ontslag op staande voet. Dit betekent dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, zodat de kantonrechter niet meer toekomt aan de beoordeling ten aanzien van de onverwijldheid van het gegeven ontslag. ACE moet de vergoeding wegens onregelmatige opzegging betalen 3.8 De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn (de periode van 14 april tot 1 juli 2025), te vermeerderen met vakantietoeslag. Dat komt dus neer op 2,5 maand salaris, een totaalbedrag van € 6.263,10 bruto. Dat is een hoger bedrag dan waar namens [verzoeker] om is verzocht, maar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2025 is het – net als bij de transitievergoeding – aan de kantonrechter om ambtshalve de vergoeding wegens onregelmatige opzetting te berekenen, omdat de wet nauwkeurige regels bevat voor de berekening van deze vergoeding. De vergoeding moet namelijk berekend worden door de hoogte van het loon te bepalen over de periode dat het dienstverband nog had voortgeduurd bij het in acht nemen van de geldende opzegtermijn. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 april 2025. ACE moet de transitievergoeding betalen 3.9 Het verzoek om ACE te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dit betekent dat ACE de transitievergoeding aan [verzoeker] moet betalen. Ook hier geldt dat de kantonrechter de transitievergoeding ambtshalve, conform het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW, moet berekenen. [verzoeker] is bij zijn berekening van de hoogte van de transitievergoeding uitgegaan van een indiensttredingsdatum van 1 februari 2019 en tijdens de zitting is gebleken dat dit niet juist is. [verzoeker] is namelijk per 1 februari 2020 in dienst getreden bij ACE in zijn huidige functie, terwijl hij dat jaar daarvoor via een uitzendbureau heeft gewerkt als [.] bij de bouw van het pand van ACE. Dit telt niet mee voor de duur van het dienstverband. De transitievergoeding heeft de kantonrechter daarom berekend over de periode van 1 februari 2020 tot 14 april 2025 en is daarbij uitgegaan van het door ACE genoemde bruto maandloon van € 2.319,67 vermeerderd met 8% vakantietoeslag (€ 2.505,24). ACE wordt veroordeeld tot betaling van die vergoeding, die € 4.346,61 bruto bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 14 mei 2025. ACE moet ook een billijke vergoeding betalen 3.10 Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Een ongeldig ontslag moet als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever worden aangemerkt. 3.11 Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de opzegging kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 3.12 Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kijkt de kantonrechter naar de verwachting van de duur van het dienstverband, als ACE niet tot ontslag op staande voet zou zijn overgegaan. [verzoeker] neemt daarbij als uitgangpunt dat hij nog tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou zijn gebleven. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter geen reëel uitgangspunt. De kantonrechter gaat er vanuit dat het dienstverband met [verzoeker] niet meer zo lang zou hebben geduurd. De kantonrechter kan zich namelijk voorstellen dat het wederom meenemen van deze vaten ervoor heeft gezorgd dat ACE het vertrouwen in [verzoeker] volledig is verloren.
Volledig
[verzoeker] erkent namelijk ook wel dat hij wist dat hij dit niet mocht doen, maar dat hij dit toch deed, omdat andere werknemers ook afvalproducten mee zouden nemen en hij het er niet mee eens was dat hij dit niet zou mogen doen. Ook als het juist zou zijn dat andere werknemers producten meenemen van ACE, dan nog is het niet aan [verzoeker] om te bepalen dat hij dit ook mag doen. [verzoeker] was immers heel duidelijk en expliciet gewaarschuwd door ACE over het meenemen van producten en de consequenties bij herhaling daarvan. Het had in elk geval op de weg van [verzoeker] gelegen bij zijn leidinggevende of HR kenbaar te maken dat andere werknemers ook producten meenemen en dat een duidelijk beleid ontbreekt, in plaats van te besluiten ondanks de eerder waarschuwing, toch weer een paar vaten mee te nemen. Dat dit ervoor heeft gezorgd dat ACE het vertrouwen in [verzoeker] kwijt is, is daarom goed voorstelbaar. Zoals ACE ook in de waarschuwing van november 2023 heeft vermeld, zou bij herhaling van het meenemen van producten van ACE ontbinding van de arbeidsovereenkomst volgen. Als ACE in april/mei 2025 een ontbindingsverzoek zou hebben ingediend, dan zou de kans groot zijn dat die ontbinding zou zijn toegewezen. Rekening houdend met de proceduretijd en de opzegtermijn zou de arbeidsovereenkomst dan naar waarschijnlijkheid