Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:2974
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,913 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11291502 \ AC EXPL 24-2148
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. M.J.M. van Zijl,
tegen
1STICHTING GEZONDHEIDSCENTRUM SCHUILENBURG,
gevestigd in Amersfoort,
2. [gedaagde sub 2] , handelend onder de naam " [handelsnaam 1] ",
wonende in [woonplaats] ,
3. [gedaagde sub 3] , handelend onder de naam " [handelsnaam 2] ",
wonende in [woonplaats] ,
4. DE MAATSCHAP FYSIOTHERAPIE SCHUILENBURG,
kantoorhoudende in Amersfoort, alsmede diens maten:
a. [gedaagde sub 4a] ,
wonende in [woonplaats] ,
[gedaagde sub 4b] ,
wonende in [woonplaats] ,
[gedaagde sub 4c] ,
wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde sub 4d] ,
wonende in [woonplaats] ,
[gedaagde sub 4e] ,
wonende in [woonplaats] ,
[gedaagde sub 4f] ,
wonende in [woonplaats] ,
[gedaagde sub 4g] ,
wonende in [woonplaats] ,
5. [gedaagde sub 5] , handelend onder de naam " [handelsnaam 3] ",
wonende in Amersfoort, en
6. STICHTING BUURTZORG NEDERLAND,
gevestigd in Almelo,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
gemachtigde: mr. E.R. Jonker.
Eisende partij zal hierna [eiser] worden genoemd en gedaagden sub 1 tot en met 6 respectievelijk: de Stichting, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] (samen de Huisartsen), de maatschap Fysiotherapie, [gedaagde sub 5] , en Buurtzorg. Gedaagde partijen sub 2 tot en met 6 zullen gezamenlijk de overige onderhuurders worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen met producties 1-38,
- de akte wijziging eis met productie 39,- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1-6, - de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging eis met producties 40-51,
- de afzonderlijk verzonden productie 46 en producties 52-53 van de zijde van [eiser] ,
- de productie 7 van de Stichting en de overige onderhuurders,
- de pleitaantekeningen van [eiser] ,
- de pleitaantekeningen tevens akte uitlating ten aanzien van de eiswijziging van de Stichting en de overige onderhuurders.
1.2.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 28 januari 2025. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. Van Zijl. Namens de Stichting was haar voorzitter aanwezig, de heer [A] . Verder waren [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] aanwezig. Van de zijde van de maatschap Fysiotherapie zijn alle maten verschenen. Namens Buurtzorg was niemand aanwezig. Gedaagde partijen werden bijgestaan door mr. Jonker.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen op de zitting is besproken.
1.3.
De kantonrechter gaat voorbij aan het bezwaar van [eiser] tegen de door de Stichting en de overige onderhuurders een week voor de zitting nagezonden productie 7. Deze productie, een verklaring van mevrouw [B] van 21 januari 2025, omvat drie pagina’s en [eiser] heeft hier tijdens de mondelinge behandeling op kunnen reageren. [eiser] is niet in zijn procesbelang geschaad. Deze productie behoort tot de processtukken.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Waar de zaak over gaat
2.1.
[eiser] is [functie] . De Stichting is op 16 december 2011 opgericht door [eiser] , [gedaagde sub 2] , Buurtzorg en [gedaagde sub 5] (en [C] , maar die is kennelijk niet langer betrokken) om gezamenlijk een gezondheidscentrum in Amersfoort te realiseren en exploiteren.
2.2.
Met ingang van 1 juli 2012 verhuurt [bedrijf 1] B.V. (hierna: de verhuurder) aan de Stichting de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond van het gebouw Schuilenburgt aan het [adres] in [plaats] . Daarbij is afgesproken dat de bedrijfsruimte zal worden gebruikt als gezondheidscentrum.
2.3.
De verhuurder heeft met de Stichting twee huurovereenkomsten gesloten. Eén huurovereenkomst heeft betrekking op het gedeelte van het gezondheidscentrum dat wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor (nagenoeg) volledig recht op aftrek van omzetbelasting bestaat en de andere huurovereenkomst ziet op het gedeelte van het gezondheidscentrum waar dat niet het geval is.
2.4.
