Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-23
ECLI:NL:RBMNE:2025:2953
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,387 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/269
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: N. Baas),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: H. Smit).
Inleiding
1. Het college heeft op 15 december 2022 een omgevingsvergunning aan eiser verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op zijn perceel aan de [adres 1] in [plaats] .
2. Op 27 januari 2023 heeft [A] hier bezwaar tegen gemaakt. Hij is de buurman van eiser en woont aan de [adres 2] in [plaats] .
3. Op 28 september 2023 heeft eiser het college in gebreke gesteld omdat het college geen beslissing op dit bezwaar heeft genomen. Volgens eiser is het college een dwangsom aan hem verschuldigd indien het college niet binnen twee weken alsnog een beslissing neemt. Het college heeft niet binnen twee weken een beslissing op het bezwaar genomen.
4. Op 16 januari 2024 heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
Heeft het college te laat op het bezwaar beslist?
5. De rechtbank stelt vast dat het college niet tijdig een beslissing op het bezwaar heeft genomen. Het college moet in beginsel binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken. Omdat er een adviescommissie is ingeschakeld, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Het college heeft deze beslistermijn op 25 april 2023 verlengd met zes weken. De rechtbank stelt vast dat het college pas op 26 maart 2024 een beslissing op het bezwaar heeft genomen. Daarmee is niet tijdig op het bezwaar beslist.
6. Het beroep was er alleen op gericht om het college te bewegen een besluit te nemen. Het college heeft op 26 maart 2024, en dus nadat het beroep werd ingesteld, op het bezwaar beslist. Eiser heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dit heeft tot gevolg dat het beroep niet-ontvankelijk is.
7. De rechtbank heeft eiser op 21 mei 2024 een brief gestuurd met het verzoek om te laten weten of hij het eens is met het alsnog genomen besluit. Eiser heeft laten weten dat er nog een besluit over de verbeurde dwangsom moet worden genomen.
Heeft eiser recht op een dwangsom?
8. Het college verbeurt aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is een besluit te nemen voor ten hoogste 42 dagen. De rechtbank stelt vast dat [A] de aanvrager van de beslissing op bezwaar is en niet eiser. Eiser is niet de aanvrager van het te laat genomen besluit, waardoor eiser geen recht heeft op een dwangsom.
Heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding?
9. Dat het beroep niet-ontvankelijk is, laat evenwel onverlet dat kan worden bekeken of vanwege de omstandigheden van het geval er grond is voor een proceskostenveroordeling. Daarvoor is van belang of het college tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroep. Bij een beroep niet tijdig beslissen gaat het er dan om of het college naar aanleiding van dat beroep alsnog een besluit heeft genomen. Die situatie is hier aan de orde, waardoor eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding.
Conclusie
10. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat het college de beslissing op bezwaar alsnog op 26 maart 2024 heeft genomen. Eiser heeft geen recht op een dwangsom.
11. Het college moet het griffierecht en de proceskosten van eiser aan hem vergoeden. Die proceskosten bestaan uit het inschakelen van een professionele (juridische) hulpverlener om voor hem een beroepschrift in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat de zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aard van de zaak eenvoudig is.
Dictum
de rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,-- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 453,50,-- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. In het openbaar uitgesproken op 23 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:75 van de Awb.
Dit volgt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.