Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-30
ECLI:NL:RBMNE:2025:5886
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,048 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3048
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. C. Karsdorp),
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: J.P. Stokkers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over vier bij afzonderlijke besluiten opgelegde boetes van in totaal € 76.400,- die aan [eiseres] B.V. (hierna: [eiseres] ) zijn opgelegd wegens overtredingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit. [eiseres] is het niet eens met de hoogte van deze boetes. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de hoogte van de opgelegde boetes evenredig is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boetes niet hoefden te worden gematigd. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op de bezwaren van [eiseres] tegen deze vier boetes is de minister bij de opgelegde boetes gebleven, maar is er wel aanleiding gezien om het totale boetebedrag met 12,5% te matigen tot € 66.937,50 omdat is komen vast te staan dat [eiseres] na de geconstateerde overtredingen inspanningen heeft verricht om vergelijkbare overtredingen in de toekomst te voorkomen.
2.1.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] namens [eiseres] en de gemachtigde van [eiseres] . De gemachtigde van de minister heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. Op 6 februari 2023 is door inspecteurs van Staatstoezicht op de Mijnen een (administratief) onderzoek gestart naar de naleving van de Arbeidsomstandigheden-wetgeving (Arbowet) door [eiseres] . Op 3 januari 2024 heeft de arbeidsinspecteur op ambtsbelofte een boeterapport opgesteld.
4. In het boeterapport is vermeld dat is geconstateerd dat medewerkers van [eiseres] bij het verwijderen van asbesthoudend materiaal verschillende overtredingen van het Arbobesluit hebben begaan. De overtredingen bestaan uit het eenmaal niet eerst de aard, mate en duur van de blootstelling beoordelen, teneinde de gevaren voor de medewerkers te bepalen en het viermaal onjuist toepassen van de Batteryspray-methode waardoor de mogelijkheid bestaat dat de concentratie van asbestvezels in de lucht hoger was dan toegestaan. In totaal is aan [eiseres] conform de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (de Beleidsregel) een boete opgelegd van € 76.400,-. De minister ziet geen aanleiding om de boete te matigen in verband met verminderde verwijtbaarheid. Omdat [eiseres] na de boeteoplegging inspanningen heeft verricht om overtredingen in de toekomst te voorkomen, heeft de minister in de beslissing op bezwaar wel aanleiding gezien om de boete met 12,5% te matigen tot € 66.937,50.
5. [eiseres] voert aan dat de totale boete onevenredig hoog is omdat er in een relatief korte periode meerdere dezelfde overtredingen (het niet goed opvolgen van de werkinstructie Batterspray) zijn geconstateerd zonder dat het bedrijf er op is gewezen dat zij ondanks haar inspanningen een overtreding beging. [eiseres] heeft verschillende medewerkers namelijk een cursus over de Batteryspray-methode laten volgen en in aanvulling daarop aanvullende gezichtsbescherming in de vorm van een filterbus-masker verplicht gesteld. [eiseres] heeft doordat zij niet eerder door inspecteurs erop is gewezen geen mogelijkheid gehad om de werkwijze in de tussentijd aan te passen. Pas een jaar na de laatste geconstateerde overtreding in februari 2023 heeft een controle plaatsgevonden.
6. [eiseres] voert verder aan dat de boete onevenredig is in verhouding tot de investeringen die zij heeft gedaan om de Batteryspray-methode te kunnen toepassen. Omdat het niet een van de kerntaken van het bedrijf is, heeft [eiseres] er bovendien zeer weinig inkomsten door gegenereerd. Op de zitting heeft [eiseres] desgevraagd bevestigd dat er met deze gronden een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel uit artikel 1, zeventiende lid, van de Beleidsregels.
7. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] niet heeft betwist dat de Batteryspray-methode voorschrijft dat de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door twee personen en dat bij de controlemomenten slechts één medewerker aanwezig was. Ook heeft [eiseres] niet betwist dat eenmaal van te voren niet is geïnventariseerd wat de aard, mate en duur van de blootstelling zou kunnen zijn. Dit leidt tot de vijf verweten overtredingen. Nu de overtredingen vast staan was de minister bevoegd om een bestuurlijke boete aan [eiseres] op te leggen.
