Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:4439
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,374 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2708
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoekster]
, uit [woonplaats] , verzoekster
en
Onbekende verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster op 25 april 2025 heeft ingediend.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter nodigt verzoekster niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen. Daardoor kan de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk behandelen. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom.
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet een kopie van het besluit en de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
4. De griffier heeft verzoekster op 28 april 2025 met een aangetekende brief gevraagd om binnen één week een kopie te overleggen van het besluit waar zij het niet mee eens is en de gronden van het verzoek in te dienen. Volgens de bijbehorende track&trace gegevens van PostNL is deze brief op 29 april 2025 bezorgd en is voor ontvangst getekend. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat de brief door verzoekster is ontvangen.
5. Verzoekster heeft binnen die termijn niet gereageerd. Verzoekster heeft daar geen reden voor gegeven.
6. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak doen over het verzoek. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.
Dit staat in artikel 8:83 van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2708
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoekster]
, uit [woonplaats] , verzoekster
en
Onbekende verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster op 25 april 2025 heeft ingediend.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter nodigt verzoekster niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen. Daardoor kan de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk behandelen. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom.
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet een kopie van het besluit en de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
4. De griffier heeft verzoekster op 28 april 2025 met een aangetekende brief gevraagd om binnen één week een kopie te overleggen van het besluit waar zij het niet mee eens is en de gronden van het verzoek in te dienen. Volgens de bijbehorende track&trace gegevens van PostNL is deze brief op 29 april 2025 bezorgd en is voor ontvangst getekend. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat de brief door verzoekster is ontvangen.
5. Verzoekster heeft binnen die termijn niet gereageerd. Verzoekster heeft daar geen reden voor gegeven.
6. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak doen over het verzoek. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.
Dit staat in artikel 8:83 van de Awb.