per 1 november 2025 hebben kunnen eindigen. Omdat [verzoeker] over de periode van april tot 1 juli 2025 een gefixeerde schadevergoeding ontvangt, zal de kantonrechter de billijke vergoeding berekenen met als uitgangspunt het loon dat [verzoeker] nog over de maanden juli tot en met oktober 2025 zou hebben ontvangen. Dat komt neer op 4 maandsalarissen (inclusief vakantietoeslag) van € 2.505,24, dat is een totaalbedrag van € 10.020,97 bruto. De betaling van overuren wijst de kantonrechter af 3.13 [verzoeker] heeft ook betaling van een bedrag van € 4.872,00 bruto aan overuren verzocht, maar hij heeft die vordering niet onderbouwd. [verzoeker] zegt dat hij geen toegang meer had tot het registratiesysteem, zodat hij zijn vordering niet kon onderbouwen. ACE betwist dat en zegt dat [verzoeker] nog wel toegang heeft tot het personeelsregistratiesysteem en dat daaruit niet blijkt van een overschot van meer dan 300 uren. ACE heeft bij de eindafrekening van het dienstverband een restant verlofsaldo van 84,65 uren aan [verzoeker] betaald en daarmee zijn volgens ACE alle uren betaald. ACE heeft toegelicht dat [verzoeker] een verlofstuwmeer had opgebouwd, waardoor hij sinds een aantal maanden minder dagen werkte om dat verlof op te nemen. ACE heeft er ook op gewezen dat [verzoeker] in de periode december 2024 en januari 2025 een paar weken niet heeft gewerkt, omdat hij niet naar het werk kon komen vanwege een defect aan zijn auto. Die uren zijn ook op het verlof in mindering gebracht. [verzoeker] heeft erkend dat dit juist is. [verzoeker] heeft verder niets naar voren gebracht ter onderbouwing van zijn vordering. De betaling van overuren zal daarom worden afgewezen. De kantonrechter ziet daarom evenmin een grondslag om het verzoek van [verzoeker] om ACE te verplichten hem toegang te geven tot de online omgeving op straffe van een dwangsom toe te wijzen. Wel zal de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] om hem alle loonstroken over 2024 en 2025 te verstrekken toewijzen. Voor een dwangsom daarop, ziet de kantonrechter geen aanleiding, omdat zij er vanuit gaat dat ACE vrijwillig over zal gaan tot het verstrekken van de loonstroken. Het loon over april 2025 is betaald 3.14 Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van loon over april 2025 zal worden afgewezen, omdat tijdens de zitting is gebleken dat dit loon (tot 14 april 2025) bij de eindafrekening in juni 2025 inmiddels is betaald. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen 3.15 [verzoeker] verzoekt ook betaling van een bedrag van € 951,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, maar heeft dit verzoek helemaal niet onderbouwd. Omdat gesteld noch gebleken is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zal dit verzoek worden afgewezen. ACE moet de proceskosten betalen 3.16 De proceskosten komen voor rekening van ACE, omdat ACE (grotendeels) ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.039,00, bestaande uit € 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 6.263,10 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling, 4.2 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 4.346,61 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling, 4.3 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 10.020,97 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling, 4.4 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] alle loonstroken over 2024 en 2025 te verstrekken, binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, 4.5 veroordeelt ACE in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 4.6 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 4.7 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025. Artikel 7:672 lid 11 BW. Hoge Raad, 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365. Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW. Kamerstukken I , 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 ( New Hairstyle ). Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Volledig
