Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-11-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:5728
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,310 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11558052 UC EXPL 25-1508 CFd/63200
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
verder ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen
1de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] V.O.F.,
2. [gedaagde sub 2] ,
3. [gedaagde sub 3] ,
gevestigd danwel wonend te: [plaats] ,
gedaagden,
verder ook te noemen: [gedaagde sub 1] ,
gemachtigde: mr. F.A. Geevers.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 februari 2025, met bijlagen;
de conclusie van antwoord met een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met een bijlage;
de conclusie van antwoord in incident, met bijlagen;
het vonnis in incident;
de brief van [eiseres] van 19 september 2025, met een bijlage.
1.2.
Bij de brief van 19 september 2025 van [eiseres] zijn ook spreekaantekeningen toegevoegd. Omdat vooraf is aangekondigd dat spreekaantekeningen niet zijn toegestaan zijn deze buiten beschouwing gelaten en niet aan het procesdossier toegevoegd. De aanvullende bijlage is wel aan het dossier toegevoegd.
1.3.
Op 9 oktober 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Namens [eiseres] is verschenen mr. H.J.M. Hofman van Jongejan Wissenborn gerechtsdeurwaarders. Ook de heer [gedaagde sub 2] was aanwezig, mede namens de v.o.f. [gedaagde sub 1] en mevrouw [gedaagde sub 3] , met mr. F.A. Geevers.
1.4.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] heeft op grond van een financiële leaseovereenkomst een bedrijfsauto (hierna: de auto) aan [gedaagde sub 1] ter beschikking gesteld. Er is een betalingsachterstand ontstaan in de betaling van de leasetermijnen. [eiseres] eist dat de kantonrechter [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordeelt om € 21.043,30 aan haar te betalen, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. Ook eist [eiseres] een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden. Subsidiair doet zij een beroep op ontbinding door de kantonrechter. Tot slot eist [eiseres] dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot afgifte van de auto op straffe van een dwangsom.
2.2.
[gedaagde sub 1] voert aan dat zij niet in staat is om de auto terug te geven. [eiseres] betwist dat en de kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 1] dat standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. De gevorderde dwangsom wordt gematigd.
Beoordeling
De huurkoopovereenkomst wordt ontbonden
3.1.
Tussen partijen is sprake van een huurkoopovereenkomst. Het staat niet vast dat [eiseres] die overeenkomst al buitengerechtelijk heeft ontbonden. Zij heeft niet aangegeven wanneer dit is gebeurd en er is ook geen verklaring zoals bedoeld in artikel 6:267 lid 1 BW overgelegd. De kantonrechter zal de huurkoopovereenkomst daarom zelf ontbinden (artikel 6:267 lid 2 BW).
3.2.
Vast staat namelijk dat [gedaagde sub 1] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst door de leasetermijnen niet (tijdig) te betalen. Vanaf juni 2024 heeft [gedaagde sub 1] niets meer betaald aan [eiseres] . Deze tekortkoming rechtvaardigt ontbinding van de overeenkomst.
[gedaagde sub 1] moet € 21.043,30 aan [eiseres] betalen
3.3.
De gevorderde hoofdsom van € 21.043,30 zal worden toegewezen omdat [eiseres] voldoende heeft gesteld waaruit volgt dat dit bedrag moet worden betaald (artikel 5 van de algemene voorwaarden) en [gedaagde sub 1] dat niet heeft betwist.
Vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor betaling
3.4.
[gedaagde sub 1] betwist wel dat mevrouw [gedaagde sub 3] hoofdelijk aansprakelijk is. Het uitgangspunt is dat vennoten van een vof hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schulden van de vof. Dat betekent dat de vennoten in privé aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming. Het maakt daarbij niet uit of mevrouw [gedaagde sub 3] wel of niet betrokken is geweest bij de bedrijfsvoering van de vof. Het enkele feit dat zij staat ingeschreven als vennoot maakt dat zij door [eiseres] kan worden aangesproken. Dat volgt uit artikel 18 Wetboek van Koophandel. Ook wanneer sprake zou zijn van een schijnconstructie zou die inschrijving voldoende grond voor haar aansprakelijkheid vormen. Maar van een schijnconstructie is geen sprake, omdat mevrouw [gedaagde sub 3] - zoals door haar medevennoot ter zitting is toegelicht -deelt in de opbrengsten van de vof.
