Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-17
ECLI:NL:RBMNE:2025:5143
Civiel recht
Kort geding
9,876 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/593837 / KG ZA 25-218
Vonnis in kort geding van 17 juni 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiser sub 2],
te [woonplaats 2] ,3. [eiser sub 3],
te [woonplaats 3] ,4. [eiser sub 4],
te [woonplaats 4] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong,
tegen
STICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SKJ,
advocaat: mr. A. Muhammad.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 t/m 7,
- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 11,
- de aanvullende productie 8 en 9 van [eiser sub 1] c.s., - de mondelinge behandeling van 3 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s.,- de pleitnota van SKJ.
2De kern
2.1.
Deze zaak draait in de kern om de vraag of het verzoek tot heroverweging van het besluit tot beëindiging van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het Kwaliteitsregister Jeugd (KJ) schorsende werking heeft. De rechtbank oordeelt dat dat zo is. Hierna volgt de toelichting op dat oordeel.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
Het KJ is een erkend register als bedoeld in artikel 5.2.1 Besluit Jeugdwet, dat door SKJ wordt beheerd op grond van de Jeugdwet. Het KJ is bedoeld voor registratie van beroepsbeoefenaren die minimaal op het niveau van een hogere beroepsopleiding scholing hebben afgerond, die is gericht op het vervullen van een beroep in de jeugdzorg. Beroepsbeoefenaren die niet over een hbo-diploma beschikken, kunnen via een EVC-traject (Erkenning van Verworven Competenties) aantonen dat zij over dezelfde kennis, vaardigheden en competenties beschikken als beroepsbeoefenaren mét een hbo-diploma. Na een succesvolle afronding van het EVC-traject ontvangt de deelnemer een ervaringscertificaat. Daarmee kan de professional geregistreerd worden in het KJ.
3.2.
In de loop van 2024 kreeg SKJ signalen vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van grootschalige fraude met ervaringscertificaten. Dit betekende dat er een risico bestond dat het KJ onbevoegde en onbekwame professionals bevat. Dat was de reden voor SKJ om een steekproefsgewijs onderzoek in gang te zetten naar de jeugdprofessionals die in het KJ geregistreerd staan.
3.3.
SKJ heeft 274 professionals geselecteerd voor een willekeurige steekproef, waaronder [eiser sub 1] c.s. Daarover is [eiser sub 1] c.s. geïnformeerd. Tijdens het onderzoek werden de EVC-dossiers van de geselecteerde professionals doorgelicht. SKJ was van oordeel dat uit het onderzoek bij [eiser sub 1] c.s. zodanig ernstige vermoedens van fraude naar voren kwamen dat SKJ zich genoodzaakt zag om de registratie van [eiser sub 1] c.s. per direct te beëindigen. Daarover is [eiser sub 1] c.s. op de hoogte gesteld. [eiser sub 1] c.s. is het niet eens met het besluit van SKJ. [eiser sub 1] c.s. heeft daarom een verzoek tot heroverweging ingediend bij de commissie heroverweging van SKJ.
3.4.
Niet ter discussie staat dat een zeer zorgelijke situatie ontstaat als fraude wordt gepleegd met diploma’s en EVC’s, zeker als het gaat om het verlenen van zorg aan kwetsbare jeugdigen. In deze zaak is echter niet aan de orde of [eiser sub 1] c.s. fraude heeft gepleegd. Het gaat (enkel) over de vraag of het verzoek tot heroverweging van het besluit tot (onmiddellijke) beëindiging van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ schorsende werking heeft.
Beoordeling
Het oordeel beperkt zich tot een voorlopige voorziening
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser sub 1] c.s. ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eiser sub 1] c.s. heeft een spoedeisend belang
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser sub 1] c.s. voldoende spoedeisend belang, omdat niet is betwist dat [eiser sub 1] c.s. sinds het besluit tot beëindiging van de registratie in het KJ beperkt wordt in zijn werkzaamheden en als gevolg daarvan in zijn mogelijkheden om door middel van werk inkomen te genereren.
