Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:5773
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,355 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 25/4982
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente De Ronde Venen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 31 augustus 2025 heeft ingediend omdat de heffingsambtenaar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar tegen de aanslag gemeentelijke belastingen 2025 (aanslagnummer [nummer] ).
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ingebrekestelling aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaar ingediend op 30 april 2025. Op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet doet de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Gelet hierop moet de heffingsambtenaar, nu het bezwaarschrift niet is ingediend in de laatste zes weken van het jaar 2025, uiterlijk op 31 december 2025 op het bezwaar beslissen.
4. Eiseres heeft de ingebrekestelling op 20 juni 2025 te vroeg heeft verstuurd omdat op dat moment de beslistermijn nog niet was verstreken. Dit betekent dat op het moment van instellen van het beroep op 31 augustus 2025 niet werd voldaan aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
5. Het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de heffingsambtenaar niet op tijd op haar bezwaar heeft beslist is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
6. Voor zover dit beroep zich richt tegen de betalingsverplichting die volgt uit de aanslag merkt de rechtbank het volgende op.
7. Zoals bij eiseres bekend is, gezien de opmerking hierover in het proces-verbaal van aangifte dat eiseres bij haar brief van 22 oktober 2025 heeft gevoegd, wordt de verplichting tot betaling niet geschorst door de indiening van een bezwaarschrift. Dat eiseres het hier niet mee eens is maakt dit niet anders.
8. Voor zover dit beroep zich richt tegen het door de invorderingsambtenaar gestuurde dwangbevel van 3 september 2025 overweegt de rechtbank als volgt.
9. Op grond van artikel 8:5, eerste lid van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
9. In artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak staat dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.
10. De bestuursrechter is (dus) niet bevoegd om over een dwangbevel te beslissen. Eiseres kan op grond van artikel 17, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 daartegen een verzetschrift indienen bij de civiele rechter. Hoe eiseres dit moet doen is te vinden op deze internetpagina: https://www.rechtspraak.nl/Naar-de-rechter/rechtszaak-beginnen-particulier-of-organisatie/Paginas/dagvaardingsprocedure-beginnen-kantonrechter.aspx.
11. Ten aanzien van het beroep van eiseres, voor zover zich dat richt tegen het dwangbevel van 3 september 2025, verklaart de bestuursrechter zich onbevoegd. Eiseres kan hiervoor naar de civiele rechter.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet op tijd beslissen op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk;
verklaart zich, voor zover het beroep zich richt tegen het dwangbevel van 3 september 2025 onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Digitaal verzet instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Verzet instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, Postbus 16005, 3500 DA Utrecht.