Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-14
ECLI:NL:RBMNE:2025:554
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,309 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/470
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
De Minister van Financiën.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van de minister om compensatie te verlenen voor de door eiseres (deels) afgeloste schuld bij de ING-bank.
1.1.
De minister heeft het verzoek om compensatie met het besluit van 5 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 november 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister van 14 november 2023 op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiseres.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of op goede gronden is geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de aflossing van € 5.000,- op haar doorlopend krediet bij de ING bank. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft besloten om eiseres niet te compenseren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiseres heeft in 2019een doorlopend krediet afgesloten bij de ING-bank. Zij kwam vervolgens in aanmerking voor € 30.000,- van de zogenaamde Catshuisregeling. Een deel daarvan, € 5.000,-, heeft zij gebruikt om af te lossen op haar lopend krediet. Deze aflossing ging ten koste van andere dingen, zoals boodschappen. Eiseres vindt dat ze zichzelf te kort heeft gedaan door met geld van de Catshuisregeling af te lossen op haar doorlopend krediet.
5. In artikel 4.3, gelezen in samenhang met artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is bepaald onder welke voorwaarden een al afgeloste schuld voor compensatie in aanmerking komt. Uit deze bepalingen volgt dat voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden:
- a. de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005;
- b. de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
- c. de schuld en kosten zijn voldaan na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7.
6. Hieruit volgt dat het in ieder geval moet gaan om een schuld die voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Eiseres voldoet niet aan die voorwaarde. Eiseres is in 2019 een schuld in de vorm van een doorlopend krediet aangegaan bij de ING-bank. Zij heeft hierop iedere maand afgelost. Toen eiseres na ontvangst van compensatie op grond van de Catshuisregeling een bedrag daarvan van € 5.000,- afloste op haar doorlopend krediet had zij geen betalingsachterstanden. Haar schuld was toen niet opeisbaar. De minister heeft dan ook terecht vastgesteld dat deze schuld op grond van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.1, tweede en vierde lid, van de Wht niet voor compensatie in aanmerking komt. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het verzoek van eiseres om compensatie heeft mogen afwijzen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres zich niet tekort heeft gedaan door haar krediet met geld van de Catshuisregeling af te lossen. Ook als zij dat niet had gedaan, zou zij geen aanspraak op compensatie of schuldovername hebben omdat zij per 1 juni 2021 geen achterstand had met het aflossen van haar krediet. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van eventuele proceskosten.
8. Eiseres is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2025 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.