8. De minister heeft de hoogte van de boetes bepaald volgens de Beleidsregel. [eiseres] heeft niet bestreden dat de boeteoplegging overeenkomstig de beleidsregel is. Tussen partijen is wel in geschil of de boete evenredig is. Het opleggen van een boete wegens overtreding van het Arbobesluit is een discretionaire bevoegdheid. Ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de minister de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de bestuurlijke boete aan deze eisen voldoet en leidt tot een evenredige sanctie.
9. In dat wat [eiseres] heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de hoogte van de boetes onevenredig is. De overtreden bepalingen uit het Arbobesluit zijn bedoeld om te onderzoeken of er sprake is van blootstelling aan asbest en zo ja, om een veilig werkwijze te hanteren bij het verwijderen ervan. Blootstelling aan asbest brengt ernstige gezondheidsrisico’s met zich mee, en op [eiseres] rust als werkgever een zorgplicht om dat soort risico’s voor haar werknemers te voorkomen. Die zorgplicht houdt onder andere in dat [eiseres] als werkgever moet weten wat de vereisten zijn voor het veilig toepassen van een methode die door haar werknemers wordt gebruikt bij het verwijderen van asbesthoudende materialen. Op de zitting is komen vast te staan dat de directeur van [eiseres] ervan uit is gegaan dat hij die benodigde informatie zou verkrijgen van de medewerkers die de cursus over de Batteryspray-methode hebben gevolgd. Dat die medewerkers kennelijk – zoals op zitting gesteld – hebben nagelaten om de directeur te infomeren over het feit dat de methode altijd met twee medewerkers moet worden uitgevoerd, komt voor rekening en risico van [eiseres] . Het is immers haar verantwoordelijkheid als werkgever om zich te vergewissen van de toepassingsvoorwaarden van de methode. Dat sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid, volgt de rechtbank daarom niet.
10. [eiseres] heeft verder gewezen op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat reden bestaat tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. Van een penibele financiële situatie is bij [eiseres] echter geen sprake. Dit volgt niet uit de overgelegde stukken en is desgevraagd ook op de zitting door de directeur van [eiseres] bevestigd. In de enkele omstandigheid dat de investering die [eiseres] heeft gedaan om de methode te kunnen toepassen hoog is in verhouding tot de opbrengsten ervan, ziet de rechtbank geen reden om de boete te matigen. Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom haar griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit is een overtreding van artikel 4.2, eerste lid, van het Arbobesluit.
Dit betreft een overtreding van artikel 4.45, eerste lid, van het Arbobesluit.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1421.
ECLI:NL:RVS:2015:686.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3048
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. C. Karsdorp),
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: J.P. Stokkers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over vier bij afzonderlijke besluiten opgelegde boetes van in totaal € 76.400,- die aan [eiseres] B.V. (hierna: [eiseres] ) zijn opgelegd wegens overtredingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit. [eiseres] is het niet eens met de hoogte van deze boetes. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de hoogte van de opgelegde boetes evenredig is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boetes niet hoefden te worden gematigd. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op de bezwaren van [eiseres] tegen deze vier boetes is de minister bij de opgelegde boetes gebleven, maar is er wel aanleiding gezien om het totale boetebedrag met 12,5% te matigen tot € 66.937,50 omdat is komen vast te staan dat [eiseres] na de geconstateerde overtredingen inspanningen heeft verricht om vergelijkbare overtredingen in de toekomst te voorkomen.
2.1.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] namens [eiseres] en de gemachtigde van [eiseres] . De gemachtigde van de minister heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. Op 6 februari 2023 is door inspecteurs van Staatstoezicht op de Mijnen een (administratief) onderzoek gestart naar de naleving van de Arbeidsomstandigheden-wetgeving (Arbowet) door [eiseres] . Op 3 januari 2024 heeft de arbeidsinspecteur op ambtsbelofte een boeterapport opgesteld.
