Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-30
ECLI:NL:RBMNE:2025:3623
Bestuursrecht; Omgevingsrecht, Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,632 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5987
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: W. Zibouh),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. R. Rokebrand).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel de (ex)werkgever: [derde belanghebbende] , te [plaats] , (derde-partij)
(gemachtigde: I. Özkan).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van haar mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Eiseres viel op 19 september 2022 uit voor haar werk als [functie] voor gemiddeld 28,85 uur bij de derde-partij. Zij heeft zich eerder ziekgemeld per 31 mei 2017. Per einde van de wachttijd op 26 mei 2020 werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 33,30%. Zij was toen werkzaam als [functie] en was vervolgens herplaatst in de functie van [functie] . Eiseres viel opnieuw uit in september 2022 voor het aangepaste werk. Op 6 april 2023 heeft eiseres een herbeoordeling aangevraagd wegens een verslechterde gezondheid en een toename van haar medische klachten.
1.2.
Met het besluit van 6 juni 2023 (het primaire besluit) is aan eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 19 september 2022 recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij 60,06% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.3.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiseres en derde-partij zijn, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. Tijdens de zitting heeft de griffier naar de gemachtigden van eiseres en derde-partij gebeld, maar zij kreeg geen gehoor.
Verzoek om nieuwe zitting
2. Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank een brief aan de gemachtigden van eiseres en derde-partij gestuurd om hen te informeren dat de rechtbank geprobeerd heeft hen te bereiken tijdens de zitting van 18 april 2025, dat dit niet is gelukt, dat het onderzoek is gesloten en dat uitspraak zal worden gedaan.
3. De gemachtigde van eiseres heeft op 25 april 2025 op deze brief gereageerd. Daarin staat dat haar organisatie de uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen, maar dat die haar niet persoonlijk heeft bereikt. Zij heeft de rechtbank gevraagd of er gelegenheid bestaat om een nieuwe zitting te plannen.
4. De rechtbank vat de brief op als een verzoek om heropening van het onderzoek. De rechtbank wijst dit verzoek af. De omstandigheid dat er bij de organisatie van de gemachtigde van eiseres iets mis is gegaan, is geen reden om het onderzoek te heropenen.
Geschil
5. Eiseres is het niet eens met de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv. Eiseres vindt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres juist heeft vastgesteld op 60,06%. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiseres op 19 september 2022 (de datum in geding).
Beoordeling
6. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
geen tegenstrijdigheden bevatten, en;
voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Beoordeling
7. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om haar medische informatie te delen met de derde-partij. Dit betekent dat de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig én voor zover mogelijk zal beperken om te voorkomen dat die gegevens alsnog via deze uitspraak openbaar worden.
7.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit van het Uwv in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De medische beoordeling
7.2.
Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld en dat zij in de functionele mogelijkhedenlijst van 6 mei 2023 meer beperkt is voor de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 6 (werktijden). Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar beperkingen te rooskleurig ingeschat en ook de impact van de behandeling die eiseres ondergaat is onderschat.
7.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juli 2024 blijkt dat de klachten en diagnoses van eiseres bij de beoordeling zijn betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Op basis van de verkregen medische informatie, maar ook haar eigen onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiervan een weging gemaakt en die klachten vertaald in objectieve beperkingen voor het verrichten van arbeid. Die vertaalslag in de FML van 6 mei 2023 kan de rechtbank volgen. De rechtbank beschikt niet over medische informatie waaruit blijkt dat eiseres meer medisch objectiveerbare beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn aangenomen. Dat eiseres het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank legt dit hierna uit.
7.4.
Voor eiseres is een urenbeperking in de FML aangenomen. De primaire arts en verzekeringsarts hebben in het rapport van 11 mei 2023 aangegeven dat er op basis van een energetisch tekort en preventieve gronden een urenbeperking voor eiseres is aangewezen. Volgens de artsen is eiseres tijdelijk maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week belastbaar. Ook hebben zij aangegeven dat de door haar gevolgde therapie nog een aanzienlijke impact op haar heeft. Eiseres is beperkt voor nacht- en avonddiensten en is zij aangewezen op regelmatige werktijden. In haar rapport van 15 juli 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een nadere, verdergaande urenbeperking, omdat de behandeling die eiseres op de datum in geding had geen dagbehandeling is. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat eiseres op dat moment een behandeling bij een GZ-psycholoog volgde, die uit 25 sessies bestond. De duur van een gesprek is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de regel 45 tot 50 minuten met daarnaast opdrachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarom geen sprake van een dagbehandeling. De rechtbank heeft in de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten gevonden waarom een verdergaande urenbeperking voor eiseres moet worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
7.5.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de conclusies van de arbeidsdeskundige dat eiseres gedeeltelijk (35-80%) arbeidsongeschikt is. Zij meent dat zij per datum in geding meer arbeidsongeschikt is, namelijk 80-100%.
