Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:7602
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,048 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7602 text/xml public 2026-03-06T09:22:37 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-17 UTR 24/8190 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7602 text/html public 2026-03-06T09:22:02 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7602 Rechtbank Midden-Nederland , 17-11-2025 / UTR 24/8190 Eiser heeft niet langer recht op het levenlanglerenkrediet. Hij heeft de maximale duur hiervan namelijk al verbruikt. Het besluit is ook niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is daarom ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/8190 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, de minister (gemachtigde: mr. N. Fazli). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een levenlanglerenkrediet. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet langer recht heeft op het levenlanglerenkrediet. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verlenging van zijn levenlanglerenkrediet. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de zitting zijn beroepsgrond ten aanzien van de hardheidsclausule heeft ingetrokken. Het geschil is beperkt tot de gronden die hierna worden besproken. Zorgvuldigheidsbeginsel 4. Eiser voert aan – samengevat - dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser heeft niet de kans gekregen om aanvullende stukken in te dienen om zijn persoonlijke omstandigheden en medische situatie te onderbouwen. Die kans had hij wel moeten krijgen, omdat juist op grond van die stukken een uitzondering op de hoofdregel had kunnen worden gemaakt. Nu dat niet is gebeurd, heeft de minister onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn persoonlijke situatie en dus onzorgvuldig gehandeld. 5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft voorafgaand aan het nemen van het besluit eiser in de gelegenheid gesteld alle relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een aanvraagsituatie. Dat betekent dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om zijn aanvraag te onderbouwen en de benodigde stukken aan te leveren. Eiser heeft bij zijn aanvraag noch hangende bezwaar zijn specifieke situatie kenbaar gemaakt. Evenmin heeft hij de minister laten weten dat hij nog niet over alle stukken kon beschikken. Dit lag wel op zijn weg. Ook heeft eiser niet om een nadere termijn voor het alsnog indienen van de stukken gevraagd, terwijl ook dat op zijn weg had gelegen. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister daarom niet – voorafgaand aan het nemen van zijn besluiten - op nadere stukken dan wel een nadere toelichting hoeven wachten. Dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond faalt. Voorwaarden levenlanglerenkrediet 6. Eiser voert aan dat zijn aanvraag voor het levenlanglerenkrediet ten onrechte is afgewezen. Hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor het verstrekken hiervan. De minimumleeftijd voor de regeling is 30 jaar en de maximumleeftijd is 57 jaar. Eiser was ten tijde van het bestreden besluit 39 jaar. Daarnaast is eiser student aan de Universiteit Leiden en komt hij niet in aanmerking voor studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Dat hij in het verleden ook al aanspraak heeft gemaakt op het krediet, maakt niet dat hij dat nu niet alsnog zou kunnen doen. 7. Op grond van artikel 3.16b, eerste lid, Wsf 2000 is het levenlanglerenkrediet een lening die aan een student op aanvraag wordt toegekend. Op grond van het tweede lid, wordt het levenlanglerenkrediet slechts verstrekt: a. indien de student niet in aanmerking komt voor studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid,; b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de ho-student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die ho-student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, WHW of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, WHW met goed gevolg heeft afgesloten; en c. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed. Op grond van artikel 3.16c, eerste lid, Wsf 2000 kan het levenlanglerenkrediet worden verstrekt gedurende vier jaar. In het tweede lid van dit artikel staat dat deze periode kan worden verlengd indien de student in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. 7.1. De rechtbank stelt vast dat eiser – zoals hij ook stelt - voldoet aan de voorwaarden neergelegd in artikel 3.16b Wsf 2000. Dat leidt er echter niet toe dat hij reeds daarom aanspraak kan maken op het levenlanglerenkrediet. Van belang is dat aan eiser - zo wordt ook niet betwist - al gedurende vier jaar het levenlanglerenkrediet is verstrekt. De maximale duur waarop aanspraak kan worden gemaakt op dit krediet, zo volgt uit artikel 3.16c, eerste lid, van de Wsf, is vier jaar. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wsf is ook af te leiden dat bewust een maximale duur is verbonden aan het levenlanglerenkrediet. Nu niet in geschil is dat het tweede lid van artikel 3.16c Wsf 2000 niet aan de orde is en eiser gedurende vier jaar aanspraak heeft gemaakt op het levenlanglerenkrediet, heeft de minister terecht de afwijzingsgrond van artikel 3.16c, eerste lid, Wsf 2000 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Deze beroepsgrond faalt ook. Evenredigheidsbeginsel 8. Eiser doet ten slotte nog een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Tot op heden is het eiser nog niet gelukt om zijn studie af te maken. Door psychische problemen is eiser zowel in zijn rechtenstudie als zijn dagelijkse leven vastgelopen. Als het gevraagde levenlanglerenkrediet niet wordt verstrekt, dan kan eiser het collegegeld niet betalen en kan hij zijn studie niet afmaken. De minister heeft zijn belangen niet meegewogen in de besluitvorming. Als de persoonlijke en medische omstandigheden van eiser waren meegewogen was de minister niet tot dit voor hem onevenredige en nadelige besluit gekomen. 9. De Wsf 2000 is een wet in formele zin. