Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-11
ECLI:NL:RBMNE:2025:581
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,552 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1799
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: E.H. Siemeling).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de terugvordering van zijn bijstandsuitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) en de terugvordering van zijn woonkostentoeslag (wkt)
1.1.
Eiser heeft over de periode van 11 april 2022 tot en met 31 december 2022 een bijstandsuitkering ontvangen voor levensonderhoud op grond van het Bbz 2004.
1.2.
Bij besluit van 1 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het college besloten dat eiser een bedrag van € 8.582,20 aan te veel betaalde Bbz-uitkering en wkt terug moet betalen, omdat het jaarinkomen van eiser (€ 27.443,11) hoger is dan het jaarinkomen dat eiser mag hebben zonder dat er verrekening plaatsvindt (€ 18.722,20).
1.3.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 januari 2024 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het primaire besluit in stand gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
1.5.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.6.
In de brief van 24 oktober 2024 heeft het college het bestreden besluit aanvullend gemotiveerd, waarbij een belangenafweging is gemaakt. Eiser heeft de gelegenheid gekregen om binnen twee weken te reageren op deze aanvullende motivering, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
1.7.
De rechtbank heeft partijen vervolgens bericht zonder nadere zitting uitspraak te doen, tenzij één van de partijen aangeeft te willen worden gehoord. Na uitblijven van een reactie heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.
Het bestreden besluit
2. Eiser heeft vanaf 11 april 2022 tot en met 31 december 2022 een Bbz-uitkering en wkt als bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze lening ter hoogte van € 8.582,20 ontvangen. Dit mag eiser ontvangen, zonder dat het wordt verrekend met de inkomsten en het pensioen van eiser, als hij een maximaal (gezins)inkomen over het jaar 2022 heeft van
€ 18.722,20. Het inkomen van eiser over het jaar 2022 betrof echter € 27.443,11. Dit betekent dat eiser niet in aanmerking kwam voor een Bbz-uitkering en wkt en hij deze terug moet betalen. Dat eiser over het eerste kwartaal van 2022 voldoende inkomsten had en de Bbz-uitkering daarom niet nodig had, doet hier niet aan af. Het college rekent, gelet op het Bbz 2004, enkel met volledige boekjaren. Dit boekjaar loopt in het geval van eiser van januari 2022 tot en met december 2022. Dit zou alleen anders zijn geweest als eiser een startende ondernemer was geweest, maar dat is niet het geval. De stelling van eiser dat hij hierover verkeerd is ingelicht door een medewerker van het college maakt dit niet anders
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft tegen verschillende overwegingen in dat besluit beroepsgronden ingediend. De rechtbank bespreekt deze beroepsgronden hieronder.
Oordeel van de rechtbank
Voldoende inkomsten eerste kwartaal
4. Eiser stelt dat hij over het eerste kwartaal van 2022 nooit een Bbz-uitkering en wkt heeft aangevraagd. Hetgeen eiser met zijn bedrijf heeft ontvangen in dat kwartaal had daarom niet meegenomen mogen worden bij de berekening om te bepalen of hij in aanmerking komt voor een Bbz-uitkering en wkt.
5. Dit betoog slaagt niet. Uit artikel 11 van het Bbz 2004 volgt dat de verleende bijstand in eerste instantie de vorm van een renteloze geldlening aanneemt die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin deze bijstandsuitkering is verleend, wordt de hoogte van deze uitkering definitief vastgesteld en vindt er, voor zover het vermogen van de zelfstandige niet de bovengrens overgaat, omzetting tot een bedrag om niet plaats. Op het moment dat er een definitief netto-inkomen is vastgesteld voor eiser over het betreffende boekjaar moet er een nadere beslissing worden genomen door het college. Als de door het college verleende bijstandsuitkering over dit boekjaar met het in dat boekjaar behaalde netto-inkomen samen meer is dan de jaarnorm, kan de uitkering ter grootte van het verschil tussen de jaarnorm en het daadwerkelijk ontvangen geld (Bbz-uitkering en netto-inkomen) worden teruggevorderd. De rest van de als geldlening verstrekte uitkering wordt dan omgezet naar een bedrag om niet. Dit betekent dat op het moment dat eiser in het boekjaar (in dit geval het kalenderjaar 2022) een hoger netto-inkomen heeft dan de vastgestelde jaarnorm, het bedrag dat eiser boven de jaarnorm heeft ontvangen teruggevorderd kan worden door het college. In dit geval heeft het college daarom op de juiste wijze gehandeld door na het vaststellen van het definitieve jaarinkomen van eiser een deel terug te vorderen. Het netto jaarinkomen van eiser over het boekjaar 2022 was immers hoger dan de vastgestelde jaarnorm. Eisers netto jaarinkomen was € 27.443,11 en de jaarnorm was € 18.722,20. Daarom mag het college het bedrag van maximaal € 8.582,20 terugvorderen.
Geen informatie ontvangen
6. Eiser stelt verder dat hem nooit is verteld dat het college enkel rekent met volledige boekjaren en zijn inkomsten over het eerste kwartaal daarom meegenomen moeten worden in de definitieve berekening. Uit het contact dat eiser met het college heeft gehad is enkel gebleken dat de aanvraag van eiser vanaf 11 april 2022 geldt en hetgeen eiser daarvóór heeft verdiend met zijn bedrijf niet meetelt.
7. Dit betoog slaagt niet. De gesprekken van eiser en zijn toenmalige behandelaar zijn niet meer na te gaan. Dit betekent ook dat de door eiser gestelde toezegging van zijn toenmalige behandelaar, dat zijn inkomen pas vanaf 11 april 2022 berekend zou worden, niet meer na te gaan is. Hier kan daarom niet de waarde aan worden gehecht die eiser hieraan gehecht zou willen hebben. Verder staat ook in het primaire besluit dat na afloop van het boekjaar berekend wordt of eiser de Bbz-uitkering (deels) moet terugbetalen of niet. De uitkering moet door eiser worden terugbetaald als eiser te veel inkomen heeft gehad. Te veel is in dit geval een inkomen in het boekjaar (in dit geval: kalenderjaar) dat hoger ligt dan de vastgestelde jaarnorm. Uit deze uitleg in het primaire besluit was voor eiser af te leiden dat het mogelijk is dat hij een deel van zijn uitkering terug moet terugbetalen, omdat naar een boekjaar gekeken wordt en niet pas vanaf 11 april 2022. Daarbij hecht de rechtbank er ook waarde aan dat dit niet de eerste keer voor eiser is dat hij een Bbz-uitkering heeft gehad. Van eiser kon daarom verwacht worden dat hij weet hoe het werkt en dat hij weet dat het inkomen in een boekjaar wordt berekend en niet pas vanaf 11 april 2022, met ingang van welke datum de Bbz-uitkering is toegekend.
Evenredigheidsbeginsel
8. Eiser stelt dat hij in zijn belangen is geschaad door het bestreden besluit, omdat hij dit bedrag moet terugbetalen nadat hij na 52 jaar hard werken eindelijk van zijn pensioen kan genieten.
9.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Wel krijgt hij het door hem betaalde griffierecht terug.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het college op het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan hetzij digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl hetzij door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Zie artikel 11, tweede lid, van de Bbz 2004
De periode van twaalf maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd, in dit geval vanaf januari 2022 tot en met december 2022.
Zie artikel 12, eerste lid van het Bbz 2004
Zie artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c van het Bbz.
ECLI:NL:CRVB:2024:114.