7.6.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de medische beoordeling juist is en dat ervan uit moet worden gegaan dat de beperkingen die in de FML van 6 mei 2023 zijn opgenomen juist zijn. Er bestaat daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies, die zijn geselecteerd met gebruikmaking van de FML. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkens het rapport van 2 augustus 2024 de beoordeling van de primaire arbeidsdeskundige heeft beoordeeld en heeft heroverwogen. In het rapport van de primaire arbeidsdeskundige van 31 mei 2023 is gemotiveerd waarom de functies passend zijn. In de resultaat functiebeoordeling van 17 mei 2023 zijn de signaleringen van de overschrijdingen van de beperkingen van eiseres gemotiveerd en is gemotiveerd waarom de geduide functies passen bij de belastbaarheid van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5987
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: W. Zibouh),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. R. Rokebrand).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel de (ex)werkgever: [derde belanghebbende] , te [plaats] , (derde-partij)
(gemachtigde: I. Özkan).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van haar mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Eiseres viel op 19 september 2022 uit voor haar werk als [functie] voor gemiddeld 28,85 uur bij de derde-partij. Zij heeft zich eerder ziekgemeld per 31 mei 2017. Per einde van de wachttijd op 26 mei 2020 werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 33,30%. Zij was toen werkzaam als [functie] en was vervolgens herplaatst in de functie van [functie] . Eiseres viel opnieuw uit in september 2022 voor het aangepaste werk. Op 6 april 2023 heeft eiseres een herbeoordeling aangevraagd wegens een verslechterde gezondheid en een toename van haar medische klachten.
1.2.
Met het besluit van 6 juni 2023 (het primaire besluit) is aan eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 19 september 2022 recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij 60,06% arbeidsongeschikt werd geacht.
1.3.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiseres en derde-partij zijn, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen. Tijdens de zitting heeft de griffier naar de gemachtigden van eiseres en derde-partij gebeld, maar zij kreeg geen gehoor.
Verzoek om nieuwe zitting
2. Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank een brief aan de gemachtigden van eiseres en derde-partij gestuurd om hen te informeren dat de rechtbank geprobeerd heeft hen te bereiken tijdens de zitting van 18 april 2025, dat dit niet is gelukt, dat het onderzoek is gesloten en dat uitspraak zal worden gedaan.
3. De gemachtigde van eiseres heeft op 25 april 2025 op deze brief gereageerd. Daarin staat dat haar organisatie de uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen, maar dat die haar niet persoonlijk heeft bereikt. Zij heeft de rechtbank gevraagd of er gelegenheid bestaat om een nieuwe zitting te plannen.
4. De rechtbank vat de brief op als een verzoek om heropening van het onderzoek. De rechtbank wijst dit verzoek af. De omstandigheid dat er bij de organisatie van de gemachtigde van eiseres iets mis is gegaan, is geen reden om het onderzoek te heropenen.
Geschil
5. Eiseres is het niet eens met de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv. Eiseres vindt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres juist heeft vastgesteld op 60,06%. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiseres op 19 september 2022 (de datum in geding).
Beoordeling
6. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
geen tegenstrijdigheden bevatten, en;
voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Beoordeling
7. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om haar medische informatie te delen met de derde-partij. Dit betekent dat de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig én voor zover mogelijk zal beperken om te voorkomen dat die gegevens alsnog via deze uitspraak openbaar worden.
7.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit van het Uwv in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De medische beoordeling
7.2.
Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld en dat zij in de functionele mogelijkhedenlijst van 6 mei 2023 meer beperkt is voor de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 6 (werktijden). Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar beperkingen te rooskleurig ingeschat en ook de impact van de behandeling die eiseres ondergaat is onderschat.
7.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juli 2024 blijkt dat de klachten en diagnoses van eiseres bij de beoordeling zijn betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Op basis van de verkregen medische informatie, maar ook haar eigen onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiervan een weging gemaakt en die klachten vertaald in objectieve beperkingen voor het verrichten van arbeid. Die vertaalslag in de FML van 6 mei 2023 kan de rechtbank volgen. De rechtbank beschikt niet over medische informatie waaruit blijkt dat eiseres meer medisch objectiveerbare beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn aangenomen. Dat eiseres het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank legt dit hierna uit.
7.4.
Voor eiseres is een urenbeperking in de FML aangenomen. De primaire arts en verzekeringsarts hebben in het rapport van 11 mei 2023 aangegeven dat er op basis van een energetisch tekort en preventieve gronden een urenbeperking voor eiseres is aangewezen. Volgens de artsen is eiseres tijdelijk maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week belastbaar. Ook hebben zij aangegeven dat de door haar gevolgde therapie nog een aanzienlijke impact op haar heeft. Eiseres is beperkt voor nacht- en avonddiensten en is zij aangewezen op regelmatige werktijden. In haar rapport van 15 juli 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een nadere, verdergaande urenbeperking, omdat de behandeling die eiseres op de datum in geding had geen dagbehandeling is. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat eiseres op dat moment een behandeling bij een GZ-psycholoog volgde, die uit 25 sessies bestond. De duur van een gesprek is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de regel 45 tot 50 minuten met daarnaast opdrachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is daarom geen sprake van een dagbehandeling. De rechtbank heeft in de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten gevonden waarom een verdergaande urenbeperking voor eiseres moet worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
7.5.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de conclusies van de arbeidsdeskundige dat eiseres gedeeltelijk (35-80%) arbeidsongeschikt is. Zij meent dat zij per datum in geding meer arbeidsongeschikt is, namelijk 80-100%.
7.6.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de medische beoordeling juist is en dat ervan uit moet worden gegaan dat de beperkingen die in de FML van 6 mei 2023 zijn opgenomen juist zijn. Er bestaat daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies, die zijn geselecteerd met gebruikmaking van de FML. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkens het rapport van 2 augustus 2024 de beoordeling van de primaire arbeidsdeskundige heeft beoordeeld en heeft heroverwogen. In het rapport van de primaire arbeidsdeskundige van 31 mei 2023 is gemotiveerd waarom de functies passend zijn. In de resultaat functiebeoordeling van 17 mei 2023 zijn de signaleringen van de overschrijdingen van de beperkingen van eiseres gemotiveerd en is gemotiveerd waarom de geduide functies passen bij de belastbaarheid van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.