SKJ mocht onderzoek doen en is bevoegd te oordelen over (de beëindiging van) registraties in het KJ
4.3.
SKJ is een privaatrechtelijke organisatie die als enige beheerder van het KJ de taak heeft om ervoor zorgen dat de registratie en herregistratie van jeugdprofessionals op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Zij moet ervoor zorgen dat in het KJ enkel beroepsbeoefenaren staan die minimaal hbo-niveau of een vergelijkbaar niveau hebben. Aangezien er concrete en ernstige signalen zijn dat er onbevoegde personen in het KJ staan geregistreerd, was SKJ naar het oordeel van de voorzieningenrechter als beheerder bevoegd om onderzoek te verrichten.
4.4.
Wordt fraude geconstateerd dan kan SKJ een maatregel toepassen, waaronder het doorhalen van de registratie. SKJ hanteert daarnaast algemene voorwaarden. In artikel 18 van de algemene voorwaarden is bepaald dat SKJ bevoegd is de registratie van een jeugdprofessional in het KJ door te halen als zij constateert dat er (mogelijk) sprake is van fraude. In artikel 17 van het Registratiereglement van 27 november 2027 (Registratiereglement) is deze beëindigingsmogelijkheid nader uitgewerkt:
“Artikel 17 Beëindiging registratie
1. De registratie wordt door de commissie registratie beëindigd als:
c) aan de aanvraag tot registratie onjuiste of onvolledige informatie ten grondslag heeft gelegen, waarvan de geregistreerde wist of behoorde te weten dat, indien de onjuistheid of ontbrekende gegevens bij de beslissing tot registratie bekend waren geweest, de aanvraag niet zou zijn ingewilligd.”
Op grond van de algemene voorwaarden en het Registratiereglement is SKJ dus bevoegd beslissingen te nemen over de beëindiging van registraties in het KJ.
Onvoldoende aannemelijk dat het besluit tot beëindiging van de registratie nietig of vernietigbaar is
4.5.
SKJ heeft bij besluit van 16 april 2025 de registratie van [eiser sub 1] c.s. beëindigd op grond van artikel 18 van de algemene voorwaarden en artikel 17 lid 1 sub c van het Registratiereglement.
4.6.
[eiser sub 1] c.s. stelt zich primair op het standpunt dat dit besluit nietig dan wel vernietigbaar is en om die reden buiten werking moet worden gesteld. Volgens [eiser sub 1] c.s. heeft SKJ namelijk zodanig onzorgvuldig gehandeld, dat beëindiging van de registratie nooit had mogen plaatsvinden.
4.7.
[eiser sub 1] c.s. verwijt SKJ in de eerste plaats dat zij in strijd met artikel 17 lid 2 van het Registratiereglement de beslissing tot beëindiging van de registratie niet schriftelijk en gemotiveerd heeft meegedeeld. Hoewel het juist is dat SKJ bij haar initiële besluit heeft nagelaten de gronden te vermelden, heeft SKJ dit later bij brief van 14 mei 2025 alsnog gedaan. Bovendien is [eiser sub 1] c.s. daarbij in de gelegenheid gesteld om zijn ingediende verzoek tot heroverweging aan te vullen. [eiser sub 1] c.s. is daarom niet beperkt in zijn mogelijkheden om verweer te voeren tegen de (gronden van de) beslissing. Voor zover [eiser sub 1] c.s. van mening is dat de inhoud van deze nadere motivering de beslissing niet kan dragen, zal dit in het kader van de heroverweging aan de orde gesteld moeten worden. Deze inhoudelijke toets ligt niet voor in kort geding.
4.8.
