Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2025:4441
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,926 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2327
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.G. van den Heuvel),
en
Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ
(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).
Inleiding
1. In het besluit van 31 maart 2025 heeft het CIZ de aanvraag van verzoeker om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat de veiligheid van verzoeker en zijn vrouw in het geding is. Verzoeker is bekend met chronische ziektebeelden in combinatie met agressieregulatieproblematiek en suïcidaliteit. Zijn vrouw is niet meer in staat om de zorg voor verzoeker thuis te dragen. De Wmo-voorziening is ontoereikend. In afwachting van de behandeling van zijn bezwaar verzoekt verzoeker om een passende en verantwoorde (woon)overbrugging in de vorm van een beschermd wonen plek.
5. De griffier heeft verzoeker op 7 april 2025 per post en per e-mail verzocht om nader toe te lichten of voor verzoeker door afwijzing van de Wlz-aanvraag zo’n ernstige situatie dreigt te ontstaan dat het niet mogelijk is om de behandeling van de bezwaarprocedure af te wachten en waarom. Ook heeft de griffier gevraagd of verzoeker heeft gekeken naar andere (tijdelijke) oplossingen om de tijd totdat is beslist op het bezwaar te overbruggen. De griffier heeft verzoeker verzocht om binnen één week na verzending te reageren. Tot op heden heeft verzoeker hierop, zonder opgaaf van reden, niet gereageerd.
6. Zonder nadere toelichting van verzoeker is niet onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Niet onderbouwd of gebleken is dat door afwijzing van de Wlz-aanvraag voor verzoeker zo’n ernstige situatie dreigt te ontstaan dat de behandeling van het bezwaar niet kan worden afgewacht. Verzoeker en zijn vrouw ontvangen kennelijk hulpverlening vanuit de Wmo. Dat deze hulp ontoereikend is en ook niet (eventueel tijdelijk) geïntensiveerd kan worden vanwege de huidige situatie van verzoeker, is niet gesteld of gebleken. Ook is niet gesteld of gebleken dat er geen alternatieve oplossingen zijn om de periode totdat op het bezwaar is beslist te overbruggen. De voorzieningenrechter kan dan niet vaststellen dat sprake is van een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Evident onrechtmatig
7. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het CIZ ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in stand zal blijven.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat de aanvraag om Wlz-zorg door het CIZ is afgewezen op basis van een medisch advies van een medisch adviseur van 31 maart 2025. In dit medisch advies is op basis van de medische gegevens van verzoeker beargumenteerd waarom verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor Wlz-zorg.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van wat is aangevoerd niet zonder meer geoordeeld kan worden dat het CIZ zich bij de afwijzing van de aanvraag van verzoeker niet heeft kunnen baseren op het medisch advies van de medisch adviseur. Verzoeker heeft in bezwaar gesteld dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, maar hij heeft geen (medische) informatie overgelegd ter weerlegging van het medisch advies. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet evident is dat het primaire besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
10. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het primaire besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Conclusie
12. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2327
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.G. van den Heuvel),
en
Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ
(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).
Inleiding
1. In het besluit van 31 maart 2025 heeft het CIZ de aanvraag van verzoeker om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat de veiligheid van verzoeker en zijn vrouw in het geding is. Verzoeker is bekend met chronische ziektebeelden in combinatie met agressieregulatieproblematiek en suïcidaliteit. Zijn vrouw is niet meer in staat om de zorg voor verzoeker thuis te dragen. De Wmo-voorziening is ontoereikend. In afwachting van de behandeling van zijn bezwaar verzoekt verzoeker om een passende en verantwoorde (woon)overbrugging in de vorm van een beschermd wonen plek.
5. De griffier heeft verzoeker op 7 april 2025 per post en per e-mail verzocht om nader toe te lichten of voor verzoeker door afwijzing van de Wlz-aanvraag zo’n ernstige situatie dreigt te ontstaan dat het niet mogelijk is om de behandeling van de bezwaarprocedure af te wachten en waarom. Ook heeft de griffier gevraagd of verzoeker heeft gekeken naar andere (tijdelijke) oplossingen om de tijd totdat is beslist op het bezwaar te overbruggen. De griffier heeft verzoeker verzocht om binnen één week na verzending te reageren. Tot op heden heeft verzoeker hierop, zonder opgaaf van reden, niet gereageerd.
6. Zonder nadere toelichting van verzoeker is niet onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Niet onderbouwd of gebleken is dat door afwijzing van de Wlz-aanvraag voor verzoeker zo’n ernstige situatie dreigt te ontstaan dat de behandeling van het bezwaar niet kan worden afgewacht. Verzoeker en zijn vrouw ontvangen kennelijk hulpverlening vanuit de Wmo. Dat deze hulp ontoereikend is en ook niet (eventueel tijdelijk) geïntensiveerd kan worden vanwege de huidige situatie van verzoeker, is niet gesteld of gebleken. Ook is niet gesteld of gebleken dat er geen alternatieve oplossingen zijn om de periode totdat op het bezwaar is beslist te overbruggen. De voorzieningenrechter kan dan niet vaststellen dat sprake is van een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Evident onrechtmatig
7. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het CIZ ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in stand zal blijven.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat de aanvraag om Wlz-zorg door het CIZ is afgewezen op basis van een medisch advies van een medisch adviseur van 31 maart 2025. In dit medisch advies is op basis van de medische gegevens van verzoeker beargumenteerd waarom verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor Wlz-zorg.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van wat is aangevoerd niet zonder meer geoordeeld kan worden dat het CIZ zich bij de afwijzing van de aanvraag van verzoeker niet heeft kunnen baseren op het medisch advies van de medisch adviseur. Verzoeker heeft in bezwaar gesteld dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, maar hij heeft geen (medische) informatie overgelegd ter weerlegging van het medisch advies. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet evident is dat het primaire besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
10. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het primaire besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Conclusie
12. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.