De Stichting, vertegenwoordigd door onder andere [eiser] , heeft vervolgens rond
1 juli 2012 met alle onderhuurders (onder)huurovereenkomsten gesloten. In alle onderhuurovereenkomsten is vastgelegd dat de gezamenlijke kosten en de huur/servicekosten voor de flexibele ruimte door de drie grote partijen worden betaald in de verhouding Apotheek 26,5%, Huisartsen 45,6% en Fysiotherapie 27,9%.
2.5.
De Stichting betaalde de huurpenningen, die zij ontving van [eiser] en de overige onderhuurders zonder opslag door aan de hoofdverhuurder en had geen andere inkomsten.
2.6.
[eiser] heeft de apotheek per 1 juli 2022 verkocht. Met ingang van die datum is [bedrijf 2] B.V. de opvolgend huurder van de [bedrijf 3]. Omdat de onderhuurovereenkomst tussen de Stichting en [eiser] destijds niet was ondertekend heeft, met het oog op de indeplaatsstelling, die ondertekening alsnog plaatsgevonden.
2.7.
In 2022 heeft in opdracht van de Stichting een onderzoek plaats gevonden naar de financiën van de Stichting. Dit had te maken met onduidelijkheid over de afrekeningen van servicekosten met de hoofdverhuurder. Volgens [eiser] is door dat onderzoek aan het licht gekomen dat de Stichting de gezamenlijke kosten onjuist heeft doorberekend waardoor de apotheek van [eiser] vanaf het begin van de huur te hoge bedragen aan de Stichting heeft betaald.
2.8.
[eiser] heeft de Stichting op 23 december 2023 gesommeerd binnen vijftien dagen een bedrag van € 167.123,90 aan hem over te maken. De Stichting heeft daar geen gehoor aan gegeven waarna [eiser] de andere overige onderhuurders - huisarts [gedaagde sub 2] , de Fysiotherapiepraktijk, de Diëtistenpraktijk en Buurtzorg - aansprakelijk heeft gesteld voor de schade, die bestaat uit het naar zijn zeggen te veel betaalde bedrag, en hen gesommeerd dit bedrag aan hem over te maken. De overige onderhuurders hebben niet aan die sommatie voldaan waarna [eiser] deze procedure is gestart.
De vordering en de tegenvordering
2.9.
Na wijziging van eis vordert [eiser] , zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
a. gedaagden 1 t/m 6 hoofdelijk veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:
- een bedrag van € 171.359,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betreffende betalingen door [eiser] aan de Stichting, dan wel vanaf 27 december 2023, dan wel vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van de voldoening;
- de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.959,95;
bepaalt dat betaling door één of meerdere gedaagde(n) de anderen zal bevrijden;
bepaalt dat de maten van de maatschap (gedaagden onder 4 sub a tot en met g) ieder voor een gelijk deel aansprakelijk zijn voor de schuld van de maatschap en dat betaling door de maatschap de veroordeling van de maten opheft;
Subsidiair:
indien de schade niet kan worden begroot in dit vonnis, de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure, waarbij gedaagden onder 2 tot en met 6 primair aansprakelijk zijn en de gedaagden onder 4 sub a tot en met g ieder aansprakelijk zijn voor een gelijk deel;
Primair en subsidiair:
voor recht verklaart dat de administratie van de Stichting niet correct is gevoerd;
de Stichting e.a. veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.9.1.
[eiser] vordert dus (terug)betaling van het volgens hem te veel betaalde bedrag van € 171.359,98, aan huur, servicekosten en overige gezamenlijke kosten en baseert die vordering – na wijziging ter zitting - jegens de Stichting op onverschuldigde betaling en jegens de andere onderhuurders primair op nakoming en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking danwel onrechtmatige daad.
2.9.2.
