Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-04
ECLI:NL:RBMNE:2025:339
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,267 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6678
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 25 oktober 2024 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 12 november 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft op 11 juli 2024 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij brief van 17 juli 2024 heeft verweerder het verzoek bevestigd en verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 22 augustus 2024 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 13 september 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Verweerder heeft inmiddels gedeeltelijk op het Woo-verzoek beslist. Omdat verweerder nog geen volledig (nieuw) besluit heeft genomen op het Woo-verzoek, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 12 november 2024 aan dat partijen zijn overeengekomen om het Woo-verzoek af te handelen in meerdere deelbesluiten. Het eerste deelbesluit heeft verweerder genomen op 31 oktober 2024 en het tweede deelbesluit op
19 november 2024. Verweerder verwacht het derde deelbesluit te kunnen nemen in januari 2025 en heeft de rechtbank daarom verzocht om de beslistermijn te verlengen tot 1 februari 2025. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is de door verweerder verzochte beslistermijn inmiddels verstreken. Gelet daarop, stelt de rechtbank de beslistermijn vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
8. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald, aan hem moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.