[eiser sub 1] c.s. verwijt SKJ in de tweede plaats dat er voorafgaand aan de besluitvorming geen hoor en wederhoor (al dan niet door het in laten dienen van een zienswijze) heeft plaatsgevonden. Dat kan in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. SKJ heeft echter toegelicht waarom zij voor deze gang van zaken heeft gekozen, waarbij de ernst van de fraude-signalen en de gevolgen daarvan voor het verzekeren van de kwaliteit van de hulpverlening aan kwetsbare jeugd een rol speelt. Daarmee heeft zij voldoende aangevoerd ter weerlegging van het standpunt dat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld. Het is om deze reden vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat het besluit in de bodemprocedure zal worden vernietigd.
4.9.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter het gevorderde onder a (te bepalen dat de besluiten buiten werking worden gesteld, althans worden geschorst) niet (op deze grond) zal toewijzen.
[eiser sub 1] c.s. kon een verzoek tot heroverweging indienen
4.10.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser sub 1] c.s. op grond van artikel 17 lid 3 van het Registratiereglement tegen het besluit tot beëindiging van de registratie een verzoek tot heroverweging mocht indienen. Daarin is het volgende bepaald:
“3. Tegen een beslissing van de commissie registratie tot beëindiging van de registratie kan, met uitzondering van beëindiging op grond van een maatregel als bedoeld in lid 1, onderdeel e, een verzoek tot heroverweging worden ingediend, als beschreven in hoofdstuk VI van dit reglement.”
Het verzoek tot heroverweging schorst het besluit
4.11.
Partijen zijn het er niet over eens of het verzoek tot heroverweging schorsende werking heeft ten aanzien van het besluit tot beëindiging van de registratie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat wel zo.
4.12.
In het Registratiereglement is bepaald in welke gevallen een geregistreerde een verzoek tot heroverweging kan indienen, namelijk in geval van een negatieve beslissing op aanvraag tot registratie (artikel 7), bij een negatieve beslissing op de aanvraag tot herregistratie (artikel 14) en in geval van een beslissing tot beëindiging van de registratie (artikel 17) van het Registratiereglement. Dit zijn de enige artikelen in het Registratiereglement waarin is bepaald dat heroverweging kan worden gevraagd. Bij al deze artikelen is verwezen naar hoofdstuk VI van het Registratiereglement. Achter “Hoofdstuk VI” van het Registratiereglement staat vervolgens ‘Verzoek tot heroverweging’. In artikel 19 t/m 24 van dit hoofdstuk is geregeld in welke situaties en onder welke voorwaarden een verzoek kan worden ingediend, alsmede de verdere procedure van het behandelen van dit verzoek.
4.13.
In hoofdstuk VI is in artikel 19 van het Registratiereglement bepaald in welke gevallen een geregistreerde een verzoek tot heroverweging kan indienen. In artikel 19 (lid 1 sub a t/m c) staat echter dat dat mogelijk is na een beslissing op grond van artikel 7 lid 1, 14 lid 1 en artikel 18 lid 3, en dus niet na een beslissing op grond van artikel 17.
4.14.
Met [eiser sub 1] c.s.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt SKJ om binnen 6 uur na betekening van het vonnis de registratie van eisers in het KJ te herstellen en hersteld te houden totdat de commissie heroverweging heeft beslist op het heroverwegingsverzoek van [eiser sub 1] c.s.,
5.2.
veroordeelt SKJ om aan [eiser sub 1] c.s. een dwangsom te betalen van € 500,00 per persoon voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 28.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt SKJ in de proceskosten van € 1.764,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als SKJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt SKJ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.
WD5648
Artikel 5.4.2 lid 1 sub c Besluit Jeugdwet
Artikel 17 Registratiereglement
artikel 5.4.1 Besluit Jeugdwet
Kennelijk wordt dit door [eiser sub 1] c.s. ook niet betwist, gelet op § 3 van de pleitnota waarin hij stelt: “SKJ is gehouden om ook in gevallen waarin onjuistheden worden vermoed zorgvuldig onderzoek te doen (…)”
Algemene-voorwaarden-SKJ-Versie-1.4-01012023.pdf
20171127-Registratiereglement-algemeen.pdf
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/593837 / KG ZA 25-218
Vonnis in kort geding van 17 juni 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiser sub 2],
te [woonplaats 2] ,3. [eiser sub 3],
te [woonplaats 3] ,4. [eiser sub 4],
te [woonplaats 4] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong,
tegen
STICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SKJ,
advocaat: mr. A. Muhammad.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 t/m 7,
- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 11,
- de aanvullende productie 8 en 9 van [eiser sub 1] c.s., - de mondelinge behandeling van 3 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s.,- de pleitnota van SKJ.