3.5.
De conclusie is dat [gedaagde sub 1] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van € 21.043,30 aan [eiseres] . Indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens verkocht moet het verkoopbedrag door [eiseres] in mindering worden gebracht op de openstaande vordering, wat [eiseres] heeft toegezegd te zullen doen.
[gedaagde sub 1] moet contractuele rente betalen
3.6.
De contractuele rente wordt ook toegewezen, omdat uit de overeenkomst en de algemene voorwaarden volgt dat [gedaagde sub 1] die contractuele rente moet betalen en [gedaagde sub 1] dat niet heeft betwist.
3.7.
Berekend tot en met 4 februari 2025 bedraagt de rente volgens [eiseres] € 189,06. [gedaagde sub 1] heeft dat niet betwist, zodat dat bedrag wordt toegewezen. Ook na februari 2025 is [gedaagde sub 1] contractuele rente verschuldigd.
[gedaagde sub 1] moet ook buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.8.
[eiseres] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van haar algemene voorwaarden. Voldoende is gebleken dat [eiseres] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde sub 1] heeft de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag niet betwist. [gedaagde sub 1] wordt daarom hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 3.819,37 aan [eiseres] .
In totaal moet [gedaagde sub 1] € 25.051,73 aan [eiseres] betalen
3.9.
In totaal moet [gedaagde sub 1] € 25.051,73 aan [eiseres] betalen, namelijk:
Leasetermijnen: € 21.043,30
Buitengerechtelijke kosten € 3.819,37
Rente tot en met 4 februari 2025 € 189,06
Totaal € 25.051,73
[gedaagde sub 1] moet de auto afgeven aan [eiseres]
3.10.
[gedaagde sub 1] moet de auto teruggeven aan [eiseres] . De huurkoopovereenkomst is geëindigd en [eiseres] is nog steeds eigenaar van de auto.
3.11.
Volgens [gedaagde sub 1] kan de auto niet worden teruggegeven. Zij voert het volgende aan. [gedaagde sub 1] heeft de auto ter beschikking gesteld aan één van haar opdrachtnemers, de heer [A] , die werkzaam zou zijn voor [onderneming] [A] beschikte over de auto en betaalde ook de leasetermijnen aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] kon vanwege financiële problemen [A] niet meer betalen. [A] besloot daarop de auto onder zich te houden en niet terug te geven aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] kan de auto daarom niet teruggeven aan [eiseres] .
3.12.
[eiseres] verwijst naar haar algemene voorwaarden waarin staat dat [gedaagde sub 1] de auto niet ter beschikking mag stellen aan derden. Zij betwist dat [gedaagde sub 1] niet in staat is om de auto aan haar af te geven.
3.13.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Volgens [gedaagde sub 1] is [A] onvindbaar, maar zij heeft niet uitgelegd wat zij heeft gedaan om [A] op te sporen. Zij heeft geen aangifte gedaan en ook is niet gebleken dat [gedaagde sub 1] andere stappen tegen [A] heeft ondernomen. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van [gedaagde sub 1] zelf dat [gedaagde sub 1] en [A] al geruime tijd (5 à 6 jaar) zaken met elkaar deden, zodat aannemelijk is dat er aanknopingspunten zijn om [A] (en de auto) op te sporen, zoals de bankrekening (nummer en tenaamstelling) ten laste waarvan [A] de leasetermijnen aan [gedaagde sub 1] overmaakte. [gedaagde sub 1] heeft daartoe niets gedaan, althans dat is niet gebleken. [gedaagde sub 1] heeft enkel een verzoek gedaan om [A] en [onderneming] in vrijwaring op te roepen. De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen, maar [gedaagde sub 1] heeft [A] en/of [onderneming] vervolgens niet opgeroepen. Dat het voor [gedaagde sub 1] onmogelijk is om de auto af te geven is aldus niet voldoende gebleken. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] hoofdelijk wordt veroordeeld om de auto af te geven aan [eiseres] .
