Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:6088
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,170 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5393
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving, OFL
(gemachtigde: J. de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Op 9 juli 2025 heeft verzoeker bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Het BZK heeft op 15 juli het verzoek doorgestuurd naar het OFL. Het OFL heeft het verzoek met het besluit van 12 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2. Verzoeker heeft verzocht om de (inhoud van de) aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat.
3. Het OFL stelt dat er geen stukken binnen de reikwijdte van verzoekers verzoek vallen, omdat de aanbevelingen worden uitgewerkt in een adviesrapportage dat eind november overhandigd wordt aan het kabinet en de Tweede Kamer.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Dat betekent dat het bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het dan onmogelijk is om eventuele gevolgen van dat besluit te herstellen.
5. Verzoeker voert hierover aan dat hij de verzochte stukken nodig heeft omdat hij indirect wil mee besluiten wie er aan de formatietafel komen te zitten via de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025. Verzoeker wil zijn stem mede kunnen bepalen op de inhoud van de aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat. Uit oogpunt van bescherming van de belangenafweging van kiesgerechtigden is het volgens verzoeker noodzakelijk dat de aanbevelingen voor 29 oktober 2025 bekend worden. De uitkomst van de verkiezingen bepalen immers wie er aan de formatietafel komen en het stuk is kennelijk bedoeld voor de formatietafel. Verder voert verzoeker aan dat het besluit van het OFL geen stand kan houden.
6. Een verzoek om voorlopige voorziening waarin wordt gevraagd om openbaarmaking van stukken komt niet snel voor toewijzing in aanmerking, omdat een dergelijke voorziening een onomkeerbaar karakter heeft. Als stukken eenmaal openbaar zijn, zijn zij openbaar. Ook maakt een dergelijke voorziening een beslissing op het bodemgeding zinloos. Daarom is voor toewijzing van een dergelijk verzoek in beginsel alleen plaats als ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt.
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit. Openbaarmaking van stukken kan niet worden geweigerd om de enkele reden dat het om conceptversies van stukken gaat. Zonder nadere toelichting kan het OFL daarom niet stellen dat er geen documenten zijn aangetroffen die vallen binnen de reikwijdte van verzoekers verzoek. Of een eventueel gegrond bezwaar ook zou leiden tot openbaarmaking valt echter niet te zeggen, omdat OFL in bezwaar alsnog zou kunnen motiveren waarom conceptversies niet geopenbaard kunnen worden.
8. De voorzieningenrechter ziet daarnaast aan de kant van verzoeker geen spoedeisend belang dat zo zwaarwegend is dat de gevraagde voorziening om die reden moet worden toegewezen en de stukken (integraal en definitief) openbaar moeten worden gemaakt. Verzoeker heeft onvoldoende toegelicht waarom het voor het uitbrengen van zijn stem voor de verkiezing van de Tweede Kamer noodzakelijk is dat hij kennis kan nemen van de (concept)aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat. Daarnaast kan verzoeker zich ter voorbereiding op de verkiezingen op diverse andere manieren laten informeren. Het niet overleggen van de gevraagde (concept)stukken heeft ook geen onomkeerbare gevolgen.
Conclusie
9. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025.
griffier
Voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5393
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving, OFL
(gemachtigde: J. de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Op 9 juli 2025 heeft verzoeker bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Het BZK heeft op 15 juli het verzoek doorgestuurd naar het OFL. Het OFL heeft het verzoek met het besluit van 12 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2. Verzoeker heeft verzocht om de (inhoud van de) aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat.
3. Het OFL stelt dat er geen stukken binnen de reikwijdte van verzoekers verzoek vallen, omdat de aanbevelingen worden uitgewerkt in een adviesrapportage dat eind november overhandigd wordt aan het kabinet en de Tweede Kamer.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Dat betekent dat het bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het dan onmogelijk is om eventuele gevolgen van dat besluit te herstellen.
5. Verzoeker voert hierover aan dat hij de verzochte stukken nodig heeft omdat hij indirect wil mee besluiten wie er aan de formatietafel komen te zitten via de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025. Verzoeker wil zijn stem mede kunnen bepalen op de inhoud van de aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat. Uit oogpunt van bescherming van de belangenafweging van kiesgerechtigden is het volgens verzoeker noodzakelijk dat de aanbevelingen voor 29 oktober 2025 bekend worden. De uitkomst van de verkiezingen bepalen immers wie er aan de formatietafel komen en het stuk is kennelijk bedoeld voor de formatietafel. Verder voert verzoeker aan dat het besluit van het OFL geen stand kan houden.