[eiser] stelt daartoe dat er vier soorten kosten zijn:
Huurprijs en servicekosten voor de individuele praktijkruimtes
Huurprijs en servicekosten voor de algemene ruimte
Huurprijs en servicekosten voor de flexruimte
Overige gezamenlijke kosten (schoonmaak, internet)
[eiser] stelt dat is afgesproken dat post A werd berekend aan de hand van het gehuurde oppervlakte, dat de posten C en D voor 100% werden gedragen door de drie grote huurders (apotheek, huisartsen en fysiotherapeuten) en dat post B voor 95% werd gedragen door de drie grote huurders en verder voor 2% door [gedaagde sub 5] en 3% door Buurtzorg. Volgens [eiser] heeft hij teveel betaald omdat hij minder m2 huurde dan op basis waarvan post A is berekend en kloppen als gevolg daarvan de afgesproken percentages niet, omdat die zijn afgeleid van het gehuurde oppervlakte
2.10.
De Stichting en de overige onderhuurders voeren verweer.
Beoordeling
[eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen jegens de Stichting en de overige onderhuurders
3.1.
Het verweer dat niet [eiser] maar de [bedrijf 3] C.V. (hierna: de commanditaire vennootschap) de huurovereenkomst met de Stichting is aangegaan en dat [eiser] niet buiten de commanditaire vennootschap om zijn aandeel in de geleden schade kan vorderen, wordt verworpen. De commanditaire vennootschap staat in de huurovereenkomst niet als contractspartij vermeld. Daarnaast heeft [eiser] onweersproken toegelicht dat de commanditaire vennootschap, waarvan hij de enig beherend vennoot was, al op 1 januari 2009 is ontbonden. De omstandigheid dat de commanditaire vennootschap pas per 1 juli 2022 is uitgeschreven uit het handelsregister betekent niet dat de ontbinding niet rechtsgeldig was. Een verplichting tot inschrijving is immers geen vereiste voor een ontbinding.
3.2.
[eiser] heeft de apotheek na de ontbinding van de commanditaire vennootschap als eenmanszaak voortgezet en in die hoedanigheid, zo begrijpt de kantonrechter, de huurovereenkomst met de Stichting gesloten.
De inhoudelijke beoordeling van de vordering tot terugbetaling
3.3.
Bij de beoordeling van de vordering van [eiser] stelt de kantonrechter voorop dat [eiser] medeoprichter en voorzitter was van de Stichting. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat [eiser] en de Stichting over dezelfde informatie beschikten. Die informatie bestaat in ieder geval uit de overgelegde (onder)huurovereenkomsten met bijlagen en de Grootboeken 2012 tot en met 2022.
3.4.
Al deze informatie, in onderlinge samenhang bezien, biedt geen grondslag voor het kunnen toewijzen van de vordering van [eiser] . Dat wordt hierna toegelicht, waarbij de kantonrechter een tweedeling zal maken in de gestelde te veel betaalde huur en individuele servicekosten (post A) en de te veel betaalde overige (service-)kosten (posten B, C en D)
huur en individuele servicekosten
3.5.
De Stichting heeft met de verhuurder twee hoofdhuurovereenkomsten gesloten: één voor het gedeelte dat zal worden gebruikt voor doeleinden waarvoor recht op aftrek van omzetbelasting bestaat en waarbij over de huurprijs wel omzetbelasting wordt berekend en een tweede voor het gedeelte dat zal worden gebruikt voor andere doeleinden en waarbij een huurprijs zonder omzetbelasting in rekening wordt gebracht.
3.5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat in deze zaak alleen bij het gebruik als apotheek recht op aftrek van de omzetbelasting bestaat en bij het gebruik door de overige onderhuurders dat recht niet bestaat. De eerste hoofdhuurovereenkomst zal dus betrekking hebben op het gedeelte dat door de apotheek zal worden ondergehuurd. Dat blijkt ook uit die huurovereenkomst; daarin (en de daarbij behorende plattegrond) staan de volgende bruto vloeroppervlaktes:
- Apotheek van circa 211 m2
- Algemeen apotheek van circa 56 m2
- Overige functies van circa 21 m2
Totaal circa 288 m2
3.6.
In de onderhuurovereenkomsten is vervolgens het aantal m2 voor de individuele praktijkruimtes opgenomen. Zo staat in de huurovereenkomst tussen de Stichting en [eiser] 175,5 m2, in de overeenkomst tussen de Stichting en de Huisartsen 303,47 m2 en in overeenkomst tussen de Stichting en de Fysiotherapiepraktijk 185,34 m2.
3.7.