[gedaagde sub 1] is een dwangsom verschuldigd als zij de auto niet (tijdig) afgeeft
3.14.
Als [gedaagde sub 1] de auto niet afgeeft, moet zij een dwangsom betalen. Een dwangsom is nodig als prikkel tot nakoming. [gedaagde sub 1] heeft tot op heden geen aantoonbare inspanningen geleverd. De kantonrechter ziet aanleiding de dwangsom te matigen tot € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00. De kantonrechter oordeelt dat de dwangsom verschuldigd is vanaf de veertiende (14e) dag na de betekening van dit vonnis. Aangenomen moet immers worden dat [gedaagde sub 1] enige tijd nodig zal hebben om alsnog met succes de auto terug te krijgen van [A] . Wanneer de dwangsom, zoals [eiseres] vordert, net als de teruggaveverplichting zelf, zou ingaan 72 uur na de betekening van het vonnis, bestaat de kans dat [gedaagde sub 1] die handelingen nog niet succesvol heeft kunnen verrichten. Dan zou het onterecht te zijn dat zij de dwangsom toch al verschuldigd is.
[gedaagde sub 1] moet de proceskosten betalen
3.15.
[gedaagde sub 1] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). [gedaagde sub 1] wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan [eiseres] .
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de huurkoopovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de hierna te noemen auto;
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk tot afgifte van de Mercedes-Benz Sprinter 514 2.2 CDI L3HI met kenteken [kenteken] aan [eiseres] binnen 72 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde sub 1] met de afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00, met dien verstande dat [gedaagde sub 1] die dwangsom eerst verschuldigd is wanneer veertien dagen zijn verstreken na de betekening van dit vonnis;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 25.051,73, vermeerderd met de contractuele rente (9,37% op jaarbasis) over een bedrag van € 21.043,30 vanaf 5 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald, met dien verstande dat indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens verkocht door [eiseres] de netto opbrengst van de auto in mindering zal worden gebracht op de openstaande vordering;
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.997,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11558052 UC EXPL 25-1508 CFd/63200
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
verder ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen
1de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] V.O.F.,
2. [gedaagde sub 2] ,
3. [gedaagde sub 3] ,
gevestigd danwel wonend te: [plaats] ,
gedaagden,
verder ook te noemen: [gedaagde sub 1] ,
gemachtigde: mr. F.A. Geevers.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 februari 2025, met bijlagen;
de conclusie van antwoord met een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met een bijlage;
de conclusie van antwoord in incident, met bijlagen;
het vonnis in incident;
de brief van [eiseres] van 19 september 2025, met een bijlage.
1.2.
Bij de brief van 19 september 2025 van [eiseres] zijn ook spreekaantekeningen toegevoegd. Omdat vooraf is aangekondigd dat spreekaantekeningen niet zijn toegestaan zijn deze buiten beschouwing gelaten en niet aan het procesdossier toegevoegd. De aanvullende bijlage is wel aan het dossier toegevoegd.
1.3.
Op 9 oktober 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Namens [eiseres] is verschenen mr. H.J.M. Hofman van Jongejan Wissenborn gerechtsdeurwaarders. Ook de heer [gedaagde sub 2] was aanwezig, mede namens de v.o.f. [gedaagde sub 1] en mevrouw [gedaagde sub 3] , met mr. F.A. Geevers.
1.4.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] heeft op grond van een financiële leaseovereenkomst een bedrijfsauto (hierna: de auto) aan [gedaagde sub 1] ter beschikking gesteld. Er is een betalingsachterstand ontstaan in de betaling van de leasetermijnen. [eiseres] eist dat de kantonrechter [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordeelt om € 21.043,30 aan haar te betalen, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. Ook eist [eiseres] een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden. Subsidiair doet zij een beroep op ontbinding door de kantonrechter. Tot slot eist [eiseres] dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot afgifte van de auto op straffe van een dwangsom.
2.2.
[gedaagde sub 1] voert aan dat zij niet in staat is om de auto terug te geven. [eiseres] betwist dat en de kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 1] dat standpunt onvoldoende heeft onderbouwd.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. De gevorderde dwangsom wordt gematigd.