4. In het boeterapport is vermeld dat is geconstateerd dat medewerkers van [eiseres] bij het verwijderen van asbesthoudend materiaal verschillende overtredingen van het Arbobesluit hebben begaan. De overtredingen bestaan uit het eenmaal niet eerst de aard, mate en duur van de blootstelling beoordelen, teneinde de gevaren voor de medewerkers te bepalen en het viermaal onjuist toepassen van de Batteryspray-methode waardoor de mogelijkheid bestaat dat de concentratie van asbestvezels in de lucht hoger was dan toegestaan. In totaal is aan [eiseres] conform de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (de Beleidsregel) een boete opgelegd van € 76.400,-. De minister ziet geen aanleiding om de boete te matigen in verband met verminderde verwijtbaarheid. Omdat [eiseres] na de boeteoplegging inspanningen heeft verricht om overtredingen in de toekomst te voorkomen, heeft de minister in de beslissing op bezwaar wel aanleiding gezien om de boete met 12,5% te matigen tot € 66.937,50.
5. [eiseres] voert aan dat de totale boete onevenredig hoog is omdat er in een relatief korte periode meerdere dezelfde overtredingen (het niet goed opvolgen van de werkinstructie Batterspray) zijn geconstateerd zonder dat het bedrijf er op is gewezen dat zij ondanks haar inspanningen een overtreding beging. [eiseres] heeft verschillende medewerkers namelijk een cursus over de Batteryspray-methode laten volgen en in aanvulling daarop aanvullende gezichtsbescherming in de vorm van een filterbus-masker verplicht gesteld. [eiseres] heeft doordat zij niet eerder door inspecteurs erop is gewezen geen mogelijkheid gehad om de werkwijze in de tussentijd aan te passen. Pas een jaar na de laatste geconstateerde overtreding in februari 2023 heeft een controle plaatsgevonden.
6. [eiseres] voert verder aan dat de boete onevenredig is in verhouding tot de investeringen die zij heeft gedaan om de Batteryspray-methode te kunnen toepassen. Omdat het niet een van de kerntaken van het bedrijf is, heeft [eiseres] er bovendien zeer weinig inkomsten door gegenereerd. Op de zitting heeft [eiseres] desgevraagd bevestigd dat er met deze gronden een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel uit artikel 1, zeventiende lid, van de Beleidsregels.
7. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] niet heeft betwist dat de Batteryspray-methode voorschrijft dat de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door twee personen en dat bij de controlemomenten slechts één medewerker aanwezig was. Ook heeft [eiseres] niet betwist dat eenmaal van te voren niet is geïnventariseerd wat de aard, mate en duur van de blootstelling zou kunnen zijn. Dit leidt tot de vijf verweten overtredingen. Nu de overtredingen vast staan was de minister bevoegd om een bestuurlijke boete aan [eiseres] op te leggen.
8. De minister heeft de hoogte van de boetes bepaald volgens de Beleidsregel. [eiseres] heeft niet bestreden dat de boeteoplegging overeenkomstig de beleidsregel is. Tussen partijen is wel in geschil of de boete evenredig is. Het opleggen van een boete wegens overtreding van het Arbobesluit is een discretionaire bevoegdheid. Ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de minister de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de bestuurlijke boete aan deze eisen voldoet en leidt tot een evenredige sanctie.
9. In dat wat [eiseres] heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de hoogte van de boetes onevenredig is. De overtreden bepalingen uit het Arbobesluit zijn bedoeld om te onderzoeken of er sprake is van blootstelling aan asbest en zo ja, om een veilig werkwijze te hanteren bij het verwijderen ervan. Blootstelling aan asbest brengt ernstige gezondheidsrisico’s met zich mee, en op [eiseres] rust als werkgever een zorgplicht om dat soort risico’s voor haar werknemers te voorkomen. Die zorgplicht houdt onder andere in dat [eiseres] als werkgever moet weten wat de vereisten zijn voor het veilig toepassen van een methode die door haar werknemers wordt gebruikt bij het verwijderen van asbesthoudende materialen. Op de zitting is komen vast te staan dat de directeur van [eiseres] ervan uit is gegaan dat hij die benodigde informatie zou verkrijgen van de medewerkers die de cursus over de Batteryspray-methode hebben gevolgd. Dat die medewerkers kennelijk – zoals op zitting gesteld – hebben nagelaten om de directeur te infomeren over het feit dat de methode altijd met twee medewerkers moet worden uitgevoerd, komt voor rekening en risico van [eiseres] . Het is immers haar verantwoordelijkheid als werkgever om zich te vergewissen van de toepassingsvoorwaarden van de methode. Dat sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid, volgt de rechtbank daarom niet.
