Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-10-20
ECLI:NL:RBMNE:2025:5444
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,031 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/593035 / JE RK 25-683
Beschikking van 20 oktober 2025
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.M. Beuwer,
[vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1De verdere procedure
1.1.
De moeder heeft de rechtbank op 31 juli 2025 verzocht de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2025 te verbeteren.
1.2.
De rechtbank heeft de vader en de GI in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek tot het geven van een herstelbeschikking. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
2.1.
De moeder vraagt om de datum van de beschikking te verbeteren. In de ondertekening van de beslissing staat ‘deze beslissing is gegeven door mr. H.E. Spruit, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025’. De beschikking is echter pas op 31 juli 2025 aan partijen kenbaar gemaakt. De datum van de beschikking moet daarom 31 juli 2025 zijn en niet 9 juli 2025.
2.2.
De rechtbank wijst het verzoek tot verbetering af. De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve op grond van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in zijn beschikking verbeteren. Van een kennelijke fout is sprake als voor partijen en anderen direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een kennelijke fout.
2.3.
De beschikking in deze zaak is gedagtekend op 9 juli 2025. Vast staat dat de beschikking niet op die dag, maar (pas) op 31 juli 2025 door de griffie aan partijen is verzonden. De vraag is, of dit betekent dat niet op 9 juli 2025, maar op 31 juli 2025 uitspraak is gedaan. De rechtbank is van oordeel van niet.
2.4.
Op grond van (onder andere) artikel 29 lid 1 Rv geschiedt de uitspraak in het openbaar. Aan dat vereiste is ook voldaan als de uitspraak in geschreven vorm op de griffie aanwezig is vanaf een bepaalde, aan partijen tevoren bekendgemaakte dag en zowel partijen als derden een afschrift van die beschikking kunnen verkrijgen (zie Hoge Raad 21 april 2023, ECL:NL:2023:658). Aan dit vereiste was voldaan op 9 juli 2025. De kinderrechter heeft op de mondelinge behandeling van 11 juni 2025 immers aangekondigd vier weken na de zitting een beslissing te nemen. Partijen wisten dus dat zij vanaf vier weken ná 11 juni 2025 een afschrift van die beschikking konden krijgen.
2.5.
De griffie van de rechtbank heeft vervolgens verzuimd aan de verplichting van artikel 290 lid 3 Rv om aan belanghebbenden zo spoedig mogelijk een afschrift van de beschikking te sturen. Dit verzuim kan echter niet met het wijzigen van de datum van de uitspraak recht worden gezet.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om de beschikking van 9 juli 2025 te verbeteren af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. H.E. Spruit, kinderrechter, in samenwerking met mr. A. Minkjan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025 door mr. N. Chedra, kinderrechter.