Beoordeling
De huurkoopovereenkomst wordt ontbonden
3.1.
Tussen partijen is sprake van een huurkoopovereenkomst. Het staat niet vast dat [eiseres] die overeenkomst al buitengerechtelijk heeft ontbonden. Zij heeft niet aangegeven wanneer dit is gebeurd en er is ook geen verklaring zoals bedoeld in artikel 6:267 lid 1 BW overgelegd. De kantonrechter zal de huurkoopovereenkomst daarom zelf ontbinden (artikel 6:267 lid 2 BW).
3.2.
Vast staat namelijk dat [gedaagde sub 1] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst door de leasetermijnen niet (tijdig) te betalen. Vanaf juni 2024 heeft [gedaagde sub 1] niets meer betaald aan [eiseres] . Deze tekortkoming rechtvaardigt ontbinding van de overeenkomst.
[gedaagde sub 1] moet € 21.043,30 aan [eiseres] betalen
3.3.
De gevorderde hoofdsom van € 21.043,30 zal worden toegewezen omdat [eiseres] voldoende heeft gesteld waaruit volgt dat dit bedrag moet worden betaald (artikel 5 van de algemene voorwaarden) en [gedaagde sub 1] dat niet heeft betwist.
Vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor betaling
3.4.
[gedaagde sub 1] betwist wel dat mevrouw [gedaagde sub 3] hoofdelijk aansprakelijk is. Het uitgangspunt is dat vennoten van een vof hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schulden van de vof. Dat betekent dat de vennoten in privé aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming. Het maakt daarbij niet uit of mevrouw [gedaagde sub 3] wel of niet betrokken is geweest bij de bedrijfsvoering van de vof. Het enkele feit dat zij staat ingeschreven als vennoot maakt dat zij door [eiseres] kan worden aangesproken. Dat volgt uit artikel 18 Wetboek van Koophandel. Ook wanneer sprake zou zijn van een schijnconstructie zou die inschrijving voldoende grond voor haar aansprakelijkheid vormen. Maar van een schijnconstructie is geen sprake, omdat mevrouw [gedaagde sub 3] - zoals door haar medevennoot ter zitting is toegelicht -deelt in de opbrengsten van de vof.
3.5.
De conclusie is dat [gedaagde sub 1] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van € 21.043,30 aan [eiseres] . Indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens verkocht moet het verkoopbedrag door [eiseres] in mindering worden gebracht op de openstaande vordering, wat [eiseres] heeft toegezegd te zullen doen.
[gedaagde sub 1] moet contractuele rente betalen
3.6.
De contractuele rente wordt ook toegewezen, omdat uit de overeenkomst en de algemene voorwaarden volgt dat [gedaagde sub 1] die contractuele rente moet betalen en [gedaagde sub 1] dat niet heeft betwist.
3.7.
Berekend tot en met 4 februari 2025 bedraagt de rente volgens [eiseres] € 189,06. [gedaagde sub 1] heeft dat niet betwist, zodat dat bedrag wordt toegewezen. Ook na februari 2025 is [gedaagde sub 1] contractuele rente verschuldigd.
[gedaagde sub 1] moet ook buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.8.
[eiseres] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van haar algemene voorwaarden. Voldoende is gebleken dat [eiseres] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde sub 1] heeft de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag niet betwist. [gedaagde sub 1] wordt daarom hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 3.819,37 aan [eiseres] .
In totaal moet [gedaagde sub 1] € 25.051,73 aan [eiseres] betalen
3.9.
In totaal moet [gedaagde sub 1] € 25.051,73 aan [eiseres] betalen, namelijk:
Leasetermijnen: € 21.043,30
Buitengerechtelijke kosten € 3.819,37
Rente tot en met 4 februari 2025 € 189,06
Totaal € 25.051,73
[gedaagde sub 1] moet de auto afgeven aan [eiseres]
3.10.
[gedaagde sub 1] moet de auto teruggeven aan [eiseres] . De huurkoopovereenkomst is geëindigd en [eiseres] is nog steeds eigenaar van de auto.