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit verder mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7602 text/xml public 2026-03-06T09:22:37 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-11-17 UTR 24/8190 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7602 text/html public 2026-03-06T09:22:02 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:7602 Rechtbank Midden-Nederland , 17-11-2025 / UTR 24/8190 Eiser heeft niet langer recht op het levenlanglerenkrediet. Hij heeft de maximale duur hiervan namelijk al verbruikt. Het besluit is ook niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is daarom ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/8190 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, de minister (gemachtigde: mr. N. Fazli). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een levenlanglerenkrediet. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet langer recht heeft op het levenlanglerenkrediet. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verlenging van zijn levenlanglerenkrediet. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de zitting zijn beroepsgrond ten aanzien van de hardheidsclausule heeft ingetrokken. Het geschil is beperkt tot de gronden die hierna worden besproken. Zorgvuldigheidsbeginsel 4. Eiser voert aan – samengevat - dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser heeft niet de kans gekregen om aanvullende stukken in te dienen om zijn persoonlijke omstandigheden en medische situatie te onderbouwen. Die kans had hij wel moeten krijgen, omdat juist op grond van die stukken een uitzondering op de hoofdregel had kunnen worden gemaakt. Nu dat niet is gebeurd, heeft de minister onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn persoonlijke situatie en dus onzorgvuldig gehandeld. 5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft voorafgaand aan het nemen van het besluit eiser in de gelegenheid gesteld alle relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een aanvraagsituatie. Dat betekent dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om zijn aanvraag te onderbouwen en de benodigde stukken aan te leveren. Eiser heeft bij zijn aanvraag noch hangende bezwaar zijn specifieke situatie kenbaar gemaakt. Evenmin heeft hij de minister laten weten dat hij nog niet over alle stukken kon beschikken. Dit lag wel op zijn weg. Ook heeft eiser niet om een nadere termijn voor het alsnog indienen van de stukken gevraagd, terwijl ook dat op zijn weg had gelegen. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister daarom niet – voorafgaand aan het nemen van zijn besluiten - op nadere stukken dan wel een nadere toelichting hoeven wachten. Dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond faalt. Voorwaarden levenlanglerenkrediet 6. Eiser voert aan dat zijn aanvraag voor het levenlanglerenkrediet ten onrechte is afgewezen. Hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor het verstrekken hiervan. De minimumleeftijd voor de regeling is 30 jaar en de maximumleeftijd is 57 jaar. Eiser was ten tijde van het bestreden besluit 39 jaar. Daarnaast is eiser student aan de Universiteit Leiden en komt hij niet in aanmerking voor studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Dat hij in het verleden ook al aanspraak heeft gemaakt op het krediet, maakt niet dat hij dat nu niet alsnog zou kunnen doen. 7. Op grond van artikel 3.16b, eerste lid, Wsf 2000 is het levenlanglerenkrediet een lening die aan een student op aanvraag wordt toegekend. Op grond van het tweede lid, wordt het levenlanglerenkrediet slechts verstrekt:a. indien de student niet in aanmerking komt voor studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid,;b. in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de ho-student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die ho-student een hbo-bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, WHW of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, WHW met goed gevolg heeft afgesloten; enc. voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed.Op grond van artikel 3.16c, eerste lid, Wsf 2000 kan het levenlanglerenkrediet worden verstrekt gedurende vier jaar. In het tweede lid van dit artikel staat dat deze periode kan worden verlengd indien de student in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. 7.1. De rechtbank stelt vast dat eiser – zoals hij ook stelt - voldoet aan de voorwaarden neergelegd in artikel 3.16b Wsf 2000. Dat leidt er echter niet toe dat hij reeds daarom aanspraak kan maken op het levenlanglerenkrediet. Van belang is dat aan eiser - zo wordt ook niet betwist - al gedurende vier jaar het levenlanglerenkrediet is verstrekt. De maximale duur waarop aanspraak kan worden gemaakt op dit krediet, zo volgt uit artikel 3.16c, eerste lid, van de Wsf, is vier jaar. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wsf is ook af te leiden dat bewust een maximale duur is verbonden aan het levenlanglerenkrediet. Nu niet in geschil is dat het tweede lid van artikel 3.16c Wsf 2000 niet aan de orde is en eiser gedurende vier jaar aanspraak heeft gemaakt op het levenlanglerenkrediet, heeft de minister terecht de afwijzingsgrond van artikel 3.16c, eerste lid, Wsf 2000 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Deze beroepsgrond faalt ook. Evenredigheidsbeginsel 8. Eiser doet ten slotte nog een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Tot op heden is het eiser nog niet gelukt om zijn studie af te maken. Door psychische problemen is eiser zowel in zijn rechtenstudie als zijn dagelijkse leven vastgelopen. Als het gevraagde levenlanglerenkrediet niet wordt verstrekt, dan kan eiser het collegegeld niet betalen en kan hij zijn studie niet afmaken. De minister heeft zijn belangen niet meegewogen in de besluitvorming. Als de persoonlijke en medische omstandigheden van eiser waren meegewogen was de minister niet tot dit voor hem onevenredige en nadelige besluit gekomen. 9. De Wsf 2000 is een wet in formele zin. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit verder mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt.