Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-26
ECLI:NL:RBMNE:2025:3869
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5281
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2025 in de zaak tussen
[bewindvoerder] , in de hoedanigheid van bewindvoerder van [eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college
(gemachtigde: mr. N. Doran).
Inleiding en procesverloop
1. Met het besluit van 2 juni 2022 heeft het college eiser een maatwerkvoorziening toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor ‘Begeleiding individueel’ met als specificatie ‘Begeleiding Zwaarte 2’. Het college heeft deze voorziening toegekend voor de periode van 11 april 2022 tot en met 10 april 2023 voor 180 minuten per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) met een uurtarief van € 63,-.
1.1.
Eiser heeft op 3 april 2023 een aanvraag ingediend om verlenging van deze voorziening.
1.2.
Met het besluit van 7 december 2023 heeft het college aan eiser een maatwerkvoorziening ‘PGB traject 2 individuele begeleiding’ toegekend voor de periode van 11 april 2023 tot en met 30 april 2024. Deze voorziening is toegekend voor 150 minuten per week, in de vorm van een pgb met een uurtarief van € 47,43. In dit besluit heeft het college aangegeven dat eisers zorgaanbieder niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen van de gemeente om voor een formeel tarief in aanmerking te komen. Het college stelt de zorgaanbieder in de gelegenheid om aan de huidige kwaliteitseisen te voldoen door het volgen van een EVC-traject. Mocht bij een volgende verlenging blijken dat de zorgaanbieder nog steeds niet voldoet aan de kwaliteitseisen dan is het college genoodzaakt om eiser te adviseren om voor een zorgaanbieder te kiezen die daaraan wel voldoet. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2. Met het besluit van 25 juni 2024 heeft het college het bezwaar van eiser – onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie – ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit van 25 juni 2024 beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, de partner van eiser mevrouw [A] en mevrouw [zorgverlener] van [organisatie] (hierna: de zorgverlener).
Beoordeling
4. Eiser is het niet eens met het uurtarief dat het college heeft toegekend met het besluit van 7 december 2023. Zijn zorgverlener verleent al jaren haar diensten tegen het formele uurtarief. Het college heeft kennelijk op enig moment de kwaliteitseisen aangepast maar heeft geen moeite gedaan om eiser en zijn zorgverlener daarvan op de hoogte te stellen en aan te geven wat er wordt verwacht. Eiser heeft sinds de begeleiding door deze zorgverlener een ontwikkeling laten zien en hij heeft belang bij continuïteit van de begeleiding voor hemzelf en voor het gezinssysteem. Eiser wil vanaf 1 mei 2024 in aanmerking komen voor het formele uurtarief.
5. De rechtbank beoordeelt allereerst of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
6. Volgens vaste rechtspraak is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
7. De rechtbank oordeelt dat in dit geval geen sprake is van procesbelang. Hiervoor is van belang dat dit geschil gaat over een afgesloten periode in het verleden. Ter zitting is komen vast te staan dat het college in de gehele te beoordelen periode (van 11 april 2023 tot en met 30 april 2024), overeenkomstig eisers wens, het formele uurtarief van € 47,43 heeft toegekend. Dit tarief is het uurtarief voor formele zorgaanbieders dat hoort bij de aan eiser toegekende maatwerkvoorziening ‘PGB traject 2 individuele begeleiding’. Dit volgt uit het Financieel Besluit Wmo 2023 gemeente Almere . Niet is gebleken dat eiser in de periode van 11 april 2023 tot en met 30 april 2024 zijn zorgverlener meer heeft moeten betalen dan het uurtarief van € 47,43. Niet aannemelijk is dus dat eiser schade heeft geleden.
8. Het college heeft inmiddels op 12 augustus 2024 twee besluiten genomen waarbij aan eiser de voorziening ‘Begeleiding individueel PGB informeel’ is toegekend voor de periode van 1 mei 2024 tot en met 31 juli 2024 en voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 30 april 2026. Deze voorziening is toegekend tegen het informele uurtarief van € 23,86. Als eiser vindt dat het college hem vanaf 1 mei 2024 het formele tarief had moeten toekennen zal hij dat in een procedure tegen die besluiten aan moeten voeren.
