Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-12
ECLI:NL:RBMNE:2025:4393
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,670 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.267240.24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] ,
hierna: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 november 2024, 6 februari 2025 en 26 februari 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.P. Altena en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.G. Roethof, advocaat in Arnhem, en de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 15 juli 2024 in Bilthoven, samen met een ander, met geweld een portemonnee met inhoud heeft gestolen van [slachtoffer] .
3VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring.
4.3
Beoordeling
Het ten laste gelegde feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en de raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2025;
de aangifte van 15 juli 2024 van [slachtoffer] , pagina 19 tot en met 22;
de geneeskundige verklaring naar aanleiding van het onderzoek van [slachtoffer] op 16 juli 2024, pagina 179.
Nadere overweging met betrekking tot het geldbedrag
De aangever heeft wisselend verklaard over het geldbedrag dat in zijn portemonnee zou hebben gezeten. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat het een bedrag van ongeveer € 550,- is geweest.
Aangever heeft bij zijn aangifte op 15 juli 2024 direct verklaard dat hij die dag in Utrecht tussen 16:21 uur en 16:42 uur 3 maal een bedrag van € 200,- heeft gepind (pagina 19) en deze verklaring wordt bevestigd door de bankafschriften (pagina 180 tot en met 182). Verder heeft aangever op 16 juli 2024 verklaard dat hij het gepinde geld in bankbiljetten van € 50,- heeft ontvangen (pagina 28), dat hij 1 biljet van € 50,- heeft ingewisseld in 2 euro munten, dat hij daarvan een paar munten heeft overgehouden en dat er een aantal 2 euromunten in de centrale hal bij zijn woning zijn teruggevonden nadat de mannen die bij het wegrennen mogelijk waren verloren (pagina 29). Ook is van belang dat verdachte op de zitting heeft verklaard dat er ongeveer € 500,- is buit gemaakt.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om ervan uit te gaan dat er ook een geldbedrag van € 550,- in de portemonnee zat vanwege het terugbrengen van een huurauto, omdat aangever op deze verklaring (pagina 29) later is teruggekomen (pagina 176).
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 15 juli 2024 te Bilthoven, gemeente De Bilt,
tezamen en in vereniging met een ander, een portemonnee, met daarin een geldbedrag van ongeveer 550 euro en eenrijbewijs en een zorgpas en een pasje van de Albert Heijn en/of eenbonuskaart, dat/die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeldvan geweld tegen [slachtoffer] , gepleegdmet het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer] meerdere malen, te slaan en te schoppenen te schreeuwen naar die [slachtoffer] dat hij zijn zakken moest leegmaken.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van 203 dagen, met aftrek van het voorarrest.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat er nog een hoger beroep loopt tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam om de tbs met voorwaarden om te zetten in tbs met dwangverpleging. Als de omzettingsbeslissing in stand blijft, is het van belang dat verdachte zo snel mogelijk in een kliniek kan worden behandeld. De verdediging kan zich daarom vinden in het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van ruim 200 dagen.
8.3
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft, samen met een ander, een slechtziende man van 74 jaar gevolgd toen die vanuit het casino in Utrecht terugkeerde naar zijn huis in Bilthoven. Vlak voor de woning hebben verdachte en de mededader hem beroofd van zijn portemonnee, terwijl het slachtoffer daarbij letsel heeft opgelopen doordat hij is geslagen, geschopt en ten val gekomen.
Daarbij heeft verdachte zich laten leiden door financieel gewin en heeft hij geen enkel respect getoond voor het slachtoffer. Uit de onderbouwing van het verzoek om schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer zich door de beroving angstig en onveilig voelt en dat dit negatieve gevolgen heeft voor zijn dagelijks leven en de algehele kwaliteit van leven.
Uitganspunt voor de strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Bij de raadpleging van de oriëntatiepunten vormt de bewezenverklaring van de rechtbank het uitgangspunt. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging en recidive is een gevangenisstraf van 8 maanden.
De persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- een uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 8 oktober 2024.