2De kern
2.1.
Deze zaak draait in de kern om de vraag of het verzoek tot heroverweging van het besluit tot beëindiging van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het Kwaliteitsregister Jeugd (KJ) schorsende werking heeft. De rechtbank oordeelt dat dat zo is. Hierna volgt de toelichting op dat oordeel.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
Het KJ is een erkend register als bedoeld in artikel 5.2.1 Besluit Jeugdwet, dat door SKJ wordt beheerd op grond van de Jeugdwet. Het KJ is bedoeld voor registratie van beroepsbeoefenaren die minimaal op het niveau van een hogere beroepsopleiding scholing hebben afgerond, die is gericht op het vervullen van een beroep in de jeugdzorg. Beroepsbeoefenaren die niet over een hbo-diploma beschikken, kunnen via een EVC-traject (Erkenning van Verworven Competenties) aantonen dat zij over dezelfde kennis, vaardigheden en competenties beschikken als beroepsbeoefenaren mét een hbo-diploma. Na een succesvolle afronding van het EVC-traject ontvangt de deelnemer een ervaringscertificaat. Daarmee kan de professional geregistreerd worden in het KJ.
3.2.
In de loop van 2024 kreeg SKJ signalen vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van grootschalige fraude met ervaringscertificaten. Dit betekende dat er een risico bestond dat het KJ onbevoegde en onbekwame professionals bevat. Dat was de reden voor SKJ om een steekproefsgewijs onderzoek in gang te zetten naar de jeugdprofessionals die in het KJ geregistreerd staan.
3.3.
SKJ heeft 274 professionals geselecteerd voor een willekeurige steekproef, waaronder [eiser sub 1] c.s. Daarover is [eiser sub 1] c.s. geïnformeerd. Tijdens het onderzoek werden de EVC-dossiers van de geselecteerde professionals doorgelicht. SKJ was van oordeel dat uit het onderzoek bij [eiser sub 1] c.s. zodanig ernstige vermoedens van fraude naar voren kwamen dat SKJ zich genoodzaakt zag om de registratie van [eiser sub 1] c.s. per direct te beëindigen. Daarover is [eiser sub 1] c.s. op de hoogte gesteld. [eiser sub 1] c.s. is het niet eens met het besluit van SKJ. [eiser sub 1] c.s. heeft daarom een verzoek tot heroverweging ingediend bij de commissie heroverweging van SKJ.
3.4.
Niet ter discussie staat dat een zeer zorgelijke situatie ontstaat als fraude wordt gepleegd met diploma’s en EVC’s, zeker als het gaat om het verlenen van zorg aan kwetsbare jeugdigen. In deze zaak is echter niet aan de orde of [eiser sub 1] c.s. fraude heeft gepleegd. Het gaat (enkel) over de vraag of het verzoek tot heroverweging van het besluit tot (onmiddellijke) beëindiging van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ schorsende werking heeft.
Beoordeling
Het oordeel beperkt zich tot een voorlopige voorziening
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser sub 1] c.s. ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eiser sub 1] c.s. heeft een spoedeisend belang
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser sub 1] c.s. voldoende spoedeisend belang, omdat niet is betwist dat [eiser sub 1] c.s. sinds het besluit tot beëindiging van de registratie in het KJ beperkt wordt in zijn werkzaamheden en als gevolg daarvan in zijn mogelijkheden om door middel van werk inkomen te genereren.