Bij de onderhuurovereenkomst is na de verbouwing van het gezondheidscentrum, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8.1, de plattegrond ‘Huuroverzicht Gezondheidscentrum Schuilenburg d.d. 20 juni 2012’ (hierna: het huuroverzicht) gevoegd. In dit huuroverzicht staan de in de onderhuurovereenkomsten vermelde m2 genoemd, maar ook m2 algemene ruimte per functie, en de door [eiser] en de overige onderhuurders te betalen huurprijs (en servicekosten).
3.8.
Een (korte) analyse van de grootboekcijfers (2012) voor wat betreft de ontvangen huur van de apotheek en, bijvoorbeeld, de Huisartsen leert dat de huur bij beide is berekend op grond van het in het huuroverzicht vermelde aantal m2. Deze analyse bevestigt de stelling van de Stichting en de overige onderhuurders dat het aantal m2 per functie uit het huuroverzicht, vermenigvuldigd met de vierkante meterprijs (aanvangshuurprijs van € 158,30 exclusief btw) exact overeenkomen met de bedragen die zijn gefactureerd (en betaald). Het aantal m2 dat in de huurovereenkomsten staat (175,7 m2 bij [eiser] en 303,47 m2 bij de Huisartsen) heeft bij de huurbetalingen door [eiser] en de andere overige onderhuurders dus niet als uitgangspunt gediend. Kortom, er is feitelijk gefactureerd op basis van het huuroverzicht, zowel aan [eiser] als aan de Huisartsen.
3.9.
Het huuroverzicht maakt onderdeel uit van de onderhuurovereenkomsten. Uit het huuroverzicht kan op eenvoudige wijze de maandhuur per functie worden afgeleid. De Stichting heeft de huur aan [eiser] en de overige onderhuurders overeenkomstig het huuroverzicht in rekening gebracht. De huur is altijd, zonder voorbehoud, betaald door [eiser] en de overige onderhuurders. Doordat partijen op deze wijze uitvoering hebben gegeven aan hun huurovereenkomsten gaat de kantonrechter ervan uit dat het huuroverzicht de basis is voor de verdeling van de huur en de individuele servicekosten en dat dit dé afspraak was tussen de Stichting enerzijds en [eiser] en de overige onderhuurders anderzijds.
Voorwaardelijk beroep op dwaling slaagt niet
3.10.
Voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat [eiser] wel op grond van de overeenkomst heeft betaald stelt [eiser] dat er sprake is van dwaling en wil [eiser] de overeenkomst vernietigen. Volgens [eiser] is die dwaling te wijten is aan een inlichting van de Stichting maar niet duidelijk is geworden waarover hij dan zou hebben gedwaald en wat de Stichting had moeten mededelen. [eiser] (en de overige onderhuurders) en de Stichting beschikten immers over dezelfde informatie, waaronder het huuroverzicht.
3.11.
Een beroep op wederzijdse dwaling kan [eiser] ook niet helpen. Van wederzijdse dwaling is sprake als de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. Al aangenomen dat de Stichting bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als [eiser] is uitgegaan, blijkt nergens uit de Stichting had moeten begrijpen dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken over het aantal m2 de huurovereenkomst niet had willen sluiten. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat dat het geval is terwijl dat in de gegeven omstandigheden wel op zijn weg gelegen. Al in de hoofdhuurovereenkomst (waarin de Stichting onder andere door [eiser] werd vertegenwoordigd) wordt een bruto vloeroppervlakte voor de apotheek van circa 288 m2 genoemd. Op basis van de hoofdhuurovereenkomst en de daarbij behorende plattegrond was dus al duidelijk welk deel ongeveer bij de apotheek zou gaan horen.
Dictum
De kantonrechter
In conventie
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.035,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
4.4.
wijst de vordering af,
4.5.
veroordeelt de Stichting en de overige onderhuurders in de proceskosten van € 1.085,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Stichting en de overige onderhuurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
1257
De statutaire naam is per 20 april 2018 gewijzigd in [bedrijf 4] B.V.