[verzoeker] erkent namelijk ook wel dat hij wist dat hij dit niet mocht doen, maar dat hij dit toch deed, omdat andere werknemers ook afvalproducten mee zouden nemen en hij het er niet mee eens was dat hij dit niet zou mogen doen. Ook als het juist zou zijn dat andere werknemers producten meenemen van ACE, dan nog is het niet aan [verzoeker] om te bepalen dat hij dit ook mag doen. [verzoeker] was immers heel duidelijk en expliciet gewaarschuwd door ACE over het meenemen van producten en de consequenties bij herhaling daarvan. Het had in elk geval op de weg van [verzoeker] gelegen bij zijn leidinggevende of HR kenbaar te maken dat andere werknemers ook producten meenemen en dat een duidelijk beleid ontbreekt, in plaats van te besluiten ondanks de eerder waarschuwing, toch weer een paar vaten mee te nemen. Dat dit ervoor heeft gezorgd dat ACE het vertrouwen in [verzoeker] kwijt is, is daarom goed voorstelbaar. Zoals ACE ook in de waarschuwing van november 2023 heeft vermeld, zou bij herhaling van het meenemen van producten van ACE ontbinding van de arbeidsovereenkomst volgen. Als ACE in april/mei 2025 een ontbindingsverzoek zou hebben ingediend, dan zou de kans groot zijn dat die ontbinding zou zijn toegewezen. Rekening houdend met de proceduretijd en de opzegtermijn zou de arbeidsovereenkomst dan naar waarschijnlijkheid per 1 november 2025 hebben kunnen eindigen. Omdat [verzoeker] over de periode van april tot 1 juli 2025 een gefixeerde schadevergoeding ontvangt, zal de kantonrechter de billijke vergoeding berekenen met als uitgangspunt het loon dat [verzoeker] nog over de maanden juli tot en met oktober 2025 zou hebben ontvangen. Dat komt neer op 4 maandsalarissen (inclusief vakantietoeslag) van € 2.505,24, dat is een totaalbedrag van € 10.020,97 bruto. De betaling van overuren wijst de kantonrechter af 3.13 [verzoeker] heeft ook betaling van een bedrag van € 4.872,00 bruto aan overuren verzocht, maar hij heeft die vordering niet onderbouwd. [verzoeker] zegt dat hij geen toegang meer had tot het registratiesysteem, zodat hij zijn vordering niet kon onderbouwen. ACE betwist dat en zegt dat [verzoeker] nog wel toegang heeft tot het personeelsregistratiesysteem en dat daaruit niet blijkt van een overschot van meer dan 300 uren. ACE heeft bij de eindafrekening van het dienstverband een restant verlofsaldo van 84,65 uren aan [verzoeker] betaald en daarmee zijn volgens ACE alle uren betaald. ACE heeft toegelicht dat [verzoeker] een verlofstuwmeer had opgebouwd, waardoor hij sinds een aantal maanden minder dagen werkte om dat verlof op te nemen. ACE heeft er ook op gewezen dat [verzoeker] in de periode december 2024 en januari 2025 een paar weken niet heeft gewerkt, omdat hij niet naar het werk kon komen vanwege een defect aan zijn auto. Die uren zijn ook op het verlof in mindering gebracht. [verzoeker] heeft erkend dat dit juist is. [verzoeker] heeft verder niets naar voren gebracht ter onderbouwing van zijn vordering. De betaling van overuren zal daarom worden afgewezen. De kantonrechter ziet daarom evenmin een grondslag om het verzoek van [verzoeker] om ACE te verplichten hem toegang te geven tot de online omgeving op straffe van een dwangsom toe te wijzen. Wel zal de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] om hem alle loonstroken over 2024 en 2025 te verstrekken toewijzen. Voor een dwangsom daarop, ziet de kantonrechter geen aanleiding, omdat zij er vanuit gaat dat ACE vrijwillig over zal gaan tot het verstrekken van de loonstroken. Het loon over april 2025 is betaald 3.14 Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van loon over april 2025 zal worden afgewezen, omdat tijdens de zitting is gebleken dat dit loon (tot 14 april 2025) bij de eindafrekening in juni 2025 inmiddels is betaald. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen 3.15 [verzoeker] verzoekt ook betaling van een bedrag van € 951,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, maar heeft dit verzoek helemaal niet onderbouwd. Omdat gesteld noch gebleken is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zal dit verzoek worden afgewezen. ACE moet de proceskosten betalen 3.16 De proceskosten komen voor rekening van ACE, omdat ACE (grotendeels) ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.039,00, bestaande uit € 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 6.263,10 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling, 4.2 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 4.346,61 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling, 4.3 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 10.020,97 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling, 4.4 veroordeelt ACE om aan [verzoeker] alle loonstroken over 2024 en 2025 te verstrekken, binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, 4.5 veroordeelt ACE in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 4.6 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 4.7 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025. Artikel 7:672 lid 11 BW. Hoge Raad, 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365. Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW. Kamerstukken I , 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 ( New Hairstyle ). Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.