Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-07
ECLI:NL:RBMNE:2025:6591
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,658 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4244
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het college heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Het college heeft in een e-mailbericht van 17 juli 2025 aan verzoekster laten weten dat zij, haar nichtje en hun twee kinderen niet worden toegelaten tot de gemeentelijke opvang voor Oekraïense ontheemden in de gemeente Soest. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Op 18 juli 2025 heeft het college in een e-mailbericht meegedeeld dat hij bereid is om verzoekster en haar familie toch tijdelijk op te vangen, waarna zij vervolgens opvang kunnen krijgen in de gemeente Veenendaal. Hiermee heeft het college gedaan wat verzoekster wilde en heeft zij haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
4. Het college heeft niet gereageerd op dit verzoek van verzoekster. De voorzieningenrechter leidt hier uit af dat het college er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
5. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoekster die het college moet betalen vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van 907,- en een wegingsfactor 1).
6. Het college moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb).
Dictum
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten. Het college moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
- bepaalt dat het college het griffierecht dat verzoekster heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4244
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het college heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Het college heeft in een e-mailbericht van 17 juli 2025 aan verzoekster laten weten dat zij, haar nichtje en hun twee kinderen niet worden toegelaten tot de gemeentelijke opvang voor Oekraïense ontheemden in de gemeente Soest. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Op 18 juli 2025 heeft het college in een e-mailbericht meegedeeld dat hij bereid is om verzoekster en haar familie toch tijdelijk op te vangen, waarna zij vervolgens opvang kunnen krijgen in de gemeente Veenendaal. Hiermee heeft het college gedaan wat verzoekster wilde en heeft zij haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
4. Het college heeft niet gereageerd op dit verzoek van verzoekster. De voorzieningenrechter leidt hier uit af dat het college er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
5. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoekster die het college moet betalen vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van 907,- en een wegingsfactor 1).
6. Het college moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb).
Dictum
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten. Het college moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
- bepaalt dat het college het griffierecht dat verzoekster heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4244
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het college heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Het college heeft in een e-mailbericht van 17 juli 2025 aan verzoekster laten weten dat zij, haar nichtje en hun twee kinderen niet worden toegelaten tot de gemeentelijke opvang voor Oekraïense ontheemden in de gemeente Soest. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Op 18 juli 2025 heeft het college in een e-mailbericht meegedeeld dat hij bereid is om verzoekster en haar familie toch tijdelijk op te vangen, waarna zij vervolgens opvang kunnen krijgen in de gemeente Veenendaal. Hiermee heeft het college gedaan wat verzoekster wilde en heeft zij haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
4. Het college heeft niet gereageerd op dit verzoek van verzoekster. De voorzieningenrechter leidt hier uit af dat het college er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
5. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten van verzoekster die het college moet betalen vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van 907,- en een wegingsfactor 1).
6. Het college moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb).
Dictum
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten. Het college moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
- bepaalt dat het college het griffierecht dat verzoekster heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.