Zie producties 3 en 4 bij dagvaarding
Zie bijvoorbeeld 8.9 in de huurovereenkomst van [eiser] , productie 5 bij dagvaarding
Zie Indeplaatsstelling huurovereenkomst, productie 30 bij dagvaarding
Zie productie 41 van [eiser]
Zie productie 1 bij Conclusie van Antwoord
Zie productie 11 bij dagvaarding
Zie wederom productie 11 bij dagvaarding
Zie productie 5 bij dagvaarding
Beoordeling
Voorts in aanmerking genomen dat het (moeten) vastleggen van het aantal m2 voor de apotheek ook een fiscale achtergrond had
– over de huur van de apotheek van [eiser] werd, in tegenstelling tot de ruimtes van de overige onderhuurders, wél btw in rekening gebracht – is het zonder nader toelichting van [eiser] , die ontbreekt, niet aannemelijk dat de Stichting had moeten begrijpen dat [eiser] door de in het huuroverzicht van 20 juni 2012 opgenomen totaal van 310 m2 - dat niet veel afwijkt van de indicatieve 288 m2 - van het sluiten van de onderhuurovereenkomst zou zijn afgehouden.
3.12.
De conclusie is dat tussen de Stichting en [eiser] een overeenkomst bestaat, die niet voor vernietiging in aanmerking komt. Op grond van die overeenkomst was [eiser] de huur, die hij betaald heeft, verschuldigd aan de Stichting. [eiser] heeft de huur dus niet zonder rechtsgrond aan de Stichting betaald en van ‘te veel’ betaalde huur kan dan ook geen sprake zijn. Hierop strandt zijn vordering op grond van onverschuldigde betaling.
De grondslagen ongerechtvaardigde verrijking/onrechtmatige daad/schending van afspraken met de overige onderhuurders leiden evenmin tot toewijzing van de vordering jegens de overige onderhuurders
3.13.
Volgens [eiser] was de essentie van de afspraken tussen [eiser] en de overige onderhuurders dat de verdeling van de huurprijs, servicekosten en overige kosten plaats zou vinden naar rato van het oppervlak van de praktijkruimtes. Op basis van deze afspraken stelt [eiser] dat hij te veel heeft betaald en het te veel betaalde bedrag kan terugvorderen. Subsidiair stelt [eiser] dat de overige onderhuurders zijn verrijkt omdat zij sinds de aanvang van de huur een voordeel hebben gehaald, dat bestaat uit het gebruik van de algemene ruimte ter hoogte van de apotheek en het feit dat zij niet hebben bijgedragen aan de kosten daarvan. Daarnaast meent [eiser] dat de overige onderhuurders onrechtmatig hebben gehandeld omdat zij geen evenredige vergoeding hebben betaald voor het gebruik van de algemene ruimte.
3.14.
De vordering van [eiser] jegens de overige onderhuurders komt om meerdere redenen niet voor toewijzing in aanmerking. [eiser] vordert dat de overige onderhuurders hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 171.359,98 maar hij heeft niet toegelicht waar die hoofdelijkheid van de overige onderhuurders ten aanzien van hem op is gebaseerd. De kantonrechter merkt op dat wanneer meerdere partijen gezamenlijk een schuld aangaan, zij in principe voor een gelijk deel van de vordering aansprakelijk zijn. Hoofdelijkheid is een uitzondering op deze hoofdregel en [eiser] had moeten motiveren waarom in dit geval die uitzondering bestaat. Dat heeft hij niet gedaan. [eiser] heeft ook nagelaten te concretiseren tot welk bedrag iedere zorgverlener zou zijn verrijkt dan wel voor welk (schade)bedrag iedere zorgverlener volgens hem kan worden aangesproken, terwijl partijen het erover eens zijn dat de drie grote onderhuurders (apotheek, huisartsen en fysiotherapeuten) de kosten voor de algemene ruimten voor een groter deel op zich zouden nemen zodat de andere onderhuurders werden ontzien. De vordering jegens de overige onderhuurders stuit daar al op af.
3.15.
