Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-27
ECLI:NL:RBMNE:2025:2780
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,188 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1280
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 28 mei 2024 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop nader gereageerd.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van niet-tijdig beslissen op de aanvraag, zoals eiseres stelt. Eiseres heeft namelijk op 31 maart 2021 een aanvraag om herbeoordeling gedaan, waarop verweerder met het besluit van 2 juni 2023 al heeft beslist. In dit laatste besluit is het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2015, 2016 en 2017 beoordeeld. Eiseres heeft tegen het besluit van 2 juni 2023 bezwaar gemaakt. Zij heeft verweerder op 28 mei 2024 weliswaar verzocht om ook het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2020 te beoordelen, maar dit moet worden gezien als een grond waarom eiseres zich niet kan vinden in het besluit van 2 juni 2023 en kan niet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag om integrale herbeoordeling.
3. De rechtbank geeft verweerder hierin gelijk. Het systeem van de integrale herbeoordeling is erop gericht om de herbeoordeling van de toeslagjaren zoveel mogelijk te concentreren en doelmatig te laten plaatsvinden in één procedure. Eiseres hoeft dus niet meerdere aanvragen te doen voor de verschillende toeslagjaren, maar kan volstaan met één aanvraag om herbeoordeling. In de reactie van 7 april 2025 onderschrijft eiseres dat standpunt zelf ook door toe te lichten dat haar aanvraag ook zag op de toeslagjaren 2018 tot en met 2020 en dat verweerder dit zelf niet goed heeft onderkend.
4. De rechtbank stelt vast dat op de aanvraag om herbeoordeling van eiseres met het besluit van 2 juni 2023 is beslist. Het standpunt van eiseres dat dit besluit niet volledig is, omdat daarin alleen is ingegaan op de jaren 2015 tot en met 2017, moet worden gezien als een grond van bezwaar en heeft niet tot gevolg dat er een nieuwe aanvraag is gedaan waarop verweerder nog niet heeft beslist. Eiseres kan dus ook geen beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag indienen.
5. Het beroep van eiseres is daarom niet-ontvankelijk. Zij heeft dus ook geen recht op een bestuurlijke dwangsom wegens het niet tijdig beslissen.
6. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, krijgt eiseres geen vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt en hoeft verweerder ook het betaalde griffierecht niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7733.