Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-27
ECLI:NL:RBMNE:2025:6205
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Proces-verbaal
3,034 tokens
Dictum
inzake
[betrokkene] uit [plaats] , hierna te noemen: de betrokkene
gemachtigde: N.G.A. Voorbach.
Inleiding
Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd van € 350,00. De boete is opgelegd kort gezegd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 7 oktober 2022 in Almere.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 27 oktober 2025. Namens de betrokkene was de vervanger van de gemachtigde aanwezig. Namens de officier van justitie was een zittingsvertegenwoordiger aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene heeft pro-forma beroep ingesteld, zonder inhoudelijke gronden.
2. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het beroepschrift de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan dit vereiste, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om dit verzuim te herstellen.
3. De kantonrechter heeft de gemachtigde op de zitting de gelegenheid gegeven om beroepsgronden naar voren te brengen. Als zij van die gelegenheid gebruik zou willen maken, zou de kantonrechter vervolgens met partijen hebben besproken of de zaak op deze zitting verder kon worden behandeld, of dat een aanvullende termijn nodig was.
4. De gemachtigde heeft op de zitting alleen aangevoerd dat in deze zaak niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan. Daarnaar gevraagd, heeft zij bevestigd dat zij geen beroepsgronden zal aanvoeren over de boete of over de beslissing van de officier van justitie.
5. In artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en in artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn opgenomen. Het inroepen van dat recht heeft betrekking op de procedure bij de rechter en kan leiden tot een matiging van een opgelegde administratieve sanctie, als die procedure te lang heeft geduurd. Het inroepen van dit recht heeft echter geen direct verband met de administratieve sanctie als zodanig of met de beslissing van de officier van justitie op een administratief beroep tegen zo’n sanctie. Daarom is geen sprake van een beroepsgrond in de zin van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.
6. De kantonrechter wijkt hiermee af van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juli 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4889), waarin het wijzen op de redelijke termijn van berechting wel als beroepsgrond is aangemerkt. De kantonrechter overweegt dat de manier waarop de rechter compensatie biedt vanwege een schending van het recht op een eerlijk proces ‘rechtersrecht’ betreft, omdat de wetgever daarvoor tot nu toe zelf geen regeling heeft getroffen. Het gerechtshof miskent in dit arrest dat de rechter daarbij is gebonden aan de beperkingen van het wettelijke procesrecht, dat in dit geval mede gevormd wordt door artikel 6:5 van de Awb. Het strekt te ver om die bepaling zodanig op te rekken dat een procedure bij de kantonrechter enkel en alleen kan bestaan uit het willen bereiken van compensatie vanwege de duur van diezelfde procedure. Het verkrijgen van compensatie vanwege de duur van de procedure is bij de kantonrechter pas mogelijk als is voldaan aan de ontvankelijkheidsvereisten. Een inhoudelijke beroepsgrond in de zin van de Awb blijft noodzakelijk.
7. De kantonrechter zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren, omdat het beroepschrift geen beroepsgronden bevat, dit verzuim niet is hersteld en de betrokkene ook niet de wens heeft om dit verzuim te herstellen.
8. De kantonrechter stelt met de gemachtigde vast dat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. Omdat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling van de sanctie, kan geen matiging plaatsvinden en volstaat hij met deze vaststelling. Het is ook niet mogelijk om in deze procedure een schadevergoeding toe te kennen vanwege de spanning en frustratie die de betrokkene door de duur ervan heeft geleden. De bepalingen over door de bestuursrechter toe te kennen schadevergoeding uit titel 8.4 van de Awb zijn namelijk niet van toepassing. De betrokkene kan voor een schadevergoeding een procedure bij de civiele rechter starten, waarmee een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voorhanden is.
9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
V.O. de Wilde mr. K. de Meulder
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Lelystad, o.v.v. Mulderzaken, postbus 2035, 8203 AA Lelystad.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
Dictum
inzake
[betrokkene] uit [plaats] , hierna te noemen: de betrokkene
gemachtigde: N.G.A. Voorbach.
Inleiding
Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd van € 350,00. De boete is opgelegd kort gezegd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 7 oktober 2022 in Almere.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 27 oktober 2025. Namens de betrokkene was de vervanger van de gemachtigde aanwezig. Namens de officier van justitie was een zittingsvertegenwoordiger aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene heeft pro-forma beroep ingesteld, zonder inhoudelijke gronden.
2. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het beroepschrift de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan dit vereiste, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om dit verzuim te herstellen.
3. De kantonrechter heeft de gemachtigde op de zitting de gelegenheid gegeven om beroepsgronden naar voren te brengen. Als zij van die gelegenheid gebruik zou willen maken, zou de kantonrechter vervolgens met partijen hebben besproken of de zaak op deze zitting verder kon worden behandeld, of dat een aanvullende termijn nodig was.
4. De gemachtigde heeft op de zitting alleen aangevoerd dat in deze zaak niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan. Daarnaar gevraagd, heeft zij bevestigd dat zij geen beroepsgronden zal aanvoeren over de boete of over de beslissing van de officier van justitie.
5. In artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en in artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn opgenomen. Het inroepen van dat recht heeft betrekking op de procedure bij de rechter en kan leiden tot een matiging van een opgelegde administratieve sanctie, als die procedure te lang heeft geduurd. Het inroepen van dit recht heeft echter geen direct verband met de administratieve sanctie als zodanig of met de beslissing van de officier van justitie op een administratief beroep tegen zo’n sanctie. Daarom is geen sprake van een beroepsgrond in de zin van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.
6. De kantonrechter wijkt hiermee af van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juli 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4889), waarin het wijzen op de redelijke termijn van berechting wel als beroepsgrond is aangemerkt. De kantonrechter overweegt dat de manier waarop de rechter compensatie biedt vanwege een schending van het recht op een eerlijk proces ‘rechtersrecht’ betreft, omdat de wetgever daarvoor tot nu toe zelf geen regeling heeft getroffen. Het gerechtshof miskent in dit arrest dat de rechter daarbij is gebonden aan de beperkingen van het wettelijke procesrecht, dat in dit geval mede gevormd wordt door artikel 6:5 van de Awb. Het strekt te ver om die bepaling zodanig op te rekken dat een procedure bij de kantonrechter enkel en alleen kan bestaan uit het willen bereiken van compensatie vanwege de duur van diezelfde procedure. Het verkrijgen van compensatie vanwege de duur van de procedure is bij de kantonrechter pas mogelijk als is voldaan aan de ontvankelijkheidsvereisten. Een inhoudelijke beroepsgrond in de zin van de Awb blijft noodzakelijk.
7. De kantonrechter zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren, omdat het beroepschrift geen beroepsgronden bevat, dit verzuim niet is hersteld en de betrokkene ook niet de wens heeft om dit verzuim te herstellen.
8. De kantonrechter stelt met de gemachtigde vast dat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. Omdat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling van de sanctie, kan geen matiging plaatsvinden en volstaat hij met deze vaststelling. Het is ook niet mogelijk om in deze procedure een schadevergoeding toe te kennen vanwege de spanning en frustratie die de betrokkene door de duur ervan heeft geleden. De bepalingen over door de bestuursrechter toe te kennen schadevergoeding uit titel 8.4 van de Awb zijn namelijk niet van toepassing. De betrokkene kan voor een schadevergoeding een procedure bij de civiele rechter starten, waarmee een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voorhanden is.
9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
V.O. de Wilde mr. K. de Meulder
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Lelystad, o.v.v. Mulderzaken, postbus 2035, 8203 AA Lelystad.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.