3.11.
Volgens [gedaagde sub 1] kan de auto niet worden teruggegeven. Zij voert het volgende aan. [gedaagde sub 1] heeft de auto ter beschikking gesteld aan één van haar opdrachtnemers, de heer [A] , die werkzaam zou zijn voor [onderneming] [A] beschikte over de auto en betaalde ook de leasetermijnen aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] kon vanwege financiële problemen [A] niet meer betalen. [A] besloot daarop de auto onder zich te houden en niet terug te geven aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] kan de auto daarom niet teruggeven aan [eiseres] .
3.12.
[eiseres] verwijst naar haar algemene voorwaarden waarin staat dat [gedaagde sub 1] de auto niet ter beschikking mag stellen aan derden. Zij betwist dat [gedaagde sub 1] niet in staat is om de auto aan haar af te geven.
3.13.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Volgens [gedaagde sub 1] is [A] onvindbaar, maar zij heeft niet uitgelegd wat zij heeft gedaan om [A] op te sporen. Zij heeft geen aangifte gedaan en ook is niet gebleken dat [gedaagde sub 1] andere stappen tegen [A] heeft ondernomen. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van [gedaagde sub 1] zelf dat [gedaagde sub 1] en [A] al geruime tijd (5 à 6 jaar) zaken met elkaar deden, zodat aannemelijk is dat er aanknopingspunten zijn om [A] (en de auto) op te sporen, zoals de bankrekening (nummer en tenaamstelling) ten laste waarvan [A] de leasetermijnen aan [gedaagde sub 1] overmaakte. [gedaagde sub 1] heeft daartoe niets gedaan, althans dat is niet gebleken. [gedaagde sub 1] heeft enkel een verzoek gedaan om [A] en [onderneming] in vrijwaring op te roepen. De kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen, maar [gedaagde sub 1] heeft [A] en/of [onderneming] vervolgens niet opgeroepen. Dat het voor [gedaagde sub 1] onmogelijk is om de auto af te geven is aldus niet voldoende gebleken. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] hoofdelijk wordt veroordeeld om de auto af te geven aan [eiseres] .
[gedaagde sub 1] is een dwangsom verschuldigd als zij de auto niet (tijdig) afgeeft
3.14.
Als [gedaagde sub 1] de auto niet afgeeft, moet zij een dwangsom betalen. Een dwangsom is nodig als prikkel tot nakoming. [gedaagde sub 1] heeft tot op heden geen aantoonbare inspanningen geleverd. De kantonrechter ziet aanleiding de dwangsom te matigen tot € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00. De kantonrechter oordeelt dat de dwangsom verschuldigd is vanaf de veertiende (14e) dag na de betekening van dit vonnis. Aangenomen moet immers worden dat [gedaagde sub 1] enige tijd nodig zal hebben om alsnog met succes de auto terug te krijgen van [A] . Wanneer de dwangsom, zoals [eiseres] vordert, net als de teruggaveverplichting zelf, zou ingaan 72 uur na de betekening van het vonnis, bestaat de kans dat [gedaagde sub 1] die handelingen nog niet succesvol heeft kunnen verrichten. Dan zou het onterecht te zijn dat zij de dwangsom toch al verschuldigd is.
[gedaagde sub 1] moet de proceskosten betalen
3.15.
[gedaagde sub 1] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). [gedaagde sub 1] wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan [eiseres] .
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de huurkoopovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de hierna te noemen auto;
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk tot afgifte van de Mercedes-Benz Sprinter 514 2.2 CDI L3HI met kenteken [kenteken] aan [eiseres] binnen 72 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde sub 1] met de afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00, met dien verstande dat [gedaagde sub 1] die dwangsom eerst verschuldigd is wanneer veertien dagen zijn verstreken na de betekening van dit vonnis;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 25.051,73, vermeerderd met de contractuele rente (9,37% op jaarbasis) over een bedrag van € 21.043,30 vanaf 5 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald, met dien verstande dat indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens verkocht door [eiseres] de netto opbrengst van de auto in mindering zal worden gebracht op de openstaande vordering;
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.997,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.