10. [eiseres] heeft verder gewezen op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat reden bestaat tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. Van een penibele financiële situatie is bij [eiseres] echter geen sprake. Dit volgt niet uit de overgelegde stukken en is desgevraagd ook op de zitting door de directeur van [eiseres] bevestigd. In de enkele omstandigheid dat de investering die [eiseres] heeft gedaan om de methode te kunnen toepassen hoog is in verhouding tot de opbrengsten ervan, ziet de rechtbank geen reden om de boete te matigen. Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom haar griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit is een overtreding van artikel 4.2, eerste lid, van het Arbobesluit.
Dit betreft een overtreding van artikel 4.45, eerste lid, van het Arbobesluit.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1421.
ECLI:NL:RVS:2015:686.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2025:5886 text/xml public 2026-02-06T07:15:47 2025-11-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2025-10-30 UTR 25/3048 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl Jurisprudentie HSE 2025/168 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:5886 text/html public 2025-11-24T09:36:14 2025-11-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2025:5886 Rechtbank Midden-Nederland , 30-10-2025 / UTR 25/3048 Boetes Arbobesluit. Overtredingen zijn niet in geschil, alleen de hoogte van de boete. Matiging niet aan de orde want eiseres heeft een zorgplicht richting haar medewerkers en zij kan de verantwoordelijkheid van het vergaren van kennis over de asbestverwijdermethode daarom niet bij die medewerkers leggen. Dat er veel investeringen zijn gedaan maakt niet dat de boete gematigd moest worden. NIet is gebleken dat sprake is van een penibele financiele situatie. Ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3048 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C. Karsdorp), en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (gemachtigde: J.P. Stokkers). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over vier bij afzonderlijke besluiten opgelegde boetes van in totaal € 76.400,- die aan [eiseres] B.V. (hierna: [eiseres] ) zijn opgelegd wegens overtredingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit. [eiseres] is het niet eens met de hoogte van deze boetes. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de hoogte van de opgelegde boetes evenredig is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boetes niet hoefden te worden gematigd . [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op de bezwaren van [eiseres] tegen deze vier boetes is de minister bij de opgelegde boetes gebleven, maar is er wel aanleiding gezien om het totale boetebedrag met 12,5% te matigen tot € 66.937,50 omdat is komen vast te staan dat [eiseres] na de geconstateerde overtredingen inspanningen heeft verricht om vergelijkbare overtredingen in de toekomst te voorkomen. 2.1. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] namens [eiseres] en de gemachtigde van [eiseres] . De gemachtigde van de minister heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Op 6 februari 2023 is door inspecteurs van Staatstoezicht op de Mijnen een (administratief) onderzoek gestart naar de naleving van de Arbeidsomstandigheden-wetgeving (Arbowet) door [eiseres] . Op 3 januari 2024 heeft de arbeidsinspecteur op ambtsbelofte een boeterapport opgesteld. 4. In het boeterapport is vermeld dat is geconstateerd dat medewerkers van [eiseres] bij het verwijderen van asbesthoudend materiaal verschillende overtredingen van het Arbobesluit hebben begaan. De overtredingen bestaan uit het eenmaal niet eerst de aard, mate en duur van de blootstelling beoordelen, teneinde de gevaren voor de medewerkers te bepalen en het viermaal onjuist toepassen van de Batteryspray-methode waardoor de mogelijkheid bestaat dat de concentratie van asbestvezels in de lucht hoger was dan toegestaan. In totaal is aan [eiseres] conform de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (de Beleidsregel) een boete opgelegd van € 76.400,-. De minister ziet geen aanleiding om de boete te matigen in verband met verminderde verwijtbaarheid. Omdat [eiseres] na de boeteoplegging inspanningen heeft verricht om overtredingen in de toekomst te voorkomen, heeft de minister in de beslissing op bezwaar wel aanleiding gezien om de boete met 12,5% te matigen tot € 66.937,50. 