Het strafblad leidt tot verhoging van de straf omdat daaruit blijkt dat sprake is van recidive.
Verder is strafverzwarend dat sprake is geweest van een samenwerking met de mededader, dat het slachtoffer kwetsbaar was en is gevolgd tot in het trappenhuis dat toegang gaf tot zijn woning.
De rechtbank ziet als verzachtende omstandigheid dat verdachte op de zitting alsnog een volledige bekentenis heeft afgelegd, de verantwoordelijkheid heeft genomen voor het gepleegde delict en zijn verontschuldigingen heeft aangeboden aan het slachtoffer.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte op 15 december 2022 tbs met voorwaarden is opgelegd, dat de rechtbank Amsterdam op 11 september 2024 de tbs met voorwaarden heeft omgezet in tbs met dwangverpleging en dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 februari 2025 het hoger beroep tegen de omzettingsbeslissing op de zitting heeft behandeld.
Verdachte woonde tot zijn arrestatie in het kader van de tbs met voorwaarden bij 24-uurs begeleid wonen [instelling] in Utrecht en was onder behandeling bij [instelling] .
De straf
De rechtbank is op basis van alle weergegeven feiten en omstandigheden, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat een gevangenisstraf van 204 dagen passend en geboden is. Dat is gelijk aan de periode die verdachte tot de datum van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom de voorlopige hechtenis opheffen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van deze straf meegewogen dat verdachte na zijn detentie niet zonder strafrechtelijk kader zal terugkeren in de maatschappij. In het geval waarin het gerechtshof de omzettingsbeslissing van de rechtbank Amsterdam heeft bevestigd, wordt dit kader gevormd door de tbs met dwangverpleging. In het geval waarin het gerechtshof de omzettingsbeslissing niet in stand laat, wordt dit kader gevormd door de dan weer geldende voorwaardelijke tbs.
9BENADEELDE PARTIJ
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van in totaal € 4.810,03. Dit bedrag bestaat uit € 2.310,03 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
Volgens de officier van justitie kan de benadeelde partij een schadevergoeding van in totaal € 4.610,03 worden toegekend omdat het gestolen geldbedrag niet € 1.300,- maar € 1.100, - bedroeg.
De raadsman heeft bepleit dat bij het toekennen wordt uitgegaan van het gestolen geldbedrag van € 550,-, voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.2
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank bepaalt de materiële schade, voor zover die betrekking heeft op het weggenomen geldbedrag, op € 550,-, zoals hiervoor is overwogen, de kosten van reparatie van de bril van op € 50,- en kosten van de tandarts op € 960,03, zoals onderbouwd in het verzoek. Dit betekent dat een bedrag van in totaal € 1.560,03 voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 1.560,03 toewijzen.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde afwijzen omdat niet is bewezen dat een hoger geldbedrag is gestolen.
Immateriële schade
De rechtbank overweegt dat ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder nadere onderbouwing alleen kan worden aangenomen als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de hand liggen. De rechtbank oordeelt dat dit zich hier voor doet en dat een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding van € 2.500,- op zijn plaats is.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toe te kennen schadevergoeding vanaf 15 juli 2024 toewijzen tot de dag van volledige betaling.
Hoofdelijkheid
Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.
Proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van in totaal € 4.060,03, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 50 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook als betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 204 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partij
wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van in totaal € 4.060,03, bestaande uit € 1.560,03 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade;
veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
wijst de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde af;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 4.060,03 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 50 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Voorlopige hechtenis
- heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. K. de Meulder en A.M.M. Lemmen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 maart 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 juli 2024 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans inNederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een portemonnee, (met daarin) een geldbedrag van ongeveer 1300 euro en/of eenrijbewijs en/of een zorgpas en/of een pasje van de Albert Heijn en/of eenbonuskaart, in elk geval enig geldbedrag en/of enig goed, dat/die geheel of ten deleaan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijnmededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezelden/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegdmet het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om,bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijfhetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal te slaan en/of te schoppenen/of te schreeuwen naar die [slachtoffer] dat hij zijn zakken moest leegmaken
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )