Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:2412
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,536 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11370244 UC EXPL 24-7142 YM/698
Vonnis van 19 maart 2025
inzake
[eiser] handelend onder de naam " [handelsnaam] ",
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [handelsnaam] ,
eisende partij,
gemachtigde: N. Sekercan,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] BV,
gedaagde partij,
vertegenwoordigd door: [A] en [B] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 30 oktober 2024 met de conclusie van antwoord- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 7 maart 2025, waaruit blijkt dat [handelsnaam] is verschenen, tezamen met zijn gemachtigde en de tolk, de heer A. Galbayi.[gedaagde] BV is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
2Waar gaat dit geschil over?
2.1.
[handelsnaam] heeft in opdracht van [gedaagde] BV in mei 2024 stuc-werkzaamheden verricht tegen een overeengekomen aanneemsom van € 3.500,00. [handelsnaam] heeft hiervoor een factuur gestuurd, die [gedaagde] BV onbetaald heeft gelaten. [handelsnaam] vordert in deze procedure [gedaagde] BV te veroordelen tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke handelsrente en de kosten van de procedure. [gedaagde] BV heeft op de rolzitting de vordering erkend, maar ook gesteld dat zij niet heeft betaald omdat [C] geen werkvergunning bleek te hebben en omdat hij het werk niet goed uitgevoerd zou hebben.
3Wat vindt de kantonrechter?
3.1.
De vordering wordt toegewezen zoals gevorderd. Hoewel [C] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard nog niet te beschikking over een werkvergunning ontslaat dit [gedaagde] BV niet van de betalingsverplichting. Bovendien had [gedaagde] BV, voordat zij [handelsnaam] inhuurde, zelf moeten onderzoeken of [handelsnaam] wel beschikte over een werkvergunning. Ook het feit dat [handelsnaam] het werk niet goed zou hebben uitgevoerd, vormt geen reden om niet te betalen. Dit zou anders kunnen zijn, indien [gedaagde] BV [handelsnaam] gewezen zou hebben op de gebrekkige uitvoering van zijn werk en hem in de gelegenheid zou hebben gesteld het werk te herstellen. Gesteld noch gebleken is dat [handelsnaam] op de hoogte was, laat staan dat hij gelegenheid heeft gehad om eventuele gebreken te herstellen. Dit betekent dat de hoofdsom toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de periode 24 juni 2024 tot en met 7 oktober 2024, zijnde een bedrag van € 123,15, alsmede de wettelijke handelsrente vanaf 8 oktober 2024 tot de dag van betaling.
3.2.
[handelsnaam] maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [handelsnaam] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [handelsnaam] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 475,00 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
3.3.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom - wettelijke handelsrente tot en met 7 oktober 2024
€€
3.500,00123,15
- buitengerechtelijke incassokosten
€
475,00
+
Totaal
€
4.098,15
3.4.
[gedaagde] BV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.040,22
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] BV tot betaling aan [handelsnaam] van een bedrag van € 4.098,15, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 3.500,00 vanaf 8 oktober 2024 tot de dag van betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] BV in de proceskosten van € 1.040,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] BV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr Y.M. Vanwersch, kantonrechter, en uitgesproken op 19 maart 2025.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11370244 UC EXPL 24-7142 YM/698
Vonnis van 19 maart 2025
inzake
[eiser] handelend onder de naam " [handelsnaam] ",
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [handelsnaam] ,
eisende partij,
gemachtigde: N. Sekercan,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] BV,
gedaagde partij,
vertegenwoordigd door: [A] en [B] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 30 oktober 2024 met de conclusie van antwoord- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 7 maart 2025, waaruit blijkt dat [handelsnaam] is verschenen, tezamen met zijn gemachtigde en de tolk, de heer A. Galbayi.[gedaagde] BV is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
2Waar gaat dit geschil over?
2.1.
[handelsnaam] heeft in opdracht van [gedaagde] BV in mei 2024 stuc-werkzaamheden verricht tegen een overeengekomen aanneemsom van € 3.500,00. [handelsnaam] heeft hiervoor een factuur gestuurd, die [gedaagde] BV onbetaald heeft gelaten. [handelsnaam] vordert in deze procedure [gedaagde] BV te veroordelen tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke handelsrente en de kosten van de procedure. [gedaagde] BV heeft op de rolzitting de vordering erkend, maar ook gesteld dat zij niet heeft betaald omdat [C] geen werkvergunning bleek te hebben en omdat hij het werk niet goed uitgevoerd zou hebben.
3Wat vindt de kantonrechter?
3.1.
De vordering wordt toegewezen zoals gevorderd. Hoewel [C] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard nog niet te beschikking over een werkvergunning ontslaat dit [gedaagde] BV niet van de betalingsverplichting. Bovendien had [gedaagde] BV, voordat zij [handelsnaam] inhuurde, zelf moeten onderzoeken of [handelsnaam] wel beschikte over een werkvergunning. Ook het feit dat [handelsnaam] het werk niet goed zou hebben uitgevoerd, vormt geen reden om niet te betalen. Dit zou anders kunnen zijn, indien [gedaagde] BV [handelsnaam] gewezen zou hebben op de gebrekkige uitvoering van zijn werk en hem in de gelegenheid zou hebben gesteld het werk te herstellen. Gesteld noch gebleken is dat [handelsnaam] op de hoogte was, laat staan dat hij gelegenheid heeft gehad om eventuele gebreken te herstellen. Dit betekent dat de hoofdsom toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de periode 24 juni 2024 tot en met 7 oktober 2024, zijnde een bedrag van € 123,15, alsmede de wettelijke handelsrente vanaf 8 oktober 2024 tot de dag van betaling.
3.2.
[handelsnaam] maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [handelsnaam] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [handelsnaam] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 475,00 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
3.3.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom - wettelijke handelsrente tot en met 7 oktober 2024
€€
3.500,00123,15
- buitengerechtelijke incassokosten
€
475,00
+
Totaal
€
4.098,15
3.4.
[gedaagde] BV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.040,22
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] BV tot betaling aan [handelsnaam] van een bedrag van € 4.098,15, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 3.500,00 vanaf 8 oktober 2024 tot de dag van betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] BV in de proceskosten van € 1.040,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] BV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr Y.M. Vanwersch, kantonrechter, en uitgesproken op 19 maart 2025.