Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-09-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:5177
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,130 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4785 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 op het verzet van
[oppossant]
, uit [plaats] , opposant
(gemachtigde: mr. M.C. Hazenberg),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 december 2024 in het geding tussen
opposant
en
de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 31 december 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposant, voor zover gericht tegen het besluit van 14 september 2023, ongegrond heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 31 december 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gericht tegen het besluit van de AP van 14 september 2023 ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over de weigering van de AP om de klacht van opposant over een inbreuk op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verder te behandelen. Opposant vond dat de gemeente Utrecht ten onrechte pandadresgegevens van hem en van zijn buren op internet heeft gepubliceerd ter uitvoering van de Wet open overheid (Woo). Opposant stelt dat deze gegevensverwerking onrechtmatig is, omdat het een ongeoorloofde inbreuk is op zijn persoonlijke levenssfeer. De AP had de klacht van opposant daarover verder moeten onderzoeken en moeten overgaan tot handhaving, volgens opposant.
4.1.
De AP heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de klacht niet verder hoefde te behandelen. Aan de hand van een prioriteringsbeleid beoordeelt zij of een klacht behandeld moet worden. Op basis van dit beleid heeft de AP daar in dit geval vanaf gezien. Zij heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een (evidente) overtreding van de AVG. Daarbij heeft zij erop gewezen dat er verschillende gerechtelijke procedures aanhangig waren die gingen over de openbaarmaking van de pandadresgegevens van opposant op grond van de Woo. Hierin zou al een oordeel worden gegeven over de afweging van de belangen van bescherming van de persoonlijke levenssfeer in relatie tot het belang van openbaarheid.
De uitspraak van 31 december 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep voor zover gericht tegen het besluit van de AP van 14 september 2023 kennelijk ongegrond gevonden. De reden hiervoor is dat de gerechtelijke procedures waarnaar de AP verwijst inmiddels zijn afgerond en dat daarmee vaststaat dat de pandadresgegevens, waarover het hier gaat, op grond van de Woo openbaar gemaakt mogen worden. Met de beoordeling die in de Woo-zaken is gegeven over de pandadresgegevens, is ook geoordeeld dat geen sprake is van een met de AVG strijdige verwerking van persoonsgegevens. Dit volgt uit artikel 86 van de AVG.
Had de AP nader moeten onderzoeken of de gegevensverwerking geoorloofd was?
6. Opposant betoogt dat de AP ten onrechte alleen heeft gekeken of de gegevensverwerking rechtmatig was, maar dat zij ook had moeten onderzoeken of de publicatie van de pandadresgegevens geoorloofd was. Dit volgt volgens opposant uit artikel 5, eerste lid, aanhef onder f, van de AVG. De rechtbank heeft dit niet onderkend en heeft ten onrechte geoordeeld dat de AP de klacht niet verder hoefde te onderzoeken, aldus opposant.
7. Dit standpunt van opposant is onjuist. Opposant heeft bij de AP geklaagd dat de gemeente de AVG heeft overtreden. De rechtbank heeft onder verwijzing naar artikel 86 van de AVG geoordeeld dat dat niet het geval is, omdat de gemeente de pandadresgegevens op grond van de Woo openbaar heeft mogen maken. Van een ongeoorloofde inbreuk op de privacy van opposant is dus geen sprake. De verwijzing naar opposant naar artikel 5, eerste lid, aanhef onder f, van de AVG maakt dit niet anders. Deze bepaling gaat over de verplichting van een gegevensverwerker om passende technische of organisatorische maatregelen te nemen om gegevens die hij verwerkt te beveiligen. Dit artikel is voor de vraag of de gemeente Utrecht de pandgegevens mocht publiceren op grond van de Woo dus in het geheel niet relevant. Deze verzetsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 31 december 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5327.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4785 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 op het verzet van
[oppossant]
, uit [plaats] , opposant
(gemachtigde: mr. M.C. Hazenberg),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 december 2024 in het geding tussen
opposant
en
de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 31 december 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposant, voor zover gericht tegen het besluit van 14 september 2023, ongegrond heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 31 december 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gericht tegen het besluit van de AP van 14 september 2023 ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over de weigering van de AP om de klacht van opposant over een inbreuk op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verder te behandelen. Opposant vond dat de gemeente Utrecht ten onrechte pandadresgegevens van hem en van zijn buren op internet heeft gepubliceerd ter uitvoering van de Wet open overheid (Woo). Opposant stelt dat deze gegevensverwerking onrechtmatig is, omdat het een ongeoorloofde inbreuk is op zijn persoonlijke levenssfeer. De AP had de klacht van opposant daarover verder moeten onderzoeken en moeten overgaan tot handhaving, volgens opposant.
4.1.
De AP heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de klacht niet verder hoefde te behandelen. Aan de hand van een prioriteringsbeleid beoordeelt zij of een klacht behandeld moet worden. Op basis van dit beleid heeft de AP daar in dit geval vanaf gezien. Zij heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een (evidente) overtreding van de AVG. Daarbij heeft zij erop gewezen dat er verschillende gerechtelijke procedures aanhangig waren die gingen over de openbaarmaking van de pandadresgegevens van opposant op grond van de Woo. Hierin zou al een oordeel worden gegeven over de afweging van de belangen van bescherming van de persoonlijke levenssfeer in relatie tot het belang van openbaarheid.
De uitspraak van 31 december 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep voor zover gericht tegen het besluit van de AP van 14 september 2023 kennelijk ongegrond gevonden. De reden hiervoor is dat de gerechtelijke procedures waarnaar de AP verwijst inmiddels zijn afgerond en dat daarmee vaststaat dat de pandadresgegevens, waarover het hier gaat, op grond van de Woo openbaar gemaakt mogen worden. Met de beoordeling die in de Woo-zaken is gegeven over de pandadresgegevens, is ook geoordeeld dat geen sprake is van een met de AVG strijdige verwerking van persoonsgegevens. Dit volgt uit artikel 86 van de AVG.
Had de AP nader moeten onderzoeken of de gegevensverwerking geoorloofd was?
6. Opposant betoogt dat de AP ten onrechte alleen heeft gekeken of de gegevensverwerking rechtmatig was, maar dat zij ook had moeten onderzoeken of de publicatie van de pandadresgegevens geoorloofd was. Dit volgt volgens opposant uit artikel 5, eerste lid, aanhef onder f, van de AVG. De rechtbank heeft dit niet onderkend en heeft ten onrechte geoordeeld dat de AP de klacht niet verder hoefde te onderzoeken, aldus opposant.
7. Dit standpunt van opposant is onjuist. Opposant heeft bij de AP geklaagd dat de gemeente de AVG heeft overtreden. De rechtbank heeft onder verwijzing naar artikel 86 van de AVG geoordeeld dat dat niet het geval is, omdat de gemeente de pandadresgegevens op grond van de Woo openbaar heeft mogen maken. Van een ongeoorloofde inbreuk op de privacy van opposant is dus geen sprake. De verwijzing naar opposant naar artikel 5, eerste lid, aanhef onder f, van de AVG maakt dit niet anders. Deze bepaling gaat over de verplichting van een gegevensverwerker om passende technische of organisatorische maatregelen te nemen om gegevens die hij verwerkt te beveiligen. Dit artikel is voor de vraag of de gemeente Utrecht de pandgegevens mocht publiceren op grond van de Woo dus in het geheel niet relevant. Deze verzetsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 31 december 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5327.