9. De rechtbank heeft tijdens de zitting nog de vraag opgeworpen of de passage in het besluit van 7 december 2023 zoals hiervoor onder 1.2 is weergegeven op rechtsgevolg is gericht. Het college stelt zich op het standpunt dat dit niet zo is en dat dit rechtsgevolg pas is ingegaan met de besluiten van 12 augustus 2024 die zien op de periode vanaf 1 mei 2024. De gemachtigde van eiser stelt zich op het standpunt dat deze passage wel op rechtsgevolg is gericht; eisers zorgverlener is het hier immers niet mee eens.
10. De rechtbank oordeelt dat deze passage niet (direct) op rechtsgevolg is gericht en verwijst daarbij naar rechtspraak van de CRvB. In het besluit van 7 december 2023 legt het college uit dat eisers zorgaanbieder op dat moment niet (meer) voldoet aan de kwaliteitseisen om voor een formeel tarief in aanmerking te komen. Die mededeling verandert op dat moment nog niets aan eisers rechtspositie. Met deze mededeling in het besluit van 7 december 2023 loopt het college vooruit op een beslissing op een aanvraag om verlenging van de maatwerkvoorziening in de toekomst. Het college zal dan pas beoordelen of eisers zorgverlener voldoet aan de eis dat zij een EVC-traject moet volgen.
11. Het college heeft dit inmiddels gedaan met zijn besluiten van 12 augustus 2024. Eiser zal dus in een bezwaarprocedure tegen deze besluiten de door het college gestelde kwaliteitseisen en de vraag of zijn zorgverlener voldoende tijd heeft gehad om daaraan te voldoen, ter discussie moeten stellen. De rechtbank komt daar in deze procedure niet aan toe.
Conclusie
12. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bv de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2477.
Zie de uitspraak van 8 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:939.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5281
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2025 in de zaak tussen
[bewindvoerder] , in de hoedanigheid van bewindvoerder van [eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college
(gemachtigde: mr. N. Doran).
Inleiding en procesverloop
1. Met het besluit van 2 juni 2022 heeft het college eiser een maatwerkvoorziening toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor ‘Begeleiding individueel’ met als specificatie ‘Begeleiding Zwaarte 2’. Het college heeft deze voorziening toegekend voor de periode van 11 april 2022 tot en met 10 april 2023 voor 180 minuten per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) met een uurtarief van € 63,-.
1.1.
Eiser heeft op 3 april 2023 een aanvraag ingediend om verlenging van deze voorziening.
1.2.
Met het besluit van 7 december 2023 heeft het college aan eiser een maatwerkvoorziening ‘PGB traject 2 individuele begeleiding’ toegekend voor de periode van 11 april 2023 tot en met 30 april 2024. Deze voorziening is toegekend voor 150 minuten per week, in de vorm van een pgb met een uurtarief van € 47,43. In dit besluit heeft het college aangegeven dat eisers zorgaanbieder niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen van de gemeente om voor een formeel tarief in aanmerking te komen. Het college stelt de zorgaanbieder in de gelegenheid om aan de huidige kwaliteitseisen te voldoen door het volgen van een EVC-traject. Mocht bij een volgende verlenging blijken dat de zorgaanbieder nog steeds niet voldoet aan de kwaliteitseisen dan is het college genoodzaakt om eiser te adviseren om voor een zorgaanbieder te kiezen die daaraan wel voldoet. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2. Met het besluit van 25 juni 2024 heeft het college het bezwaar van eiser – onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie – ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit van 25 juni 2024 beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, de partner van eiser mevrouw [A] en mevrouw [zorgverlener] van [organisatie] (hierna: de zorgverlener).