6. Een verzoek om voorlopige voorziening waarin wordt gevraagd om openbaarmaking van stukken komt niet snel voor toewijzing in aanmerking, omdat een dergelijke voorziening een onomkeerbaar karakter heeft. Als stukken eenmaal openbaar zijn, zijn zij openbaar. Ook maakt een dergelijke voorziening een beslissing op het bodemgeding zinloos. Daarom is voor toewijzing van een dergelijk verzoek in beginsel alleen plaats als ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt.
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit. Openbaarmaking van stukken kan niet worden geweigerd om de enkele reden dat het om conceptversies van stukken gaat. Zonder nadere toelichting kan het OFL daarom niet stellen dat er geen documenten zijn aangetroffen die vallen binnen de reikwijdte van verzoekers verzoek. Of een eventueel gegrond bezwaar ook zou leiden tot openbaarmaking valt echter niet te zeggen, omdat OFL in bezwaar alsnog zou kunnen motiveren waarom conceptversies niet geopenbaard kunnen worden.
8. De voorzieningenrechter ziet daarnaast aan de kant van verzoeker geen spoedeisend belang dat zo zwaarwegend is dat de gevraagde voorziening om die reden moet worden toegewezen en de stukken (integraal en definitief) openbaar moeten worden gemaakt. Verzoeker heeft onvoldoende toegelicht waarom het voor het uitbrengen van zijn stem voor de verkiezing van de Tweede Kamer noodzakelijk is dat hij kennis kan nemen van de (concept)aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat. Daarnaast kan verzoeker zich ter voorbereiding op de verkiezingen op diverse andere manieren laten informeren. Het niet overleggen van de gevraagde (concept)stukken heeft ook geen onomkeerbare gevolgen.
Conclusie
9. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025.
griffier
Voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5393
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving, OFL
(gemachtigde: J. de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Op 9 juli 2025 heeft verzoeker bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Het BZK heeft op 15 juli het verzoek doorgestuurd naar het OFL. Het OFL heeft het verzoek met het besluit van 12 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2. Verzoeker heeft verzocht om de (inhoud van de) aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat.
3. Het OFL stelt dat er geen stukken binnen de reikwijdte van verzoekers verzoek vallen, omdat de aanbevelingen worden uitgewerkt in een adviesrapportage dat eind november overhandigd wordt aan het kabinet en de Tweede Kamer.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Dat betekent dat het bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het dan onmogelijk is om eventuele gevolgen van dat besluit te herstellen.
5. Verzoeker voert hierover aan dat hij de verzochte stukken nodig heeft omdat hij indirect wil mee besluiten wie er aan de formatietafel komen te zitten via de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025. Verzoeker wil zijn stem mede kunnen bepalen op de inhoud van de aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat. Uit oogpunt van bescherming van de belangenafweging van kiesgerechtigden is het volgens verzoeker noodzakelijk dat de aanbevelingen voor 29 oktober 2025 bekend worden. De uitkomst van de verkiezingen bepalen immers wie er aan de formatietafel komen en het stuk is kennelijk bedoeld voor de formatietafel. Verder voert verzoeker aan dat het besluit van het OFL geen stand kan houden.
6. Een verzoek om voorlopige voorziening waarin wordt gevraagd om openbaarmaking van stukken komt niet snel voor toewijzing in aanmerking, omdat een dergelijke voorziening een onomkeerbaar karakter heeft. Als stukken eenmaal openbaar zijn, zijn zij openbaar. Ook maakt een dergelijke voorziening een beslissing op het bodemgeding zinloos. Daarom is voor toewijzing van een dergelijk verzoek in beginsel alleen plaats als ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt.
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit. Openbaarmaking van stukken kan niet worden geweigerd om de enkele reden dat het om conceptversies van stukken gaat. Zonder nadere toelichting kan het OFL daarom niet stellen dat er geen documenten zijn aangetroffen die vallen binnen de reikwijdte van verzoekers verzoek. Of een eventueel gegrond bezwaar ook zou leiden tot openbaarmaking valt echter niet te zeggen, omdat OFL in bezwaar alsnog zou kunnen motiveren waarom conceptversies niet geopenbaard kunnen worden.
8. De voorzieningenrechter ziet daarnaast aan de kant van verzoeker geen spoedeisend belang dat zo zwaarwegend is dat de gevraagde voorziening om die reden moet worden toegewezen en de stukken (integraal en definitief) openbaar moeten worden gemaakt. Verzoeker heeft onvoldoende toegelicht waarom het voor het uitbrengen van zijn stem voor de verkiezing van de Tweede Kamer noodzakelijk is dat hij kennis kan nemen van de (concept)aanbevelingen van het Nationaal Burgerberaad Klimaat. Daarnaast kan verzoeker zich ter voorbereiding op de verkiezingen op diverse andere manieren laten informeren. Het niet overleggen van de gevraagde (concept)stukken heeft ook geen onomkeerbare gevolgen.
Conclusie
9. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025.
griffier
Voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.