SKJ mocht onderzoek doen en is bevoegd te oordelen over (de beëindiging van) registraties in het KJ
4.3.
SKJ is een privaatrechtelijke organisatie die als enige beheerder van het KJ de taak heeft om ervoor zorgen dat de registratie en herregistratie van jeugdprofessionals op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Zij moet ervoor zorgen dat in het KJ enkel beroepsbeoefenaren staan die minimaal hbo-niveau of een vergelijkbaar niveau hebben. Aangezien er concrete en ernstige signalen zijn dat er onbevoegde personen in het KJ staan geregistreerd, was SKJ naar het oordeel van de voorzieningenrechter als beheerder bevoegd om onderzoek te verrichten.
4.4.
Wordt fraude geconstateerd dan kan SKJ een maatregel toepassen, waaronder het doorhalen van de registratie. SKJ hanteert daarnaast algemene voorwaarden. In artikel 18 van de algemene voorwaarden is bepaald dat SKJ bevoegd is de registratie van een jeugdprofessional in het KJ door te halen als zij constateert dat er (mogelijk) sprake is van fraude. In artikel 17 van het Registratiereglement van 27 november 2027 (Registratiereglement) is deze beëindigingsmogelijkheid nader uitgewerkt:
“Artikel 17 Beëindiging registratie
1. De registratie wordt door de commissie registratie beëindigd als:
c) aan de aanvraag tot registratie onjuiste of onvolledige informatie ten grondslag heeft gelegen, waarvan de geregistreerde wist of behoorde te weten dat, indien de onjuistheid of ontbrekende gegevens bij de beslissing tot registratie bekend waren geweest, de aanvraag niet zou zijn ingewilligd.”
Op grond van de algemene voorwaarden en het Registratiereglement is SKJ dus bevoegd beslissingen te nemen over de beëindiging van registraties in het KJ.
Onvoldoende aannemelijk dat het besluit tot beëindiging van de registratie nietig of vernietigbaar is
4.5.
SKJ heeft bij besluit van 16 april 2025 de registratie van [eiser sub 1] c.s. beëindigd op grond van artikel 18 van de algemene voorwaarden en artikel 17 lid 1 sub c van het Registratiereglement.
4.6.
[eiser sub 1] c.s. stelt zich primair op het standpunt dat dit besluit nietig dan wel vernietigbaar is en om die reden buiten werking moet worden gesteld. Volgens [eiser sub 1] c.s. heeft SKJ namelijk zodanig onzorgvuldig gehandeld, dat beëindiging van de registratie nooit had mogen plaatsvinden.
4.7.
[eiser sub 1] c.s. verwijt SKJ in de eerste plaats dat zij in strijd met artikel 17 lid 2 van het Registratiereglement de beslissing tot beëindiging van de registratie niet schriftelijk en gemotiveerd heeft meegedeeld. Hoewel het juist is dat SKJ bij haar initiële besluit heeft nagelaten de gronden te vermelden, heeft SKJ dit later bij brief van 14 mei 2025 alsnog gedaan. Bovendien is [eiser sub 1] c.s. daarbij in de gelegenheid gesteld om zijn ingediende verzoek tot heroverweging aan te vullen. [eiser sub 1] c.s. is daarom niet beperkt in zijn mogelijkheden om verweer te voeren tegen de (gronden van de) beslissing. Voor zover [eiser sub 1] c.s. van mening is dat de inhoud van deze nadere motivering de beslissing niet kan dragen, zal dit in het kader van de heroverweging aan de orde gesteld moeten worden. Deze inhoudelijke toets ligt niet voor in kort geding.
4.8.
[eiser sub 1] c.s. verwijt SKJ in de tweede plaats dat er voorafgaand aan de besluitvorming geen hoor en wederhoor (al dan niet door het in laten dienen van een zienswijze) heeft plaatsgevonden. Dat kan in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. SKJ heeft echter toegelicht waarom zij voor deze gang van zaken heeft gekozen, waarbij de ernst van de fraude-signalen en de gevolgen daarvan voor het verzekeren van de kwaliteit van de hulpverlening aan kwetsbare jeugd een rol speelt. Daarmee heeft zij voldoende aangevoerd ter weerlegging van het standpunt dat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld. Het is om deze reden vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat het besluit in de bodemprocedure zal worden vernietigd.