5. [eiseres] voert aan dat de totale boete onevenredig hoog is omdat er in een relatief korte periode meerdere dezelfde overtredingen (het niet goed opvolgen van de werkinstructie Batterspray) zijn geconstateerd zonder dat het bedrijf er op is gewezen dat zij ondanks haar inspanningen een overtreding beging. [eiseres] heeft verschillende medewerkers namelijk een cursus over de Batteryspray-methode laten volgen en in aanvulling daarop aanvullende gezichtsbescherming in de vorm van een filterbus-masker verplicht gesteld. [eiseres] heeft doordat zij niet eerder door inspecteurs erop is gewezen geen mogelijkheid gehad om de werkwijze in de tussentijd aan te passen. Pas een jaar na de laatste geconstateerde overtreding in februari 2023 heeft een controle plaatsgevonden. 6. [eiseres] voert verder aan dat de boete onevenredig is in verhouding tot de investeringen die zij heeft gedaan om de Batteryspray-methode te kunnen toepassen. Omdat het niet een van de kerntaken van het bedrijf is, heeft [eiseres] er bovendien zeer weinig inkomsten door gegenereerd. Op de zitting heeft [eiseres] desgevraagd bevestigd dat er met deze gronden een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel uit artikel 1, zeventiende lid, van de Beleidsregels. 7. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] niet heeft betwist dat de Batteryspray-methode voorschrijft dat de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door twee personen en dat bij de controlemomenten slechts één medewerker aanwezig was. Ook heeft [eiseres] niet betwist dat eenmaal van te voren niet is geïnventariseerd wat de aard, mate en duur van de blootstelling zou kunnen zijn. Dit leidt tot de vijf verweten overtredingen. Nu de overtredingen vast staan was de minister bevoegd om een bestuurlijke boete aan [eiseres] op te leggen. 8. De minister heeft de hoogte van de boetes bepaald volgens de Beleidsregel. [eiseres] heeft niet bestreden dat de boeteoplegging overeenkomstig de beleidsregel is. Tussen partijen is wel in geschil of de boete evenredig is. Het opleggen van een boete wegens overtreding van het Arbobesluit is een discretionaire bevoegdheid. Ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de minister de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de bestuurlijke boete aan deze eisen voldoet en leidt tot een evenredige sanctie. 9. In dat wat [eiseres] heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de hoogte van de boetes onevenredig is. De overtreden bepalingen uit het Arbobesluit zijn bedoeld om te onderzoeken of er sprake is van blootstelling aan asbest en zo ja, om een veilig werkwijze te hanteren bij het verwijderen ervan. Blootstelling aan asbest brengt ernstige gezondheidsrisico’s met zich mee, en op [eiseres] rust als werkgever een zorgplicht om dat soort risico’s voor haar werknemers te voorkomen. Die zorgplicht houdt onder andere in dat [eiseres] als werkgever moet weten wat de vereisten zijn voor het veilig toepassen van een methode die door haar werknemers wordt gebruikt bij het verwijderen van asbesthoudende materialen. Op de zitting is komen vast te staan dat de directeur van [eiseres] ervan uit is gegaan dat hij die benodigde informatie zou verkrijgen van de medewerkers die de cursus over de Batteryspray-methode hebben gevolgd. Dat die medewerkers kennelijk – zoals op zitting gesteld – hebben nagelaten om de directeur te infomeren over het feit dat de methode altijd met twee medewerkers moet worden uitgevoerd, komt voor rekening en risico van [eiseres] . Het is immers haar verantwoordelijkheid als werkgever om zich te vergewissen van de toepassingsvoorwaarden van de methode. Dat sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid, volgt de rechtbank daarom niet. 10.