Maar ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [eiser] de overige onderhuurders hoofdelijk kan aanspreken dan kan dat [eiser] niet helpen. Hierboven is immers al geoordeeld – kort gezegd – dat voor de huurbetalingen door [eiser] aan de Stichting wel een contractuele grondslag bestond. Gelet daarop kan niet gezegd worden dat [eiser] (ongerechtvaardigd) verarmd is. Van een (ongerechtvaardigde) verrijking van de overige onderhuurders dan wel onrechtmatig handelen door de overige onderhuurders jegens [eiser] kan dan al helemaal geen sprake zijn. Voor wat betreft de afspraak tussen de overige onderhuurders over de verdeling van de kosten voor de algemene ruimten overweegt de kantonrechter dat de Stichting, [eiser] en de overige onderhuurders uitvoering hebben gegeven aan hun afspraak op de wijze als in 3.7 en 3.8 is verwoord. Niet is gesteld of gebleken dat de overige onderhuurders die afspraak niet zijn nagekomen zodat [eiser] ook op die grond geen aanspraak kan maken op betaling door de overige onderhuurders.
Geen aanleiding voor het hanteren van een andere verdeelsleutel (percentages) voor de servicekosten en de gezamenlijke kosten dan in de huurovereenkomsten is vastgelegd
3.16.
Partijen zijn overeengekomen dat de servicekosten en gezamenlijke kosten worden doorbelast aan de verschillende gebruikers. In de onderhuurovereenkomsten zijn daarvoor vaste percentages - apotheek 26,5 %, huisartsen 45,6 % en fysiotherapie 27,9 % - opgenomen. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] stelt dat bedoeld was die percentages te berekenen op basis van het gehuurde oppervlakte en dat als op basis van het gehuurde oppervlakte in de onderhuurovereenkomsten wordt gerekend daar andere percentages uitkomen. Uitgaande van de bedoeling van partijen moeten de onderhuurovereenkomsten tegen de achtergrond van het huuroverzicht van 20 juni 2012 zo worden uitgelegd dat andere percentages zijn afgesproken, aldus [eiser] .
3.17.
De kantonrechter volgt [eiser] ook hierin niet. De eerdergenoemde (her)berekening van het aantal m2 in het huuroverzicht van 20 juni 2012, is kennelijk voor partijen geen aanleiding geweest om andere afspraken over de percentages te maken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat partijen de in de onderhuurovereenkomsten opgenomen percentages bewust hebben willen handhaven.
[eiser] heeft geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht
3.18.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat de administratie van de Stichting niet correct is gevoerd. Deze vordering wordt afgewezen. Los van de vraag of de kantonrechter bevoegd is over deze kwestie te oordelen - een jaarrekeningprocedure hoort thuis bij de Ondernemingskamer - heeft [eiser] geen belang bij de gevraagde verklaring voor recht. [eiser] wenst deze verklaring voor recht te gebruiken om, in geval van faillissement van de Stichting, bij de curator aan te kunnen dringen op hoofdelijke aansprakelijkheid voor het boedeltekort. Van een faillissement is geen sprake zodat niet valt in te zien waarin het belang van [eiser] is gelegen.
Nevenvorderingen worden afgewezen
3.19.
Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen delen de nevenvorderingen van de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten datzelfde lot.
Verklaring voor recht dat de onderhuurovereenkomst van 22 juli 2022 (ver)nietig(baar) is wordt afgewezen
3.20.
De Stichting meent dat [eiser] met de ondertekening van de onderhuurovereenkomst op 22 juli 2022 (zie 2.6) heeft geprobeerd de Stichting contractueel te binden aan een ‘valse’ afspraak, althans een afspraak die niet overeenkomt met de afspraken die partijen in 2012 met elkaar hebben gemaakt ten aanzien van de huisvesting. Volgens de Stichting heeft [eiser] dat gedaan buiten de (overige) bestuursleden van de Stichting om. Deze actie van [eiser] is in strijd met de statuten en is nietig, aldus de Stichting.
3.21.
De kantonrechter volgt dat niet. Anders dan waar de Stichting kennelijk vanuit gaat is met de (enkele) ondertekening op 22 juli 2022 van de onderhuurovereenkomst tussen de Stichting en [eiser] van juli 2012 niet een nieuwe onderhuurovereenkomst (met datum 22 juli 2022) tot stand gekomen. Er is dus helemaal geen overeenkomst van 22 juli 2022 en deze ‘overeenkomst’ kan dan ook niet nietig of vernietigbaar zijn.
De met dit doel gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.