4.9.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter het gevorderde onder a (te bepalen dat de besluiten buiten werking worden gesteld, althans worden geschorst) niet (op deze grond) zal toewijzen.
[eiser sub 1] c.s. kon een verzoek tot heroverweging indienen
4.10.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser sub 1] c.s. op grond van artikel 17 lid 3 van het Registratiereglement tegen het besluit tot beëindiging van de registratie een verzoek tot heroverweging mocht indienen. Daarin is het volgende bepaald:
“3. Tegen een beslissing van de commissie registratie tot beëindiging van de registratie kan, met uitzondering van beëindiging op grond van een maatregel als bedoeld in lid 1, onderdeel e, een verzoek tot heroverweging worden ingediend, als beschreven in hoofdstuk VI van dit reglement.”
Het verzoek tot heroverweging schorst het besluit
4.11.
Partijen zijn het er niet over eens of het verzoek tot heroverweging schorsende werking heeft ten aanzien van het besluit tot beëindiging van de registratie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat wel zo.
4.12.
In het Registratiereglement is bepaald in welke gevallen een geregistreerde een verzoek tot heroverweging kan indienen, namelijk in geval van een negatieve beslissing op aanvraag tot registratie (artikel 7), bij een negatieve beslissing op de aanvraag tot herregistratie (artikel 14) en in geval van een beslissing tot beëindiging van de registratie (artikel 17) van het Registratiereglement. Dit zijn de enige artikelen in het Registratiereglement waarin is bepaald dat heroverweging kan worden gevraagd. Bij al deze artikelen is verwezen naar hoofdstuk VI van het Registratiereglement. Achter “Hoofdstuk VI” van het Registratiereglement staat vervolgens ‘Verzoek tot heroverweging’. In artikel 19 t/m 24 van dit hoofdstuk is geregeld in welke situaties en onder welke voorwaarden een verzoek kan worden ingediend, alsmede de verdere procedure van het behandelen van dit verzoek.
4.13.
In hoofdstuk VI is in artikel 19 van het Registratiereglement bepaald in welke gevallen een geregistreerde een verzoek tot heroverweging kan indienen. In artikel 19 (lid 1 sub a t/m c) staat echter dat dat mogelijk is na een beslissing op grond van artikel 7 lid 1, 14 lid 1 en artikel 18 lid 3, en dus niet na een beslissing op grond van artikel 17.
4.14.
Met [eiser sub 1] c.s.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt SKJ om binnen 6 uur na betekening van het vonnis de registratie van eisers in het KJ te herstellen en hersteld te houden totdat de commissie heroverweging heeft beslist op het heroverwegingsverzoek van [eiser sub 1] c.s.,
5.2.
veroordeelt SKJ om aan [eiser sub 1] c.s. een dwangsom te betalen van € 500,00 per persoon voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 28.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt SKJ in de proceskosten van € 1.764,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als SKJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt SKJ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.
