Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:2431
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,746 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Locatie Utrecht
Zaaknummer: 11347360 UC EXPL 24-6835 MvdH/40201
Vonnis van 19 februari 2025
in de zaak van
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: Incassobureau Fiditon B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de brief van 6 november 2024 met de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 15 januari 2025 met de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
Op 12 juli 2005 sluit [gedaagde] een kredietovereenkomst met de (rechtsvoorgangster van) ING voor een krediet van maximaal € 14.500,-. Sinds medio 2018 heeft [gedaagde] betalingsproblemen. Met de brief van 5 februari 2019 van haar incassogemachtigde Vesting Finance zegt ING de kredietovereenkomst tussen partijen op vanwege het gedurende geruime tijd overschrijden van de kredietlimiet en het niet of nauwelijks meer binnenkomen van omzet op de rekening. In de brief verzoekt ING [gedaagde] om het uitstaande saldo over te maken. Na een betalingsregeling stopt [gedaagde] volledig met betalen. Volgens ING bedraagt de openstaande schuld van [gedaagde] aan haar € 16.548,89.
2.2.
ING stelt brieven aan [gedaagde] te hebben gestuurd op 27 februari 2019, 29 april 2019, 10 oktober 2019, 4 juni 2020, 22 september 2020, 8 december 2020, 27 augustus 2021, 1 september 2022, 21 februari 2023, 14 maart 2024 en 19 juli 2024. Deze zijn deels ook per e-mail verstuurd. Op 29 juni 2021 is een sommatie exploot aan [gedaagde] uitgebracht.
2.3.
ING vordert in deze procedure betaling door [gedaagde] van € 12.500,-. Volgens [gedaagde] is de vordering verjaard en is ING nalatig geweest in haar zorgplicht door de rekening te blokkeren nadat hij het krediet had overschreden. ING is het daar niet mee eens. De kantonrechter geeft ING gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
Geen verjaring
3.1.
Voor de vordering van ING tot terugbetaling van een krediet, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar na aanvang van de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden. In dit geval is de vordering met het opeisen van het krediet op 5 februari 2019 opeisbaar geworden. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling van ING aan [gedaagde] , waarin zij zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt.
3.2.
ING voert aan dat ze de verjaring gestuit heeft met de vele brieven die aan [gedaagde] zijn gestuurd en met het sommatie exploot. [gedaagde] heeft zich niet op het standpunt gesteld dat hij deze stukken niet heeft ontvangen. De brieven en het sommatie exploot zijn verder geadresseerd aan het adres waarop [gedaagde] woont. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] deze stukken heeft ontvangen.
3.3.
Door de stuitingshandelingen (de brieven en het sommatie exploot) zijn telkens nieuwe verjaringstermijnen van vijf jaar gaan lopen. Tussen geen van de brieven zit een periode van meer dan vijf jaar. Zo is het sommatie exploot van 29 juni 2021 binnen vijf jaar na vijf januari 2019 verricht en is de dagvaarding vervolgens binnen vijf jaar na 29 juni 2021 uitgebracht op drie oktober 2024. Dat betekent dat het beroep op verjaring van [gedaagde] niet slaagt.
Geen schending zorgplicht
3.4.
[gedaagde] voert verder aan dat ING haar zorgplicht heeft geschonden door de rekening te blokkeren nadat hij het krediet had overschreden. Omdat [gedaagde] deze stelling pas voor het eerst bij dupliek heeft ingenomen en niet heeft toegelicht welk rechtsgevolg hieraan moet worden verbonden, kan de kantonrechter hier in deze procedure niets mee. Dat ING [gedaagde] heeft gehouden aan de afspraken uit de kredietovereenkomst levert bovendien op zich geen schending van haar zorgplicht op. Ook dit verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.608,39
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ING te betalen een bedrag van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 3 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.608,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.
Zie artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
Zie artikel 3:317 BW
Zie artikel 3:319 BW