Beoordeling
4. Eiser is het niet eens met het uurtarief dat het college heeft toegekend met het besluit van 7 december 2023. Zijn zorgverlener verleent al jaren haar diensten tegen het formele uurtarief. Het college heeft kennelijk op enig moment de kwaliteitseisen aangepast maar heeft geen moeite gedaan om eiser en zijn zorgverlener daarvan op de hoogte te stellen en aan te geven wat er wordt verwacht. Eiser heeft sinds de begeleiding door deze zorgverlener een ontwikkeling laten zien en hij heeft belang bij continuïteit van de begeleiding voor hemzelf en voor het gezinssysteem. Eiser wil vanaf 1 mei 2024 in aanmerking komen voor het formele uurtarief.
5. De rechtbank beoordeelt allereerst of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
6. Volgens vaste rechtspraak is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
7. De rechtbank oordeelt dat in dit geval geen sprake is van procesbelang. Hiervoor is van belang dat dit geschil gaat over een afgesloten periode in het verleden. Ter zitting is komen vast te staan dat het college in de gehele te beoordelen periode (van 11 april 2023 tot en met 30 april 2024), overeenkomstig eisers wens, het formele uurtarief van € 47,43 heeft toegekend. Dit tarief is het uurtarief voor formele zorgaanbieders dat hoort bij de aan eiser toegekende maatwerkvoorziening ‘PGB traject 2 individuele begeleiding’. Dit volgt uit het Financieel Besluit Wmo 2023 gemeente Almere . Niet is gebleken dat eiser in de periode van 11 april 2023 tot en met 30 april 2024 zijn zorgverlener meer heeft moeten betalen dan het uurtarief van € 47,43. Niet aannemelijk is dus dat eiser schade heeft geleden.
8. Het college heeft inmiddels op 12 augustus 2024 twee besluiten genomen waarbij aan eiser de voorziening ‘Begeleiding individueel PGB informeel’ is toegekend voor de periode van 1 mei 2024 tot en met 31 juli 2024 en voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 30 april 2026. Deze voorziening is toegekend tegen het informele uurtarief van € 23,86. Als eiser vindt dat het college hem vanaf 1 mei 2024 het formele tarief had moeten toekennen zal hij dat in een procedure tegen die besluiten aan moeten voeren.
9. De rechtbank heeft tijdens de zitting nog de vraag opgeworpen of de passage in het besluit van 7 december 2023 zoals hiervoor onder 1.2 is weergegeven op rechtsgevolg is gericht. Het college stelt zich op het standpunt dat dit niet zo is en dat dit rechtsgevolg pas is ingegaan met de besluiten van 12 augustus 2024 die zien op de periode vanaf 1 mei 2024. De gemachtigde van eiser stelt zich op het standpunt dat deze passage wel op rechtsgevolg is gericht; eisers zorgverlener is het hier immers niet mee eens.
10. De rechtbank oordeelt dat deze passage niet (direct) op rechtsgevolg is gericht en verwijst daarbij naar rechtspraak van de CRvB. In het besluit van 7 december 2023 legt het college uit dat eisers zorgaanbieder op dat moment niet (meer) voldoet aan de kwaliteitseisen om voor een formeel tarief in aanmerking te komen. Die mededeling verandert op dat moment nog niets aan eisers rechtspositie. Met deze mededeling in het besluit van 7 december 2023 loopt het college vooruit op een beslissing op een aanvraag om verlenging van de maatwerkvoorziening in de toekomst. Het college zal dan pas beoordelen of eisers zorgverlener voldoet aan de eis dat zij een EVC-traject moet volgen.
11. Het college heeft dit inmiddels gedaan met zijn besluiten van 12 augustus 2024. Eiser zal dus in een bezwaarprocedure tegen deze besluiten de door het college gestelde kwaliteitseisen en de vraag of zijn zorgverlener voldoende tijd heeft gehad om daaraan te voldoen, ter discussie moeten stellen. De rechtbank komt daar in deze procedure niet aan toe.
Conclusie
12. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bv de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2477.
Zie de uitspraak van 8 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:939.