WD5648
Artikel 5.4.2 lid 1 sub c Besluit Jeugdwet
Artikel 17 Registratiereglement
artikel 5.4.1 Besluit Jeugdwet
Kennelijk wordt dit door [eiser sub 1] c.s. ook niet betwist, gelet op § 3 van de pleitnota waarin hij stelt: “SKJ is gehouden om ook in gevallen waarin onjuistheden worden vermoed zorgvuldig onderzoek te doen (…)”
Algemene-voorwaarden-SKJ-Versie-1.4-01012023.pdf
20171127-Registratiereglement-algemeen.pdf
Beoordeling
is de voorzieningenrechter van oordeel dat hier sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving, in die zin dat in artikel 19 lid 1 sub c beoogd is te verwijzen naar artikel 17 lid 3 (in plaats van naar artikel 18 lid 3). De uitleg die SKJ geeft en die inhoudt dat de verwijzing naar artikel 18 wel juist is, vindt de voorzieningenrechter onnavolgbaar. Artikel 18 gaat namelijk over beëindiging van de registratie op verzoek van de geregistreerde zelf. Het ligt niet in de rede dat dit verzoek niet gehonoreerd wordt en tegen het wel honoreren zal de geregistreerde geen bezwaar hebben. Artikel 18 lid 3 bepaalt vervolgens dat in het geval een verzoek tot beëindiging te laat is ingediend door de geregistreerde, de betalingsplicht van de registratiekosten voor dat registratiejaar blijft bestaan. Volgens SKJ moet de verwijzing naar artikel 18 lid 3 in artikel 19 lid 1 sub c zo worden uitgelegd, dat de verzoeker tegen het gevolg van een te laat ingediend verzoek - namelijk betaling van de registratiekosten - een verzoek tot heroverweging kan indienen. In artikel 18 is echter, anders dan in artikel 7, 14 en 17 van het Registratiereglement, niet bepaald dat een verzoek tot heroverweging kan worden ingediend en wordt ook niet verwezen naar hoofdstuk VI. Ook is in artikel 18 lid 3 (anders dan in artikel 17 lid 4 is geregeld voor de registratiekosten bij beëindiging van de registratie die niet op verzoek heeft plaatsgevonden) niet sprake van een ‘beslissing’ ten aanzien van de kosten, maar van direct aan te late indiening van een verzoek verbonden gevolgen ten aanzien van de kosten. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat met artikel 19 beoogd is een opsomming te geven van de in het Registratiereglement expliciet (en enige) geregelde gevallen waarin een verzoek tot heroverweging kan worden ingediend. Aangezien artikel 18 niet voorziet in de mogelijkheid een verzoek tot heroverweging in te dienen, en artikel 17 wel, kan het niet anders dan dat er sprake is van een kennelijke verschrijving.
4.15.
Artikel 19 lid 4 van het Registratiereglement bepaalt vervolgens dat een verzoek tot heroverweging na een beslissing tot beëindiging van de (her)registratie als bedoeld onder lid 1 sub c, de werking van de beslissing waartegen het gericht is schorst. Deze uitleg brengt met zich mee dat in het reglement specifiek is voorzien in schorsende werking van het verzoek in deze situatie. Het Registratiereglement voorziet niet in een belangenafweging op grond waarvan kan worden besloten dat een besluit geen schorsende werking heeft.
4.16.
Het voorgaande betekent dat het indienen van de verzoeken tot heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter schorsende werking heeft van de besluiten tot beëindiging van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ, totdat de commissie heroverweging heeft beslist op het heroverwegingsverzoek van [eiser sub 1] c.s. Voor zover [eiser sub 1] c.s. bedoeld heeft dit ten grondslag te leggen aan de vordering onder a en in feite een verklaring voor recht vordert, zal dit worden afgewezen, omdat een kort geding zich daarvoor niet leent. Op grond van het gevorderde onder b zal de voorzieningenrechter SKJ wel veroordelen binnen 6 uur na betekening van dit vonnis de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ te herstellen.
Aan de veroordeling wordt een dwangsom verbonden
4.17.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de gevraagde dwangsommen van € 500,- per persoon per dag in verband met het herstellen van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ (totdat er is beslist door de commissie heroverweging op de heroverwegingsverzoeken) toe te wijzen. [eiser sub 1] c.s. heeft bij de door hem gevorderde dwangsom geen maximum genoemd. De voorzieningenrechter zal daarom zelf een maximumbedrag aan de dwangsom koppelen en vindt een maximale dwangsom van € 28.000,- redelijk.
Proceskosten
4.18.
