Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-07-09
ECLI:NL:RBMNE:2025:3559
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,708 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1853
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P. Salim),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 15 maart 2024, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaren tegen de definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld.
Verweerder is met verzoekster een vaststellingsovereenkomst overeengekomen op 7 februari 2025.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 27 mei 2025 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en geeft aan dat de proceskosten en het griffierecht op grond van de vaststellingsovereenkomst zullen worden uitbetaald.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1853
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. P. Salim),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 15 maart 2024, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaren tegen de definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld.
Verweerder is met verzoekster een vaststellingsovereenkomst overeengekomen op 7 februari 2025.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 27 mei 2025 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en geeft aan dat de proceskosten en het griffierecht op grond van de vaststellingsovereenkomst zullen worden uitbetaald.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.