SKJ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.764,04
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beoordeling
is de voorzieningenrechter van oordeel dat hier sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving, in die zin dat in artikel 19 lid 1 sub c beoogd is te verwijzen naar artikel 17 lid 3 (in plaats van naar artikel 18 lid 3). De uitleg die SKJ geeft en die inhoudt dat de verwijzing naar artikel 18 wel juist is, vindt de voorzieningenrechter onnavolgbaar. Artikel 18 gaat namelijk over beëindiging van de registratie op verzoek van de geregistreerde zelf. Het ligt niet in de rede dat dit verzoek niet gehonoreerd wordt en tegen het wel honoreren zal de geregistreerde geen bezwaar hebben. Artikel 18 lid 3 bepaalt vervolgens dat in het geval een verzoek tot beëindiging te laat is ingediend door de geregistreerde, de betalingsplicht van de registratiekosten voor dat registratiejaar blijft bestaan. Volgens SKJ moet de verwijzing naar artikel 18 lid 3 in artikel 19 lid 1 sub c zo worden uitgelegd, dat de verzoeker tegen het gevolg van een te laat ingediend verzoek - namelijk betaling van de registratiekosten - een verzoek tot heroverweging kan indienen. In artikel 18 is echter, anders dan in artikel 7, 14 en 17 van het Registratiereglement, niet bepaald dat een verzoek tot heroverweging kan worden ingediend en wordt ook niet verwezen naar hoofdstuk VI. Ook is in artikel 18 lid 3 (anders dan in artikel 17 lid 4 is geregeld voor de registratiekosten bij beëindiging van de registratie die niet op verzoek heeft plaatsgevonden) niet sprake van een ‘beslissing’ ten aanzien van de kosten, maar van direct aan te late indiening van een verzoek verbonden gevolgen ten aanzien van de kosten. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat met artikel 19 beoogd is een opsomming te geven van de in het Registratiereglement expliciet (en enige) geregelde gevallen waarin een verzoek tot heroverweging kan worden ingediend. Aangezien artikel 18 niet voorziet in de mogelijkheid een verzoek tot heroverweging in te dienen, en artikel 17 wel, kan het niet anders dan dat er sprake is van een kennelijke verschrijving.
4.15.
Artikel 19 lid 4 van het Registratiereglement bepaalt vervolgens dat een verzoek tot heroverweging na een beslissing tot beëindiging van de (her)registratie als bedoeld onder lid 1 sub c, de werking van de beslissing waartegen het gericht is schorst. Deze uitleg brengt met zich mee dat in het reglement specifiek is voorzien in schorsende werking van het verzoek in deze situatie. Het Registratiereglement voorziet niet in een belangenafweging op grond waarvan kan worden besloten dat een besluit geen schorsende werking heeft.
4.16.
Het voorgaande betekent dat het indienen van de verzoeken tot heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter schorsende werking heeft van de besluiten tot beëindiging van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ, totdat de commissie heroverweging heeft beslist op het heroverwegingsverzoek van [eiser sub 1] c.s. Voor zover [eiser sub 1] c.s. bedoeld heeft dit ten grondslag te leggen aan de vordering onder a en in feite een verklaring voor recht vordert, zal dit worden afgewezen, omdat een kort geding zich daarvoor niet leent. Op grond van het gevorderde onder b zal de voorzieningenrechter SKJ wel veroordelen binnen 6 uur na betekening van dit vonnis de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ te herstellen.
Aan de veroordeling wordt een dwangsom verbonden
4.17.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de gevraagde dwangsommen van € 500,- per persoon per dag in verband met het herstellen van de registratie van [eiser sub 1] c.s. in het KJ (totdat er is beslist door de commissie heroverweging op de heroverwegingsverzoeken) toe te wijzen. [eiser sub 1] c.s. heeft bij de door hem gevorderde dwangsom geen maximum genoemd. De voorzieningenrechter zal daarom zelf een maximumbedrag aan de dwangsom koppelen en vindt een maximale dwangsom van € 28.000,- redelijk.
Proceskosten
4.18.
SKJ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.764,04
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.